ORD 2005

Maandag 30 mei 2005

 

11.30u

Onthaal en inschrijvingen.

13.00u

Verwelkoming & Plenaire Startactiviteiten.

14.00u

Keynote lecture 1:

Thomas Reeves - Design-Based Research for Advancing Educational Technology.

15.00u

Pauze met koffie/thee.

15.30u

Timeslot 1 bestaande uit 12 parallelsessies:

1

div 01

Trainen/opleiden zonder drang of dwang? (T. Van Dellen).

Integratie en participatie: Te meten? (E. Plovie)

De rol van individuele en contextuele factoren bij zelfsturing in leerprocessen (I. Raemdonck).

Leergeschiedenisonderzoek en curriculuminnovaties in het beroepsonderwijs (H. Ritzen).

2

div 02

Symposium – De regionale onderwijsarbeidsmarkt:

Onderwijsvacatures nader bekeken: Regionale verschillen (F.E.M. Berndsen).

Regionale verschillen in loopbaanpatronen van leraren in onderwijs (R. van der Aa).

Regionale verschillen in ziekteverzuim in het basisonderwijs (S. Vrielink).

3

div 03

Symposium – Onderprestatie van scholen:

Waarom hebben sommige basisscholen onderprestatie? (W. van der Grift).

Evaluatie onderwijskansenbeleid (G. Ledoux).

Kansrijk: Evaluatie van het School-Ontwikkelings-Project (J. Kuijpers).

4

div 04

Betekenis van tijdbesteding/leeromgeving voor het aanleren van competenties (C. Meng).

Rendement en duur van promoties in de Nederlandse onderzoekscholen (H. Oost).

Op weg naar valide selectiecriteria voor masteropleidingen (G. Fastré).

Inventarisatie van honoursprogramma in Nederlandse universiteiten (P.J. Van Eijl).

5

div 05

Mentoring met kwaliteit & werkplekomgevingen voor aanstaande leraren? (J. Geldens).

De docent beeldende vorming als vakdeskundige, didacticus en pedagoog (F. Haanstra).

Zelfonderzoek als middel van professionalisering van lerarenopleiders (J. van de Groep).

Capturing the impact of training teacher coaches (P. Hennissen).

6

div 05

Symposium – Het leren van docenten van bètavakken:

Veranderen opvattingen/attitudes docenten door participatie in ontwikkelnetwerk (F. Coenders).

Bètaspecifieke kenmerken van een krachtige leeromgeving voor bètadocenten (T. van der Valk).

How to reach more coherence in science teaching concerning 'Energy' (R. Genseberger).

7

div 06

Bijkomende designprincipes Cognitieve Theorie van Multimedia Leren? (K. De Westelinck).

De impact van het geven van advies op het gebruik van hulpmiddelen(G. Clarebout).

Ondersteuning van domein-specifiek redeneren in CSCL (J. Van Drie).

De invloed van groepsgrootte en schooltype in CSCL omgeving (H. van der Meijden).

8

div 07

Symposium – Selectie van studenten bij de toelating in het hoger onderwijs:

Het gebruik van examenresultaten bij de selectie van aankomende studenten (A. Béguin).

Decentrale selectie voor de studie geneeskunde aan het Erasmus MC (L.C. Urlings-Strop).

De relatie tussen VWO-cijfers en studiesucces (D.N.M. de Gruijter).

9

div 07

Het vaststellen en verklaren van het Differentieel Item Functioneren (W. Van den Noortgate).

Differential Item Functioning en achterhalen van equivalentie (B. Volckaert).

Adaptief sequentieel beheersingstoetsen (H.J. Vos).

10

div 08

Symposium – Witte en zwarte scholen: Lessen beleidspraktijk in Nederland & Vlaanderen:

Stapstenen voor spreiding (P. Huisman en P. Gramberg).

Oorzaken en aanpak van de witte en zwarte scholenproblematiek (S. Karsten).

Ervaringen met het gelijke kansendecreet (F. Ornelis, B. Steen en P. Mahieu).

11

div 09

Ontwerpen door niet-ervaren ontwerpers (D. Verstegen).

Op weg naar innovatief ICT-gebruik op de PABO (M. Drenth).

Webklassen en goed gemotiveerde studiekeuze (M.J. van Leijen).

12

div 11

Voorbeeldgestuurd onderwijs (E. Boltjes)

Omgaan met een interactief leerpakket in het hoger onderwijs (Y. Beetsma).

Gender awareness bij geneeskundestudenten (P. Verdonck).

17.15u

Dagafsluiting met een verwelkomingsreceptie.

 

é

 

Dinsdag 31 mei 2005

 

8.00u

Onthaal en inschrijvingen.

9.00u

Timeslot 2 bestaande uit 12 parallelsessies:

1

div 01

Monitor Impuls Beroepskolom (W. van Esch).

ICT ondersteuning voor werkplekleren (D. Lockhorst).

De Quick Scan als instrument voor de analyse van de school als leersituatie (M. van der Klink).

2

div 02

Het taboe op de harmonisering doorbroken? (K. De Wit).

Succes- en faalfactoren van onderwijsinnovatieprojecten in het Hoger Onderwijs (I. Wopereis).

Bureaucratisering en schaalgrootte in het onderwijs (L. van de Venne).

