Lousbergsgesticht


Het Lousbergsgesticht.




Historiek

Familie Lousbergs en N.V. Lousbergs

De familie Lousbergs, afkomstig uit Maastricht, vestigde zich in 1784 te Gent, waar zij zich d.m.v. twee huwelijken lieerde met de familie van de Villiots, die sinds 1767 een katoendrukkerij uitbaatte. Van bij het begin was de familie Lousbergs dus nauw betrokken bij de eerste industriële revolutie in het Gentse. Verschillende leden van de familie baatten textielfabrieken uit, zowel in eigen naam als gezamelijk met andere naaste familieleden. De firma Lousbergs was de eerste die er in Gent in slaagde het gehele productieproces voor katoenen weefsels (spinnen - weven - bedrukken) op mechanische grondslag te concentreren.

De familiebedrijven van de Lousbergs overleefden slechts met grote moeite de crisis van 1810-1811. Het hoofd van de familie, Godefroid Lousbergs, pleegde zelfmoord de dag voor het faillissement van zijn firma werd uitgesproken. Zijn broer Hubert wist met moeite de katoendrukkerij te redden. De firma kende een nieuwe bloei vanaf de vroege jaren 1820, dankzij de stimulansen die koning Willem I gaf aan de Zuidnederlandse (zeg maar 'Belgische') industrie en waarvan de Gentse textielnijverheid in het bijzonder wist van te profiteren.

In 1827, na de dood van Hubert Lousbergs, Ferdinands vader, en van Huberts broer, Henri, ging de oude firma Lousbergs definitief over in handen van Felix de Hemptinne, Huberts schoonzoon. Sinds 1823 had Ferdinand echter zijn eigen, zeer moderne, katoenspinnerij en -weverij op de Reep. Ook andere Lousbergs, bloedverwanten van Ferdinand, bleven actief in de textielnijverheid. Bij zijn dood in 1859 was de onderneming van Ferdinand Lousbergs, met 1500 arbeiders, de grootste fabriek van Gent. Na Ferdinands dood in 1859 werd de onderneming door zijn erfgenamen omgezet in de N.V. Lousbergs. Dit bedrijf ging tenslotte definitief ten onder tijdens de grote crisis in de jaren 1933-1934.

De persoon van Ferdinand Lousbergs.

Ferdinand Lousbergs werd geboren op 31 augustus 1799 als zoon van Hubert Lousbergs en Helena Smeulders. Hij was een van de figuren die mee de eerste industriële revolutie in Gent realiseerde. Zijn fabrieken stonden aan de spits van de toenmalige technologie. Hij was de eerste die in 1833 de weefstoelen 'à la Jacquart' invoerde. Tegelijk was hij actief als weldoener en toonde hij bezorgdheid voor het lot van zijn arbeiders. Hij was een typisch voorbeeld van de welmenende paternalistische 'patron'.

Zijn privé-woning, het prestigieuze neo-classicistische stadspaleis 'hotel Lousbergs-de Hemptinne' (gebouwd tussen 1842 en 1848, n.o.v. L. Eyckens) kan nog steeds bewonderd worden in de Keizer Karelstraat (nr. 75). Tegenover deze indrukwekkende stadsresidentie kunnen we nog de monumentale poort zien die toegang gaf tot de fabriek van Ferdinand. (Brepols Architectuurgids Gent, p. 162-163)

Het Gesticht Lousbergs

Bij zijn dood op 31 augustus 1859 liet Ferdinand Lousbergs een legaat van 400.000 Fr. na voor de bouw en uitrusting van een gesticht voor bejaarden en mindervaliden, in de eerste plaats bedoeld voor de arbeiders van zijn eigen fabriek. Kort voor zijn dood had Ferdinand zelf hiervoor de nodige grond gekocht. Het ging om een terrein van iets meer dan 1,27 ha gelegen aan de Visserij.

Ferdinands erfgenamen, de familie de Hemptinne (w.o. Ferdinands neven), weigerden in eerste instantie het legaat uit te keren en de grond over te maken aan de Commissie der Burgerlijke Godshuizen. Er waren twee koninklijke besluiten en een tussenkomst van de rechtbank voor nodig om hen hiertoe te verplichten. Op 8 december 1865 opende het tehuis zijn deuren. Er was plaats voor 40 bejaarden. Door schenkingen van verschillende personen kon dit aantal later uitgebreid worden tot 55. Enkel mannen werden tot het gesticht toegelaten.

