==>idem <==

 

hooglied

PIC

het van het

(over de wijste der wijzen)

(een hertaling van het hooglied door: © walter bossaert)

(versie juni 2009)

 
een oud en schalks liefdesdrama in 12 bedrijven

Inhoudsopgave

 
met in de hoofdrollen:
A: vrouwenkoor (harem–meisjes)
B: vrouwelijke hoofdpersoon (een nieuw harem–meisje)
C: verzorgster
D: geliefde herder
F: mannenkoor (wachters)
G: prins
H: mannenkoor (broeders van B)
 
een hertaling van het hooglied door © Walter Bossaert, juni 2009
(een op basis van de recente (2003) vindingen van Nelleke Stoop herwerkte versie)
ter illustratie: “nana’s” van Niki de Saint Phalle, “tahitiaan” van Hein Dingemans, “zielen” en ”symposium”van Delvelle, ”morgenzon”van Friedrich, “levensfontein” van Bosch, een “droom” van Rousseau, “nacht” van Matisse, “nacht” van Van Gogh

1 lieflustig ben ik

 [1:2]laat mij drinken van de kussen van jouw mondA
en mij bezatten in jouw armen A
 [1:3]bedwelmend is jouw geur A
levenwekkend (jouw essentie) A
 
 [1:4]lieflustig ben ik en verlang naar jou A
verleid me en snel, A
laat mij komen in jouw intimiteit A
juichen zullen we en plezieren A
en ons bezatten A
van liefdelust A
 
 [2:5]laat me (van je) drinken A
sterk me met (je) fruit A
want liefdeziek ben ik A
PIC

2 als hemelvuur is onze passie

 [1:5]donker ben ik van vel B
zoals tenten in een woestijn B
zoals tapijten in een paleis B
 [1:6]het is door de zon dat ik ben gebronst B
 
m’n broers ruzieden om mij B
 
 [8:8]ons zusje is nog jong en heeft geen borsten H
wat doen we H
de dag dat over haar gesproken wordt H
 
 [1:6c]wijngaarden moest ik bewaken B
die ‘wijngaard’ van mij heb ík niet bewaaktB
 
 [8:9]is ze een vesting H
we zetten er een zilveren kanteel op H
is ze een deur H
we zetten er een cederen balk voor H
 
 [6:10]wie is dat daar F
stralend als de dageraad F
mooi als de maan F
puur als de zon F
vrank als een slagklaar leger F
 
 [1:7]zeg het, mijn liefste, B
waar is jouw weiland B
waar verwijl je op de middag B
dat ik niet rondhangen moet B
bij de kudden van jouw makkers B
 
 [1:8]als je het niet weet, mooi kind A
volg dan je verlangen A
en laat jouw ‘geitjes’ weiden A
waar herders verwijlen A
 
 [8:5a]wie duikt daar op uit de natuur F
om zich te voegen bij haar lief F
 
 [8:5b]onder de appelaar zal ik je wekken B
daar waar je werd verwekt B
 
 [8:6a]draag mij als een zegel in je hart B
als een zegel op je arm B
 
 [8:6b]ja sterker dan de dood is onze liefde B
hevig als hemelvuur onze passie B
 [8:7]door geen zondvoed te verzwelgen B
 
 [8:10]ik ben een vesting en heb borsten als torensB
en vredestralend ben ik in mijn liefs ogen B
PIC

3 geurend naar mirre

 [3:6]wie is dat F
die daar van verre te zien is en te ruiken, F
als een wierookpalmboom F
uitstijgend boven de vlakte F
geurend naar mirre en wierook F
en alle mogelijke kruiden F
 
 [3:7]zie: de draagstoel van de prins F
met errond wel zestig man F
geknipte atleten F
 [3:8]het wapen op de dij F
dag en nacht paraat F
 
 [3:9]het prinselijk rustbed F
is van het fijnste cederhout F
 [3:10]met zilveren spijlen F
en getapisseerd met liefde F
 
 [3:11]kom en bezie hem, F
de prins met zijn ‘kroon’ F
waarmee zijn moeder hem kroonde F
voor zijn trouwdag F
de vreugdedag van zijn hart F
 
 [8:11]voor zijn nieuwe ‘wijngaard’ H
komt de prins, (een pracht) H
toevertrouwen aan bewakers (zal hij hem)H
en geven duizend zilverstukken H
voor ‘vrucht’gebruik H
 