3

div 03

Praktijkkennis van vakleerkrachten muziek in het basisonderwijs (M. Bremmer).

Scharniermomenten in het onderwijs voor 12-19 jarigen (F. Riemersma).

Designing instruction for co-operative learning in Vietnam (C. Terlouw).

4

div 04

Symposium – Onderwijskundige professionalisering en onderzoek:

Knelpunten bij het samenstellen van een portfolio (R. Klaassen)

Epistemologische analyse als didactische instrument voor bewustwording (T. Niessen).

Via een zomercursus naar kwaliteitsvoller onderwijs? (M. Clement).

Onderzoek naar de impact van een jaaropleiding voor docenten (A. Stes).

5

div 05

Symposium – De conceptualisering en het meten van cognities van docenten:

Concept-maps en opvattingen van leraren m.b.t. actief en zelfstandig leren (I. Bakkenes).

Concepties van begeleiden en leren lesgeven in SO in Nederland (G. van Ginkel).

Taalconcepten in context (T. Platteel).

Perspectieven op zelfstandig leren (H. Oolbekkink-Marchand).

6

div 06

Analyse van interacties in probleemgestuurde onderwijsgroepen (A. Pleijers).

Leren informatieproblemen oplossen (S. Brand-Gruwel).

Waardering studenten van wederzijdse afhankelijkheid bij samenwerkend leren (H. van Keulen).

7

div 07

Auditprocedure voor het vaststellen van de kwaliteit van onderwijsonderzoek (S. Akkerman).

Creatieve momenten in Narratieve Analyse (J. Bulterman-Bos).

De tacit knowledge van onderwijsonderzoekers (J. Bulterman-Bos).

8

div 08

De impact van het project 'Pilootscholen Antwerpen' (F. Laevers).

Culturele diversiteit in de thuiservaringen van 3-jarigen (P. Leseman).

Trends in segregatie in het Nederlandse basisonderwijs (P. Jungbluth).

9

div 08

Symposium – De voorbereiding op het voortgezet onderwijs:

Het advies van voortgezet onderwijs: Is de overadvisering over? (G. Driessen).

Cognitieve voorbereiding in groep 8: Een kwestie van ongelijkheid? (M. Overmaat)

Effecten schoolkeuzeondersteuning bij overgang basis-/voortgezet onderwijs (I. van der Veen).

Effecten advies en bezochte basisschool op het vierde jaar voortgezet onderwijs (J. Roeleveld).

10

div 09

Anonimiteit/sociale aanwezigheid in computerondersteunende leergroepen (I. Vandyck).

Communicatie binnen CSCL (E. Koertshuis).

On line tutors onder de loep (M. De Smet).

11

div 10

Symposium – Teaching and learning modeling in mathematics and science education:

Mathematical literacy and teaching modeling (H. Burkhardt).

Modeling and abstraction in mathematics education (K. Gravemeijer).

Can children re-discover fundamental science and mathematics? (A. DiSessa).

Searching for the origins of students' overreliance on proportionality (W. Van Dooren).

12

div 11

Genderverschillen op vlak van translatie, procedureel rekenen, … (A. Desoete).

Gender, motivatie en prestaties voor Nederlands en wiskunde (A. Vrught).

Jongens denken alleen maar dat ze beter zijn in techniek dan meisjes (H. van der Meij).

10.45u

Pauze met koffie/thee en start posterpresentaties doorlopend tot 12.30u:

·         Welbevinden en functioneren van directies basisonderwijs (G. Hotton).

·         De rol van het directieteam en het middenkader bij gedeeld leiderschap (H. Hulpia).

·         Beleidsvoerend vermogen in Vlaamse basis- en secundaire scholen (V. Warmoes).

·         Implementatie van onderzoekscompetentie in het algemeen secundair onderwijs (I. Flamant).

·         Ontwerpregels voor multiprofessioneel, competentiegericht onderwijs (I.I. Zitter).

·         Leren op de werkplek van docenten in het Hoger Onderwijs (C. Hofman).

·         Bevlogenheid en vermoeidheid onder beginnende leerkrachten (M. Bal).

·         Studerend lezen ter voorbereiding op experimenteel onderzoek (H. Jonker).

·         Zelfstuderend leren in de lagere school (K. Lombaerts).

·         Invloed sociale omgeving op de (on)tevredenheid met de leeromgeving (M. Peeters).

·         De ondersteuning van common ground in multidisciplinaire teams (A. Schurer).

·         Leren door observatie van expertmodellen in multimedia leeromgevingen (P. Wouters).

·         Mixed methods data analyse in onderzoek naar concepties over onderwijsveranderingen (V. Donche).

·         De vijfpuntenschaal in onderwijsonderzoek: De regel, maar ook in regel? (S. De Maeyer).

·         Leerkrachtstijl, betrokkenheid en sociale competentie (F. Laevers).

·         Kronos: Een instrument voor studietijdmetingen (H. Schrooten).

11.00u

VOR- en VFO-ledenvergaderingen, en vanaf 11.30u lunch.

12.30u

Timeslot 3 bestaande uit 12 parallelsessies:

1

div 01

Symposium – Rationaliteit en formaliteit van leren in de praktijk van alledag:

Werkgerelateerde leervragen in innovatieve organisaties (A. Hoeve).