Tussen 1909 en 1912 werd het gesticht aanzienlijk uitgebreid en gemoderniseerd. Zo werd in 1912 o.m. waterleiding en centrale verwarming geïnstalleerd. De uitbreiding moest toelaten dat ook de bejaarden van de Bijloke konden overgebracht worden naar het Lousbergsgesticht, wat gebeurde in 1913.

Lang konden de bejaarden niet genieten van de uitbreiding van het complex. In 1915 werd het tehuis in beslag genomen door de Duitsers en de bewoners geëvacueerd naar andere rusthuizen. In hun plaats kwamen er prostituees die besmet waren met venerische ziekten, en die daardoor een bedreiging konden vormen voor de Duitse soldaten. Elke woensdag en zaterdag moesten alle geregistreerde vrouwen van lichte zeden zich in het Lousbergsgesticht laten onderzoeken; als zij besmet bevonden werden, werden ze er geïnterneerd. Dit lijken er nogal wat geweest te zijn want in 1918 waren er maar liefst 1020 vrouwen (!) opgesloten in het Lousbergsgesticht. Vaak waren het armere vrouwen, alleen met kinderen, die door de oorlog geen andere uitweg zagen dan zich te prostitueren. In een vulgariserend werk uit 1920 lezen we het verhaal van een meisje van 14, besmet met syphilis, dat in het gesticht een kind ter wereld bracht. Haar eigen moeder (32 jaar) en grootmoeder (54 jaar) waren in eveneens in het Lousbergsgesticht opgesloten, beiden besmet met gonorrhoe. Het kind werd, ten gevolge van de overgeërfde syphilisbesmetting blind geboren. Naar verluidt zou het gebouw in 1917 getroffen geweest zijn door enkele bommen van een Engels vliegtuig, wat een tweehonderdtal prostituees de kans gaf te ontsnappen.

Na de oorlog deed het gebouw opnieuw dienst als rusthuis voor bejaarde mannen. Sinds 1966 onderging het complex regelmatig moderniserings- en aanpassingswerken. De meest markante verandering betreft de vervanging van het portaal door een glazen voorhangwand in 1979. Sinds 1968 worden ook vrouwen in het gesticht toegelaten.

Eind jaren 1980 werd echter duidelijk dat het gebouw niet meer aangepast was de hedendaagse normen. Een brand die het leven kostte aan een van de bewoners eind 1987 verwekte heel wat opschudding in de pers. De brandweer keurde het gebouw af. In 1988 besloot het OCMW tenslotte definitief om over te gaan tot de bouw van een geheel nieuw rusthuis en de verkoop van het oude Lousbergsgesticht. Er werd een begin gemaakt met de bouw van een nieuw RVT, 'De Vijvers' in Ledeberg, dat vandaag bijna voltooid is. Reeds in 1991 werd de capaciteit van het Lousbergs bijna gehalveerd. Zodra 'De Vijvers' geheel voltooid zal zijn (voorzien voor 1997), zal het oude Lousbergsgesticht ontruimd en verkocht worden.

Het stadbestuur heeft zich in principe akkoord verklaard om het complex over te nemen. Op het achtergelegen terrein zou een buurtpark komen, met speelmogelijkheden voor de kinderen. Het gebouw zelf zou worden doorverkocht, ev. aan een sociale huisvestingsmaatschappij. Met de buurtwerking pleiten wij ervoor een deel van het complex en het weinige wat rest van het buurtschooltje in de Tarbotstraat te renoveren en ter beschikking te stellen voor wijkactiviteiten (jeugdbeweging, hobbyclubs, kunstateliers, tentoonstellingsruimte, vergaderruimte etc.).


Architectuur

In 1861 schreef de Commissie der Burgerlijke Godshuizen een wedstrijd uit onder de ingenieurs en architecten voor het ontwerpen van wat bekend zou worden als het Rusthuis Lousbergs. Het project van ingenieur-architect Adolphe Pauli kwam als winnaar uit de bus.