 [8:7c]rijkdom in ruil voor liefde B
dat is te verachten B
 
 [8:12]voor mij mijn ‘wijngaard’ D
die duizend zilverstukken D
mag hij houden, die prins D
en ook die tweehonderd D
voor de bewakers van zijn ‘vrucht’ D
 
 [8:13]jij, als je daar zult zitten in die hovingen D
weet dan D
dat mijn makkers je stem zullen horen D
roep dan iets voor mij D
 
PIC

4 in zijn schaduw wil ik rusten

 [1:9]als de mooiste merrie aan een koningkoetsC
maak ik je mijn liefje C
 [1:10]met welgevormde versierde flanken C
 [1:11]met edelstenen omkranste nek C
sieraden van goud zal ik jou maken C
met punten van zilver C
 
 [1:12]de prins intiem C
zal geuren van mijn nardus C
 
 [1:13]een zakje mirre is mij mijn liefste B
nachtend tussen mijn borsten B
 [1:14]een henna–tros, mijn liefste B
in mijn ‘wijngaard’ B
mijn ‘bokkebron’ B
 
 [1:15]mooi ben jij, mijn liefje, C
met ogen als duiven C
 
 [1:16]hoor, mijn lief: mooi ben jij B
het mos is ons bed, B
 [1:17]de ceders ons dak B
het lover de wanden B
 [2:1]een roos ben ik uit sjaron, B
een lelie uit het dal B
 
 [2:2]als een lelie midden distels C
is mijn liefje tussen de meisjes C
 
 [2:3]als een fruitboom midden wilde bomen B
is mijn lief tussen de jongens B
in zijn schaduw wil ik rusten B
met zoet in mijn mond zijn ‘fruit’ B
 [2:4]naar de ‘lusthof’ voere hij mij B
in ‘liefdeskleren’ B
 
 [2:6]onder mijn hoofd zij zijn linker B
en zijn rechter omstrele mij B
 
 [2:7]bij alle gazellen en herten van de wereld B
ik smeek u meisjes van jeruzalem B
wek de liefde niet, stoor ze niet B
zolang ze langt B

5 sta op en ga je eigen weg

 [2:8]hoor: mijn lief! B
zie: hij komt! B
al springend over bergen en heuvels B
 [2:9]als een gazelle, als een jong hert B
zie hem daar, achter de muur B
hij loert door het venster B
hij gluurt door het hek B
 
 [2:10]mijn lief is daar en spreekt: B
 
sta op en ga jouw eigen weg D
mijn gezellin, mijn mooiste D
 [2:11]ontwaak en word jezelf D
zie: de winter is voorbij D
het regent niet meer D
 [2:12]alles bloeit open D
de nachtegaal is al te horen en de tortelsD
 [2:13]en de appelaars geuren al naar bloesemsD
sta op en ga je eigen weg D
mijn gezellin, mijn mooiste D
 
 [2:14]mijn duif in rotsholten D
laat je zien, laat je horen D
zoet is jouw stem D
en bevallig jouw verschijning D
 
 [2:15]grijp ons die vossen BD
kleine vossen BD
wijngaardvernielers BD
onze wijngaarden staan in bloei BD
 
 [2:16]mijn lief, zijn geliefde B
herder midden lelies B
 
 [2:17]tot de aanzwellende dag B
en het verzwindend duister B
draai je, keer je, toon je, mijn liefste B
als ’n gazel, ’n hertejong, op die bergen B
PIC

6 nachtenlang heb ik mijn lief gezocht

 [3:1]op mijn bed, nachtenlang B
heb ik mijn lief gezocht B
mijn liefste naar wie ik lang B
maar gevonden heb ik niet mijn lief B
 
 [3:2]opstaan zal ik en gaan in de stad B
op markten en pleinen B
en zoeken zal ik mijn liefste B
 
gezocht heb ik hem en niet gevonden B
 [3:3]aan de stadswachters die mij vinden vraag ik het:B
“mijn liefste, hebt ge hem gezien?” B
 
 [3:4]en plots, zomaar, vind ik hem, mijn liefste B
ik pak hem vast en laat hem niet los B
tot hij (in) mij is gekomen B
in mijn ‘moeder–stee’ B
mijn ‘plek van wording’ B
 
 [3:5]bij alle gazellen en herten van de wereld B
ik smeek u meisjes van jeruzalem B
wek de liefde niet, stoor ze niet B
zolang ze langt B
PIC