De invloed van de arbeidsomgeving op formeel leren bij de Nederlandse politie (A. Doornbos).

A-rational learning processes in a rationalised VET system (C. Poortman).

2

div 02

Intenties en gedrag van inspecteurs (M. Ehren)

Typen van kwaliteitszorg in scholen en de relatie met externe kwaliteitszorg (N. Dijkstra).

Ervaringen met vernieuwd onderwijstoezicht (S. Karsten).

3

div 03

Onderzoek naar de kwaliteit van het vak lichamelijke opvoeding in Vlaanderen (K. Huts).

De inzet van ICT in het taalonderwijs aan kleuters (J. Voogt).

4

div 04

Motivationele effecten van het 'nieuwe leren' (R. Martens).

Een vergelijking tussen twee versies van een situationaal judgment test (T. Buyse).

Kenniselicitatie tijdens virtueel teamwerk: Effecten dynamische stimulering (M. Bitter-Rijpkema).

5

div 05

Veranderingen in opvattingen van studenten betreffende het beroep van leraar (H. Slettenhaar).

Reflectie retorisch bezien: Een retorisch onderzoek naar reflectieverslagen (I. Pauw).

6

div 06

Invloed van de groepssamenstelling op leerlingen in een coöperatieve leersituatie (E. Denessen).

Leren denken strategieën als onderwijsvernieuwing in de gammavakken (J. van der Schee).

Ervaringen vierde klassers in 2e (VO) en de relatie met leerstijlkenmerken (K.D. Könings).

7

div 07

Symposium – Is schooleffectiviteit een meetbaar concept?:

Operationalisering van het begrip 'schooleffectiviteit' (R. Rymenans).

Verschillende multiniveau-modellen voor de analyse van leerwinst (H. Van Den Bergh).

Directe en indirecte effecten van geïntegreerd leiderschap (S. De Maeyer).

8

div 07

Validiteit van leerlingpercepties van hun omgeving (P. den Brok).

De scoring van ordeningsvragen (T. Eggen).

9

div 08

Symposium – Tien voor wiskunde?:

Attitude voor wiskunde: Het belang van de klas en de school (M.-C. Opdenakker).

Wiskundeattitude en toetsprestaties in leerjaar 2 van het voortgezet onderwijs (G. Doornekamp).

Vlaanderen in TIMMS: Eerste resultaten (A. Van den Broeck).

Sekseverschillen in reken/wiskundeprestaties in het basisonderwijs (M. Meelissen).

10

div 10

Historische kennis en het contextualiseren van historische verschijnselen (C. Van Boxtel).

Onterecht proportioneel leren (D. De Bock).

Natie als (de)constructie in onderwijs en lerarenopleiding (A. Mottart).

11

div 11

Doen 'echte kerels' er wel toe? (G. Driessen).

Feminisering van het docentenberoep -1945-2000 (M. van Essen).

12

div 12

Een typologie van sociale en cognitieve competenties (A. Claasen).

Praktische vaardigheidstoetsen voor eindtermen wereldoriëntatie (M. Van Hulle).

De Niet Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test (T.A. van Batenburg).

14.15u

Verplaatsing met bussen naar het stadscentrum, gecombineerd met koffie/thee in zaal Capitole.

15.15u

Keynote lectures 2 + 3:

Andy DiSessa - Ontological Innovation and the Role of Theory in Design Experiments.

Hugh Burkhardt - The Engineering Research Approach to the Improvement of Practice.

17.00u

Cultureel programma: bezoek stadhuis of stadswandeling.

19.30u

Congres Diner in het Gravensteen.

 

é

 

Woensdag 1 juni 2005

8.00u

Onthaal en inschrijvingen.

9.00u

Timeslot  4 bestaande uit 11 parallelsessies:

1

div 02

Evaluatie gebruik en effecten van een zelfevaluatie instrument ZEBO (K. Schildkamp).

Invloed van schoolleiders op de betrokkenheid en prestaties van leerlingen (G. ten Bruggencate).

Het WSNS-beleid in de praktijk (T.A. Batenburg).

De implementatie van het gelijke onderwijskansendecreet (I. Buvens).

2

div 04

Symposium – Onderwijsvernieuwing in Vlaamse universitaire onderwijs:

Discussianten: N. Vercruysse, J. Lenaerts, G. Eisendrath en J. Elen.

3

div 05

Belang lerarenopleiding voor beroepsbetrokkenheid en instroom in het lerarenberoep (I. Rots).

Informele leeractiviteiten van docenten op de werkplek (A. Hoekstra).

Bepalen kenmerken de kwaliteit? (R. Doehri-Plomp).

Erkennen verworven competenties voor nieuw en zittend onderwijspersoneel (A. Klaeijsen).

4

div 05

Symposium – Het analyseren en beoordelen van docentcompetenties:

De analyse van kritische beroepssituaties van docenten door docenten (M. Goes).

Het beoordelen van docentcompetenties op basis van een videodossier (M. Bakker).

Het beoordelen van docentopvattingen in docentportfolio's (M.F. van der Schaaf).

5

div 06

Symposium – Het gebruik van authentieke taken in voortgezet en hoger onderwijs:

Authenticiteit van taken bij het leren oplossen van klinische problemen (S. Ramaeckers).

Authentieke scheikundige praktijken voor een effectief onderwijsleerproces (A. Bulte).