Adolphe Pauli. (1820-1895)

De familie Pauli was afkomstig uit Duitsland. Adolphes vader kwam in 1814 naar Gent als bankier. Adolphe Pauli studeerde architectuur onder L. Roelandts (bekend van de bouw van o.m. het justitiepaleis, de opera en de universiteits-aula). Zijn benoeming tot leraar aan de Gentse Academie in 1850 was het begin van een bijzonder succesvolle carrière. Hij was een van de architecten die het negentiendeëeuwse Gent vorm gaven. Van 1856 tot 1867 was hij stadsbouwmeester van Gent.

Tot zijn bekendste realisaties behoren het neo-gotische Bijlokehospitaal (1864-1880) en het Instituut der Wetenschappen van de R.U.G. (Rozier & J. Plateaustraat, 1883-1890). Ook de voormalige jongensschool op het Kramersplein, de voormalige Nijverheidsschool op de Lindelei (1857) en het Guislaingesticht (1851), die qua stijl nauw bij het Lousbergsgesticht aansluiten, zijn van zijn hand.

Net als zijn meester Roelandts, en zijn leerling van Rysselberghe, was Pauli een exponent van het neo-traditionalisme (vooral van het neo- classicisme). Dit belette niet dat hij het gebruik van nieuwe materialen (toen vnl. (giet)ijzer) genegen was en dat hij van mening was dat de architecturale vormen de mogelijkheden van deze nieuwe materialen moesten uitproberen.

Het gebouw Lousbergsgesticht

Beschrijving van de voorgevel.

Het Lousbergsgesticht werd opgetrokken in 'neo-romaanse' rondbogenstijl, met Italiaanse kenmerken in vooral de vensters en het ingangsportaal. De nadruk lag vooral op de kapelgevel, die in 1979 helaas gesloopt is geworden en vervangen door de huidige glazen voorhangwand. De kapelgevel werd grotendeels opgetrokken in witte steen. Aan beide kanten werd de kapelgevel geflankeerd door achtzijdige torentjes. (Het originele plan, dat nooit werd uitgevoerd voorzag langs beide kanten twee zulke torentjes.) Het geheel was bekroond met torenspitsen: één grote in het midden, twee kleinere op de zijtorentjes. De toegangspoort met rondboog en tympaan waren typisch neo- romaans. Erboven bevond zich dan weer een neo-gothisch roosraam. Het tympaan was versierd met een fresco van de hand van Theodoor Jozef Canneel (1817-1892). Op een gouden achtergrond stelde het fresco een gezeten troostende Christus voor met uitgestrekte handen. Hij verwelkomde ouderlingen en gebrekkigen, voorgesteld door een knielende figuur aan beide kanten van de Christus. Het fresco werd beschadigd bij een onoordeelkundige restauratie in 1936, waarna het later vervangen werd door een mozaïek met dezelfde voorstelling. Voorzien was dat het mozaïek zou gespaard blijven bij de afbraak van het portaal in 1979. Vandaag is het werk echter verdwenen. Vermoedelijk is het dus toch bij de afbraakwerken vernietigd. Aan weerskanten van de kapelgevel strekken zich symmetrisch twee grote zijvleugels uit over twee bouwlagen, met zes traveeën. Op het gelijkvloers zijn er vijf rondboogramen en een deur eveneens met rondboog, op de eerste verdieping zes gelijkaardige ramen. Het tracee van de vensters en de deur is Florentijns. Beide vleugels hebben eenzelfde zadeldak. Aan de (vroegere) uiteinden bevinden zich vooruitspringende vleugels begrensd door pilasters. Het middendeel van de deze vleugels wordt eveneens door pilasters begrensd. In dit middendeel bevindt zich op het gelijkvloers eenzelfde soort raam als we op de zijvleugels terugvinden. Het raam op de eerste verdieping is groter, maar heeft hetzelfde Florentijns tracee. Boven de vleugels bevindt zich een soort borstwering waarin een klein venster is uitgespaard, onder een schilddak. Pauli kreeg veel lof voor zijn ontwerp. De negentiendeëeuwse atlas Goetghebuer schrijft: "Iedereen kent uitwendig de sierlyken bouw die de Visserij zoo zeer verfraeit, maer zij, die binnen het gesticht geweest zijn, spreken met de meesten lof over de verdeeling der plaetsenen en de pracht die er aan ten koste gelegd is. Onze verminkte fabriekswerkers, zullen dan een wezenlijk paleis bewonen."