7 ga nu bruid

 [4:1]mooi ben jij, mijn liefje, mooi ben jij C
met je ‘bronnen’ als d(r)uiven C
daar achter die ‘haarlok’ C
haren als van een geitenkudde C
neergolvend van die ‘vreugdeheuvel’ C
 [4:2]met je ‘tanden’, egaal en puur, dubbel en perfectC
 [4:3]en je ‘lippen’ als een felrode draad C
met je lokkende ‘mond’ C
en je ‘zachte’ gespleten granaatappel C
 [4:4]je ‘hals’ C
een geliefde heem C
 
voor ‘dauw‘ van monden C
voor gevers van duizend C
voor ‘pijlen‘ van helden C
 
 [4:5]borsten als hertejongen C
een tweelinggazelle C
 
weidend tussen lelies B
 
 [4:6]tot de aanzwellende dag B
en het verzwindend duister B
wil ik gaan B
naar die mirreberg B
naar die wierookheuvel B
 
 [4:7]mooi ben jij, mijn liefje, en zonder vlek C
 
 [6:4]mooi als Tirzah C
volmaakt als Jeruzalem C
 
imposant als een leger C
 [6:5]wend af van mij je ogen C
want ze beangstigen mij C
 
 [6:8]onder al die meisjes en koninginnen: C
 [6:9]uniek ben jij, mijn duif, mijn volmaakte C
uniek is jouw schoot C
en zuiver jouw vrucht C
koninklijk geprezen C
 
 [4:8]ga nu, bruid A
kom uit het cederhuis A
en ga A
weg van amana en sanir A
ver van leeuwen en panters A
PIC

8 doorwaai mijn hof

 [4:9]mijn hartedief, mijn zus mijn bruid G
mijn hart is genomen G
met één enkele blik van je ogen G
met één enkele parel van je hals G
 
 [4:10]hoe goed die omhelzingen van jou G
mijn zus mijn bruid G
hoe heerlijk die omhelzingen van jou, G
bedwelmend jouw geur G
 
 [4:11]honigzeem druppelt van jouw lippen, mijn bruidG
honig en melk vind ik onder je tong G
en in je kleren ruik ik het cederhuis (de bergen) G
 
 [4:12]een verborgen tuin ben jij, mijn zus mijn bruid G
een verborgen wel, een verzegelde bron G
 [4:13]uit jou ontspringt een lusthof van granaatbomenG
met sappige vruchten en hennabloemen G
 [4:14]en nardusplanten, nardussafraan en kalmus G
kaneel, wierookstruiken, mirre, aloe G
alles wat geurt G
 
 [4:15]bron voor parken G
wel van levend water G
bergwater G
 
 [4:16]word wakker noorderwind B
 kom zuiderwind B
doorwaai mijn ‘hof’ en laat hem geuren B
mijn lief kome naar mijn ‘hof’ B
en ete van mijn sappige vruchten B
 
 [5:1]ik kom in mijn ‘hof’, mijn zus mijn bruid G
ik pluk er mijn mirre met balsem G
ik eet er mijn honig uit de raat G
ik drink er mijn wijn met melk G
 
eet vrienden G
drinkt en wordt dronken van liefde G
PIC

9 ik slaap met wakend hart

 [5:2]ik slaap met wakend hart B
een stem, mijn lief klopt aan B
 
open mij, mijn gezellin D
mijn duif mijn onbevlekte D
vol staat mijn ‘top’ D
van ‘dauw’ druppend op mijn ‘krullen’ D
 
 [5:3]m’n kleren heb ik al uit D
zou ik ze weer aantrekken? D
gewassen heb ik mij al ‘van onder’ D
zou ik me weer bevuilen? D
 
 [5:4]mijn lief zijn hand voel ik in ’t gat B
en kriebels in mijn buik B
 
 [5:5]op sta ik om te openen voor mijn lief B
mijn handen druipen van mirre B
druipende mirre op mijn vingers, op de greepB
 
 [5:6]helemaal open ben ik voor mijn lief B
maar weg is mijn lief en is er niet meer B
 
mn liefs stem bezielt mij B
ik zoek maar vind (hem) niet B
ik roep (hem) maar krijg geen antwoord B
 
 [5:7]mij vinden de wachters die dwalen in de stadB
ze slaan mij en kwetsen mij B
en mijn sjaal nemen ze mee, die wachters B
 
 [5:8]ik smeek u, meisjes van jeruzalem B
als ge mijn lief vindt B
zeg hem dan B
dat ik ziek ben van liefde B
 
PIC

10 biezonder is mijn lief

 [5:9]wat heeft jouw lief dan meer dan een ander lief A
o mooiste onder de vrouwen A
wat is er zo biezonder aan jouw lief A
om zo aan te dringen A
 