Ondernemerschap aanleren in een virtueel bedrijf bij informatiekunde (H. ten Berge).

6

div 07

Het absoluut effect van onderwijs (H. Luyten).

Meten van tweetaligheid in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel (S. Janssens).

Evaluatie van ELO's in de lerarenopleiding (Y. De Jong).

Peiling informatieverwerving en -verwerking in 1e graad A-stroom in het Vlaams SO (B. Luyten).

7

div 08

Symposium – Doorlopende leerlijnen voor bèta en techniek:

Techniek in het Basisonderwijs (D. Van Dongen).

Bètavakken in havo en vwo en de keuze voor bètastudies (J. Kordes).

Herontwerp techniek in de beroepsonderwijskolom J. Onstenk).

8

div 08

Symposium – Nederland/Vlaanderen: Verschillende stelsels, vergelijkbare opbrengsten?:

Educatief Nederland vergeleken (I. Waterreus).

De stand van het toezicht in Nederland en Vlaanderen (I. de Wolf).

Het Nederlands onderwijs in het zicht van de toekomst (R. Bronneman-Helmers).

9

div 08

Op zoek naar best practices (J. Roeleveld).

Onderzoek van best practices op Amsterdamse Voorscholen (A. Veen).

Het inspectietoezicht op scholen met veel kansarme leerlingen (I. van der Veen).

10

div 09

Computergebruik thuis en internetvaardigheid in het voortgezet onderwijs (H. Kuhlemeier).

Elektronische discussiefora: Netiquette versus didactische instructies (K. Dierickx).

Self-assessment en kennisconstructie in asynchrone discussiegroepen (H. Van Keer).

11

div 10

Symposium – ICT-gebruik in bèta-vakken:

Een webomgeving voor begripsontwikkeling in het wiskundeonderwijs (N.C. Verhoef).

Met ICT gevoelig maken voor het leren van bètabegrippen (A.B.H. Bos).

Scheikundige begripsontwikkeling door gebruik van computeranimaties (H.J. Vermaat).

10.45u

Pauze met koffie/thee en start posterpresentaties (1e deel):

·         Van overheidssturing naar governance: Prestatiesturing (C. Teelken).

·         Professionalisering op maat van de organisatie (J. Boon).

·         Vertrek en omzwaai in het hoger onderwijs (U. de Jong).

·         Herkennen van risicostudenten in het eerste jaar exacte wetenschappen (W. Jacquet).

·         Digitale sTUdiekeuzecoach (J. Knoop).

·         Competentiegericht onderwijs voor studenten apotheker (P. Petit).

·         Onderzoek naar de invloed van de leeromgeving op de academische vorming (J. Steur).

·         Vormgeven aan competentiegericht leren in de academische bachelor (I. Tallon).

·         Feedback in het medisch onderwijs: Een overzicht van relevante variabelen (J.M.M. van de Ridder).

·         Verschillen in leerstijlen van Chinese en Nederlandse studenten (H. Biemans).

·         Advisering bij het kiezen van leertaken (W. Kicken).

·         Competentieontwikkeling in juridisch redeneren (F.E.R.M. Nievelstein).

·         Bewegingsopvoeding als curriculaire en extracurriculaire opdracht (K. De Martelaer).

·         Vorming van basiscompetenties in de intitiële lerarenopleiding (A. Van Acker).

·         De elektronische leeromgeving als faciliterend medium bij onderwijsvernieuwing (F.J. Nijland).

·         Towards a framework for designing ICT-support for reflective learning activities (I.I. Zitter).

11.15u

Timeslot 5 bestaande uit 12 parallelsessies:

1

div 02

Symposium – Effecten van school- en onderwijssysteemkenmerken op leerlingprestaties (PISA):

De effecten van schoolklimaat, -beleid en -middelen op leerlingprestaties (A. Visscher).

Domeinen van decentralisatie van onderwijsbeleid (R. Maslowski).

Verschillen private en publieke scholen qua schoolkenmerken en –prestaties (B. Witziers).

Relatie tussen selectiviteit, uitgaven per leerling en opbrengsten onderwijs (H. Luyten).

2

div 03

Symposium – Schoolontwikkeling door curriculumvernieuwing:

Schoolbrede curriculumvernieuwing als hefboom voor schoolontwikkeling (N. Nieveen).

Schoolnabije leerplanontwikkeling: Op zoek naar balans van vraag en aanbod (J. Krüger).

Innovatielessen uit (andere) Nederlandse schoolpraktijken (J. van den Akker).

Leerplanbeleid en schoolpraktijk in Europees vergelijkend perspectief (W. Kuiper).

3

div 04

Wat beïnvloedt studievoortgang in het hoger onderwijs? (M. Bruinsma).

Zelfinstructie bij trainingen in het hoger onderwijs (M. Pouwelse).

De rol van studieoriëntatie-activiteit in het studiekeuzeproces van vwo-leerlingen (M. Florijn).

Hoe plannen studenten hun leerproces gespreksvaardigheid? (J.M.M. van de  Ridder).

4

div 04

De meerwaarde van het leerportfolio als professioneel gericht eindwerk (W.Meeus).

Effecten van evaluatie op de percepties van studenten betreffende assessment (K. Struyven).

Peer assessment bij schrijfopdrachten (B. van den Berg).