Architect Van de Voorde liet in 1909-1912 twee vleugels aanbouwen aan de voorgevel. Hij baseerde zich hiervoor op vroegere plannen van architect De Waele, die nooit waren gerealiseerd. De zijvleugels imiteren de stijl van Paulis oorspronkelijke zijvleugels. Ook achteraan werd het gebouwencomplex aanzienlijk uitbegreid met nieuwe gebouwen rond binnenpleinen. De kapelgevel werd vereenvoudigd, door de drie torenspitsen te verwijderen.

In de jaren zeventig bleek de kapelgevel niet meer stabiel, het instortingsgevaar werd reŽel geacht. In plaats van een renovatie van het ontwerp van Pauli werd geŲpteerd voor een geheel nieuwe gevel in glas, mede om de duisternis van de oude inkomhal op te lossen. Er was veel kritiek op deze fundamentele aanpassing van Pauli's bouwplan, waarin de kapelgevel centraal stond, maar het OCMW besloot niettemin door te gaan met haar plan, waardoor het gesticht zijn huidige uitzicht kreeg. en was er dringend nood aan

Rondgang in het gebouw.

Achter de inkomhal bevind zich de oude kapel, verdeeld in drie traveeën. Aan beide kanten van de oude kapel bevinden zich tegenwoordig (sinds 1909-1912) binnenpleinen waarop de ramen van de kapel uitgeven.

De leef- en ontspanningsruimten zijn gelegen in het voorste gedeelte van de het gebouw (aan de Lousbergskaai) en rond 5 grote binnenplaatsen. Het Lousbergscomplex omvat zowel zalen voor chronisch zieken als privé-kamers flats met eigen keukentje en badkamer waar man en vrouw kunnen blijven samenwonen. Er zijn gemeenschapszalen en een cafetaria. De oude feestzaal (1910-1912) is helaas nu verdwenen.

Achter de kapel is een aanbouw (sinds 1909-1912) die uitgeeft op een gang waarlangs de achterbouw kan bereikt worden. Deze geeft uit op een groot binnenhof, dat zich uitstrekt over de volle breedte van het oorspronkelijke gesticht minus de door Pauli voorziene uiteinde-gevels. (ong. 40 m.) Deze binnentuin, meer dan 40 m. diep wordt achteraan afgesloten door een halve rondgang. Het grondplan van de tuin is daarmee dat van een rechthoek van ong. 40 x 20 m. aansluitend op een halve cirkel met straal 20 m. In 1978 werd in deze binnenhof een dierenpark geïnstalleerd (De Gentenaar 23/5/1978) met geitenweide en vogelkooi. Achter de halve rondgang bevindt zich nog een siertuin met o.m. drie petanquebanen.


Bibliografie

Acht eeuwen Gentse ziekenhuizen, Gent, Universitair Ziekenhuis - Dienst Public Relations, 1993, pp. 126-127.

COPPEJANS-DESMEDT H., De Belgische textielnijverheid, in: Handelingen van het 'Vijfde Nationaal Kongres voor Industriële Archeologie. Textiel' (Gent, 1977), Gent, W.I.A.R.U.G., 1979, p. 38.

DESEYN Guideo, Gids voor Oud Gent, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 1991, pp. 100-101.

HEBBERECHT E., Rusthuis Lousbergs, in: Van wei tot wijk. Honderd jaar Heirnis (1888-1988), Gent, N.V. Drukkerij Het Volk, 1988, pp. 127-134.

en Idem, manuscript volledige versie van zelfde tekst.

LAPORTE Dirk, Architectuurgids Gent, Brepols, 1994

LEEKENS Luc, Maurice Sys, manuscript.

VAN HOOREWEGHE Colette, Prostitutie te Gent tussen 1910 en 1932, Gent, onuitgegeven licentiaatsverhandeling 1988/1989, pp. 107-137

WANDT Heinrich, Etappenleven te Gent. Kantteekeningen bij de Duitsche ineenstorting, Ledeberg-Gent, 1920, pp. 126-128.

WYLLEMAN Linda, Architekt Adolphe - Edouard - Theodore Pauli. 1820 - 1895, Gent, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1972/73, pp. 131-146.


Terug naar Homepage
Het schooltje in de Tarbotstraat
Maurice Sys

Onze wensen en eisen