Jezelf vinden, om jezelf te kunnen geven aan de ander: Een studie naar het verband tussen identiteit en intimiteit

(277)

 

Binnen deze scriptie willen we een klassieke ontwikkelingspsychologische hypothese testen. Eén van de voornaamste ontwikkelingstaken voor jongvolwassenen is de ontwikkeling van diepgaande en intieme relaties, hetzij met goede vrienden, hetzij met een partner. Erikson (1968) stelde echter dat jongvolwassenen pas goed en wel kunnen starten met deze ontwikkelingstaak, eenmaal ze de voorgaande ontwikkelingstaak tot een goed einde hebben kunnen brengen. Het ontwikkelen en uitbouwen van een persoonlijke identiteit wordt immers gezien als één van de voornaamste opdrachten tijdens de adolescentie: wie ben ik, wat wil ik bereiken, wie zijn belangrijke mensen voor mij, etc.?
De voorbije decennia hebben heel wat studies aangetoond dat er op zijn minst een verband is tussen de mate waarin jongeren een identiteit hebben ontwikkeld, en de kwaliteit van intieme relaties. Deze studie wil deze kennis aanvullen en uitbreiden, door (1) over tijd na te gaan of de identiteitsontwikkeling voornamelijk bijdraagt aan een toegenomen capaciteit tot intiem functioneren, dan wel of identiteit en intimiteit elkaar wederzijds beïnvloeden, en (2) door gebruik te maken van recente theoretische modellen en inzichten uit de identiteits- en intimiteitsliteratuur.
Binnen de identiteitsliteratuur wordt typisch gebruik gemaakt van het “statussenparadigma” ontwikkeld door James Marcia (1966). Hij stelde dat de identiteitsontwikkeling voornamelijk wordt gekenmerkt door twee processen, namelijk enerzijds de mate waarin iemand een duidelijke keuze heeft gemaakt m.b.t. zijn identiteit (“binding”), en anderzijds de mate waarin iemand heeft nagedacht over deze binding (“exploratie”). De laatste jaren is het onderzoek omtrent identiteit echter in een stroomversnelling geraakt, waarbij deze dimensies verder gedifferentieerd worden. Binnen deze scriptie willen we ons dan ook baseren op deze meest recente modellen om de klassieke hypothese omtrent identiteit en intimiteit te toetsen.
Ook op vlak van intimiteit is er de mogelijkheid om een meer gedifferentieerde benadering te hanteren. Typisch wordt intimiteit gedefinieerd in termen van zelfonthulling, wederkerigheid, emotionele nabijheid, etc. Sommige auteurs leggen daarnaast echter ook de nadruk op een zekere mate van individualiteit in de intieme relatie. Intimiteit zou dan neerkomen op een capaciteit om zichzelf te kunnen geven aan anderen, maar dit zonder zichzelf als individu te verliezen. Of zoals Erikson het zou stellen: “Successful intimacy requires feelings of power and control, allowing fusion without fear of ego loss” (Erikson, 1950, p.264).
 

Soort studie: longitudinaal vragenlijst onderzoek bij adolescenten

Deelnemers: adolescenten en jongvolwassenen


Aantal studenten: 1

Praktisch: Binnen deze scriptie sluit je aan bij lopend longitudinaal onderzoek. Dit wil zeggen dat je verwacht wordt om mee te helpen met de nieuwe dataverzameling, dewelke zal plaatsvinden in februari 2012.

 

Promotor & begeleider: Prof. Wim Beyers & Stijn Van Petegem


Verder lezen:

Naar registratietool op Minerva!