Beoordelen in competentiegericht onderwijs (E.R. van den Elsen) .

5

div 05

Praktijkkennis van ervaren docenten op zwarte scholen in VO (P. den Brok).

De morele aspecten van opleidingspraktijken van lerarenopleiders (M. Willemse).

Op weg naar een krachtige leeromgeving? (K.D. Könings).

Geïntegreerd pedagogisch handelen in de klas (J. Onstenk).

6

div 05

Symposium –  Multimedia cases en de wisselwerking theorie/praktijk in de lerarenopleiding:

Coöperatief leren met digitale video in een hypermedia omgeving (A. Bakx).

"De Cd-Rom als expert": Interactie onderwijspraktijk en vakdidactiek (M. Vervoort).

Ontwerprichtlijnen voor verankering multimediacases in de lerarenopleiding (P. Blijleven).

7

div 06

Onterecht proportioneel redeneren en aanbieden van schoolse vraagstukken (D. De Bock).

Leerconcepties bij leerlingen op het einde van het basisonderwijs (T. Dang Kim).

Veelbelovende praktijkvarianten adaptief onderwijs in het regulier basisonderwijs (M. Kooiman).

Interactief voorlezen aan peuters en het verhaalbegrip (S. Peters).

8

div 08

Emancipatie in een neoliberale maatschappij? (T. De Coster).

Effectieve scholen in Culturele en Kunstzinnig Vorming 1 (M. Damen).

Schoolloopbanen gemodelleerd aan de hand van twee recente cohorten (P. Hustinx).

Leerlingstatuten en schoolconvenanten in functie van veiligheid op school (M. van den Bogaard).

9

div 08

Symposium – SiBO: Longitudinaal onderzoek in het basisonderwijs – 3e kleuter:

Het SiBO-onderzoek: Doelstellingen en onderzoeksopzet (F. Maes).

Instroomkenmerken en leerwinst van Vlaamse methodescholen (J.P. Verhaeghe).

Observaties in de derde kleuterklas (J. Van Damme).

10

div 08

Symposium – Werken met een zorgketen in WSNS:

Samenwerking en sturing in de WSNS-samenwerkingsverbanden (L. Sontag).

Samen werken aan kwaliteit van leerlingenzorg in basisscholen (E. Smeets).

Monitoren van leerachterstanden of -vorderingen? (A. van der Hooven-van Doornum).

11

div 09

Effecten visualisatie van participatie tijdens CSCL (L. Janssen).

Leren met simulatie-programma's (E. Van Zele)

Analyzing computer-supported graphical discussion (M. Overdijk).

12

div 12

Effectmeting competentiegericht onderwijs in afstandsonderwijs (G. Wynants).

Meten van metacognitieve vaardigheden bij samenwerkend ontdekkend leren (A. Walraven).

Meten van ontwikkelings- en overdrachtsgerichte onderwijsopvattingen van leraren (R. Hermans).

13.00u

Lunch en vervolg posterpresentaties.

14.00u

Timeslot 6 bestaande uit 11 parallelsessies:

1

div 01

Matrix voor competentiegericht beroepsonderwijs (R. Wesselink).

De identificatie van ondernemerscompetenties in agribusiness (T. Lans).

Expertiseontwikkeling bij recent afgestudeerden in hun eerste baan (J. Dijkstra).

2

div 02

Wat is er mis met MIS? (E. Branderhorst).

Evaluatie van het experiment modularisering in het secundair onderwijs (H. Op den Kamp).

Het lange termijn rendement van het Nederlands voortgezet onderwijs (L. Rekers-Mombarg).

3

div 04

Stimulerende leeromgevingen voor allochtone studenten (S. Severiens).

Persoonlijkheid en leerstijlkenmerken (C. van Bragt)

Beoordelingscapaciteiten van studenten bij peer-feedback (S. Gielen).

De moeilijkheidsgraad van toetsen in het hoger onderwijs (J. Van der Rijt).

4

div 04

Symposium – Portfolio's in het hoger onderwijs:

Verzamelen en presenteren van bewijzen van EVC’s aan studenten (D. Joosten-ten Brinke).

Docentportfolio als middel om reflectie te stimuleren: Illustraties uit een pilot (D. Tigelaar).

Effecten competetentiegerichte aanpak op ontwikkeling van reflectievaardigheden (M. Smits).

De validiteit van portfolio beoordelingen: Wat wordt beoordeeld? (E. Driessen)

5

div 05

Symposium – Leren van elkaar?: (Beginnende) docenten onderzocht:

Analyse van de (collegiale) coachingsdialoog (R. Zwart).

Leren in vakoverstijgende projectgroepen? (J. Meirink).

Intervisie tussen beginnende docenten: (Wat) leren ze van elkaar? (P. Meijer).

6

div 06

Towards a dynamic model of adaptive task selection (G. Corbalán Pérez).

Percepties van authentieke assessment en de invloed hiervan op het leergedrag (J. Gulikers).

Kwaliteitscriteria voor Competentie Assessment Programma's (L.K.J. Baartman).

Academic success and learning behavior (J. Ferla).

7

div 07

Symposium – Methodologische uitdagingen voor CSCL onderzoek:

Een onderzoek naar de impact van rollen in asynchrone discussiegroepen (B. De Wever).