 [5:10]mijn lief is blakend gezond B
één uit de duizend B
 [5:11]zijn ‘hoofd’ edel als goud B
met krullend haar gitzwart B
 [5:12]zijn ‘juwelen’ geborgen als duiven B
bij fonteinen van water en ‘melk’ B
immer vol B
 [5:13]zijn ‘kaken’ geurend als balsem B
zijn lippen druppelend zoet als lelies B
 [5:14]zijn beide ‘krachten’ als ballen van goud B
belegd met edelstenen B
zijn ‘lee’ als een staaf van ivoor B
versierd met safieren B
 [5:15]zijn benen als albasten zuilen B
op sokkels van puur goud B
zijn gestalte rijzig als een ceder van de libanon B
 [5:16]heel en al begeerlijk, zo is mijn lief, mijn herderB
meisjes van jeruzalem B
 
 [6:1]waar is jouw lief A
o mooie vrouw A
waar is jouw lief naar toe? A
 
 [6:2]mijn lief zal afzakken naar zijn ‘hof’ B
midden kruiden en lelies B
 
 [6:3]ik hoor bij mijn lief en mijn lief hoort bij mij B
herder midden lelies B
 
 [6:11]afzakken wil ik naar de ‘notenhof’ B
en uitkijken naar een ‘frisse beek’ B
naar een uitschietende ‘wijnstok’ B
naar een openbloeiende ‘granaatboom’ B
 
 [6:12]‘bekennen’ zal ik niet B
mij weren als een strijdwagen B
van mijn edel volk B
PIC

11 draai en keer je

 [7:1a]draai en keer je, prinselijke bruid, A
dat wij je goed bewonderen kunnen A
 
 [7:1c]wat willen julle bewonderen in de prinselijke bruid C
wil je dat ze (ten strijde) danst voor jullie ? C
 
 [7:2]hoe sierlijk is jouw stap in die sandalen, princes A
en de rondingen van jouw heupen A
van de hand van een meester zijn ze A
 [7:3]en jouw gewelfd buikje is toch zo sappig A
een buik als een tarweschoof omkranst met korenbloemenA
 [7:4]borsten als hertejongen, een tweeling van de gazelle C
 [7:5]jouw ‘hals’ : dat ‘heem’ voor ‘ivoor’ A
jouw ‘bronnen’ : vijvers in zo vruchtbaar hamas A
dichtbij die stee voor velen A
jouw ‘neus(je)’ pal in ’t zicht A
tippend naar ‘damas’ A
 [7:6]jouw ‘hoofd’ daar op je, sierlijk als de carmel A
met dat kleurig haar A
om een prins te vangen A
 
 [7:7]wat ben je toch mooi en aantrekkelijk G
een en al liefdewekkend G
 [7:8]rijzig als een palmboom G
met borsten als dadeltrossen G
 
 [7:9]ik zou er wel willen opkruipen G
en mij vastgrijpen aan zijn vruchten G
 
je borsten net druiventrossen G
en je neus ruikt naar appel G
 
 [7:10]je kussen zijn als de heerlijkste wijn G
 
stromend voor m’n lief B
bevloeiend lippen in slaap B
PIC

12 ik ben voor mijn lief

 [7:11]ik ben voor mijn lief B
verlangend naar mijn lief, zo ben ik B
 
 [7:12]maak je klaar, mijn lief B
laat ons uitgaan naar het hoogland B
en vertoeven tussen henna’s B
 
 [7:13]ons vroeg opmaken voor de wijngaarden B
en zien of ze al botten de wijnstokken B
al bloeien de granaatappelbomen B
 
daar wil ik met je vrijen B
 
 [7:14]de liefdesappels geuren B
onze openingen zijn lekker–vol B
nieuwe en oude lekkernijen B
voor jou mijn liefste heb ik ze bewaard B
 
 [8:1]waart ge mijn broer B
gezoogd aan mijn moeders borsten B
ik zou je vinden en zomaar kussen B
en niemand zou verwonderd zijn B
 
 [8:2]ik zou je doen komen in mijn moeder–stee B
en jij zoudt mij inwijden B
en ik zou je laten drinken van mijn kruidenwijnB
en mijn granatensap B
 
 [8:3]met jouw linkerhand onder mijn hoofd B
en jouw rechter mij verstrelend B
 
 [8:4]ik smeek jullie meisjes van jeruzalem B
wat wekken jullie de liefde, wat storen jullie ze B
terwijl ze langt B
 
 [8:14]ga mijn liefste B
vrij als een gazel of als een hert B
op balsembergen B
PIC