CSCL-analyse en negotiatie van common ground (P. Beers).

Codeerschema voor samenwerkend leren in asynchrone discussies (J. van der Pol).

8

div 07

Symposium – Flexibilisering van centrale examens:

Flexibilisering van centrale examens: Inleiding en overzicht (A. Béguin).

Meting van competenties en vaardigheden bij centrale examens (P. Sanders).

Mogelijkheden tot het gebruik van adaptieve toetsing bij centrale examens (T. Eggen).

Vergelijkbaarheid van de norm bij flexibilisering van examens in de tijd (A. Béguin).

9

div 08

De keuze voor een exact profiel door jongens en meisjes in havo en vwo (A. Van Langen).

De sociale relaties van hoogbegaafde leerlingen en hun klasgenoten in het VO (M.J.Lubbers).

Motivatie voor school van adolescenten (T. Peetsma).

10

div 09

Symposium – ICT-monitors in Nederland en Vlaanderen:

De PC/KD-bevragingen: Overzicht van de resultaten over de jaren heen (G. Clarebout).

ICT competenties in het Vlaamse basisonderwijs (J. Tondeur).

Verklaringsmodel ICT-implementatie basisonderwijs getoetst (H. Van Gennip).

11

div 10

Symposium – Bètadidactisch en onderwijskundig onderzoek:

Vaardigheden van leerlingen bij laboratorium-taken: Een foutenanalyse (P. Vos).

Lange lijn in de ontwikkeling van onderzoeksvaardigheden wiskunde VO (M. Witterholt).

Het leren interpreteren van hartgerelateerde grafieken (M. van Eijck).

Leren over fouten: Een voorbeeld van bètadidactisch onderzoek (M. Goedhart).

15.45u

Einde met afscheidsborrel.

 

é

 

 

 

 

 

 

Keynote 1

Design-Based Research for Advancing Educational Technology

 

T.C. Reeves

Department of Educational Psychology and Instructional Technology

The University of Georgia, USA

treeves@uga.edu

 

Abstract

 

Traditional educational research methods provide an insufficient basis for investigating teaching and learning. This is especially evident in educational technology research that remains mired in pseudoscientific comparison studies aimed at determining whether technology-based instruction is better than traditional classroom methods. Meta-analyses highlight the “no significant differences” problem pervasive in educational technology research. The recent proliferation of qualitative investigations has not advanced education technology much more than the pseudoscientific quantitative comparisons.  To make progress, educational technologists and their collaborators must adopt new methods known variously as “design-based research,” “design research,” “development research,” “design experiments,” and “formative research.”  Design-based research protocols require intensive, long-term collaboration among researchers and practitioners, a commitment to theory-driven design of prototype learning environments, the testing, refinement, and retesting of these prototypes in realistic settings over time, and rigorous multifaceted analyses of observations and outcomes aimed at yielding design principles that can tested in subsequent cycles of design research. 

é

 

Keynote 2

Ontological Innovation and the Role of Theory in Design Experiments

 

A.A. diSessa

Graduate School of Education, University of California, Berkeley

P. Cobb

Peabody College, Vanderbilt University

disessa@soe.berkeley.edu

Abstract

 

The motivation for this article is our belief that theory is critically important but currently underplayed in design research studies. We seek to characterize and illustrate a genre of theorizing that seem to us strongly synergistic with design-based research. We begin by drawing contrasts with kinds of theory that are relevant but, we contend, by themselves inadequate. A central element of the type of productive design-based theorizing on which we focus is “ontological innovation,” hypothesizing and developing explanatory constructs, new categories of things in the world that help explain how it works. A key criterion to which we adhere when discussing ontological innovations is that theory must do real design work in generating, selecting and validating design alternatives at the level at which they are consequential for learning. Developing and refining an ontological innovation is challenging and requires the kind of extensive, iterative work that characterizes design experiments more generally. However, the pay-off in terms of clarity of focus and explanatory power can be great. We present two case studies that illustrate the development, refinement, extension, and instructional application of ontological innovations.

é

 

 

Keynote 3

The Engineering Research Approach to the Improvement of Practice

 

H. Burkhardt

Shell Centre for Mathematical Education

University of Nottingham and Michigan State University

Hugh.Burkhardt@nottingham.ac.uk

Abstract

Educational research has provided interesting and worthwhile insights into learning and teaching, but it has little direct influence on practice. This paper describes a rebalancing of research effort that, reflecting other applied fields, promises to make educational research more useful, more influential – and better funded.

The methodology suggested gives more emphasis to the research approach characteristic of engineering disciplines.  There practical impact is the key measure; insights, however valuable, are not enough.  The key output is products and processes that are more effective in helping users achieve their goals. Currently, though the public expects practical outcomes from research in applied fields, most researchers in education see such design and development as outside their role – and the current market for educational materials does not require research evidence on effectiveness. The paper outlines how this may be changed.

The analysis will be illustrated with a currently important development challenge. Secondary school mathematics provides valuable skills for careers in certain specialist professions, but it is an inadequate and inappropriate preparation for most adults for the mathematical demands of everyday life.  The elements of an engineering research approach to the development of a curriculum for functional mathematics are outlined.

é

 

 

 

 


ORD  2005

Divisie 1: Bedrijfsopleidingen, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie

 

Timeslot 1 – Parallelsessie 1

Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u

 

Í

Vier paperpresentaties:

1. Beïnvloedingsgedrag van trainers/opleiders

2. Integratie en participatie: Te meten?

3. De rol van individuele en contextuele factoren bij zelfsturing in leerprocessen en loopbaanprocessen van laaggeschoolde en hoger geschoolde werknemers.

4. Leergeschiedenisonderzoek en curriculuminnovatie in het beroepsonderwijs

Í

 

Trainen/opleiden zonder drang of dwang?

 

Th. van Dellen

Pedagogiek en Onderwijskunde, Rijksuniversiteit Groningen

t.van.dellen@ppsw.rug.nl

 

Synopsis

 

Het beïnvloedingsgedrag van managers, stafmedewerkers en organisatie-adviseurs in veranderingsprocessen is eerder al wel redelijk in kaart gebracht (Bennebroek & Boonstra, 1997). Uiteindelijk houden trainers/opleiders zich ook bezig met verandering van gedrag op individueel en collectief niveau. De opdrachtgevers van open- zowel als incompany trainingen zijn toch vaak de werkgevers of leidinggevenden van de trainees. Dit betekent dat trainers/opleiders natuurlijk nooit vrij zijn van contextuele en situationele invloeden. Kunnen zij dan hun eigen visie op het leren van volwassenen handhaven? Of gebruiken zij – evenals de andere actoren in veranderingsprocessen – bewust of onbewust min of meer specifieke gedragingen?  De volgende onderzoeksvragen staan hier centraal:

1.      welke vormen van (beinvloedings)gedrag gebruiken trainers/opleiders in opleidingskundige situaties (zowel in open als in-company situaties)?

2.      zijn er verschillen tussen trainers/opleiders van verschillende trainingsbureaus als het gaat om dit gedrag?

3.      zijn deze verschillen op een of  andere wijze te relateren aan de actuele visie van de respectievelijke bureau’s?

 

div 01/1/62pa

Í

Integratie en participatie: Te meten?

 

E. Plovie

Rijksuniversiteit Groningen

e.plovie@rug.nl

 

Synopsis

 

In de Nederlandse context staan de termen sociale activering, maatschappelijke participatie, actief burgerschap en integratie hoog op de politieke agenda. Vier termen die niet eenduidig te omschrijven zijn en waar de politiek, de praktijk én de wetenschap hun vingers aan verbranden (Fermin, 1999). Ze komen echter wel steeds terug als doelstellingen van lokale projecten. Sinds de jaren ’90 zetten Nederlandse gemeenten in samenwerking met lokale uitvoeringsorganisaties tal van projecten op om mensen te stimuleren meer deel te nemen aan de samenleving. Personen met grote afstand tot de arbeidsmarkt – autochtoon én allochtoon – en allochtone opvoeders die moeilijkheden hebben met de Nederlandse taal worden als eerste ‘aangepakt’ in dergelijke projecten.

 

In mijn proefschrift richt ik mij op dergelijke trajecten die tot stand zijn gekomen en zich bevinden op de grens van het activerend arbeidsmarktbeleid en het integratiebeleid. Ik tracht na te gaan hoe deelname aan een project bijdraagt aan de participatie van individuen aan allerlei sectoren van de samenleving. Ik zoek daarbij naar antwoorden op vragen als: hoe effectief is een project? Wat zijn de effecten op langere termijn? Hoe draagt de integrale aanpak (die via structurele samenwerking op niveau van activiteiten en trajectbegeleiding tot stand komt) bij aan deze effecten? Welke vormen van leren komen voor? Wat zijn de mogelijkheden en grenzen van sociale activeringstrajecten?  Ik richt mij voorlopig op één casus: project Voorwerk in Hoogezand-Sappemeer waarbij er met de genoemde doelgroep trajecten op maat zijn ontwikkeld binnen het kader van een structurele samenwerking op gemeentelijk niveau.

div 01/1/141pa

 

Í

 

 

De rol van individuele en contextuele factoren bij zelfsturing in leerprocessen en loopbaanprocessen van laaggeschoolde en hoger geschoolde werknemers.

 

I. Raemdonck en Martin Valcke

Universiteit Gent

Jo Thijssen

Universiteit Utrecht

Isabel.raemdonck@UGent.be

 

Synopsis

 

Zelfsturing in leerprocessen en loopbaanprocessen wordt in toenemende een belangrijke sleutelcompetentie om met continue veranderingen in werk en loopbaan om te kunnen gaan.

Toch heeft onderzoek zich tot nu toe voornamelijk gefocust op hoger opgeleiden en managers. In deze studie wordt het concept zelfsturing bestudeerd voor zowel laaggeschoolde als hoger geschoolde werknemers. Er werd een vragenlijst afgenomen bij 942 werknemers uit 157 verschillende organisaties zowel uit de publieke als private sector. Ten eerste werd de zelfsturing in leerprocessen en loopbaanprocessen van laaggeschoolde werknemers vergeleken met die van hoger geschoolde werknemers. Ten tweede, wordt de invloed van individuele en contextuele condities onderzocht om zo mogelijke verschillen te verklaren en een eerste theoretisch model te kunnen ontwikkelen.

div 01/1/182pa

Í

 

 

Leergeschiedenisonderzoek en curriculuminnovatie in het beroepsonderwijs: Casus van een Regionaal Opleidingen Centrum (ROC)

 

H. Ritzen

ROC, Twente

hritzen@tiscali.nl of hritzen@rocvantwente.nl

D. Wildemeersch

Katholieke Universiteit Leuven

 

Synopsis

 

Van 2000 tot en met 2004 hebben het ROC van Twente en de Radboud Universiteit Nijmegen een curriculuminnovatie voor laagopgeleide leerlingen van het ROC uitgevoerd. De curriculuminnovatie werd op basis van een actieonderzoek vormgegeven. Het actieonderzoek werd ondersteund door een leergeschiedenisonderzoek. Doel van het leergeschiedenisonderzoek is om informatie te verzamelen over de ervaringen van de participanten die aan de onderwijsinnovatie hebben deelgenomen. Het betreft hun individuele en collectieve ervaringen (narratives). Binnen dit type onderzoek staat het proces centraal. De belangrijkste conclusie is dat het leergeschiedenisonderzoek een beproefde methode is om alle betrokkenen te laten reflecteren op hun acties, zodat zij hieruit kunnen leren. Het leergeschiedenisonderzoek is temidden van andere vormen en instrumenten die bij een actieonderzoek worden gehanteerd een specifieke methode die in deze casus heeft bijgedragen tot reflexieve deelname van docenten in de curriculuminnovatie van het ROC. 

div 01/1/198pa

 

é

 

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 2: Beleid en Organisatie in het Onderwijs

 

Timeslot 1 – Parallelsessie 2

Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

De regionale onderwijsarbeidsmarkt: Een verkenning.

Relevantie van regionale verschillen in vacaturevervulling,

onderwijsloopbanen en ziekteverzuim

 

Voorzitter:

D. Van Dongen

Inspectie Onderwijs, Utrecht

 

Auteurs van de papers:

F.E.M. Berndsen, C.T.A. van Bergen en J.J. van der Wel

Regioplan Beleidsonderzoek, Amsterdam

wel@regioplan.nl

R. van der Aa, B. van Hulst, M. Pat en I. Vossen

ECORYS-NEI, Rotterdam

S. Vrielink en N. van Kessel

ITS, Nijmegen

 

Discussiant:

M. Vermeulen

Open Universiteit, Nederland

 

Synopsis

 

De situatie op de onderwijsarbeidsmarkt in Nederland is aan sterke schommelingen onderhevig. Na jaren van lerarentekorten, is de situatie momenteel min of meer in evenwicht. Tegelijkertijd zijn er sterke aanwijzingen dat de spanning op de onderwijsarbeidsmarkt de komende jaren weer zal toenemen. Voor het onderwijs blijft een gericht arbeidsmarkt- en personeelsbeleid dan ook van groot belang.

Uit recent onderzoek weten we dat er ook binnen de onderwijsarbeidsmarkt regionale verschillen zijn in vraag en aanbod. Ontwikkelingen op regionale onderwijsarbeidsmarkten krijgen mede daarom steeds meer aandacht in het beleid. In het symposium willen we uitgebreid stilstaan bij verschillende facetten van de regionale onderwijsarbeidsmarkt.

Het symposium richt zich zowel op onderzoekers als op beleidsmedewerkers die zich bezig houden met de onderwijsarbeidsmarkt in Nederland en Vlaanderen. We sluiten het symposium af met een discussie over de relevantie van regionale onderwijsarbeidsmarkten voor een goed arbeidsmarkt– en personeelsbeleid. We willen iedereen van harte uitnodigen om zich in de discussie te mengen.

div 02/1/189sy

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 3: Curriculum

 

Timeslot 1 – Parallelsessie 3

Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Onderprestatie van scholen

 

Voorzitter:

W.Meijnen

Universiteit Amsterdam

 

Auteurs van de papers:

W.van de Grift

Inspectie Onderwijs, Nederland

G.Ledoux, M., M.Overmaat en M.Boogaard

SCO-Kohnstamm Instituut, Universiteit Amsterdam

T.Houtveen en J.Kuijpers

Onderwijskunde, Universiteit Utrecht

T.houtveen@fss.uu.nl

 

Discussiant:

R.Weener

Procesmanagement WSNS-OAB

 

Synopsis

 

Er is een groep scholen, met name in de grote steden met een hoge concentratie allochtone leerlingen, waar de gemiddelde prestaties van leerlingen beduidend onder het niveau liggen dat bij de betreffende leerlingen verwacht mag worden. Bovendien is de gemiddelde kwaliteit van deze scholen  minder hoog dan op andere scholen. Tegen deze achtergrond is het onderwijskansenbeleid ontwikkeld (OC&W, 2000). In dit symposium staan de oorzaken van onderprestatie en de resultaten van het onderwijskansenbeleid centraal. Bijdrage 1 betreft onderzoek naar de oorzaken van onderprestatie. In bijdrage 2 worden de resultaten gepresenteerd van de schoolspecifieke verbeteringsplannen die in 36 gemeenten op de scholen zijn uitgevoerd. In de derde bijdrage wordt verslag gedaan van de resultaten van een vierjarig schoolverbeteringstraject dat onder begeleiding door 5 onderwijskansenscholen is uitgevoerd.

div 03/1/130sy

 

é

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 4: Hoger Onderwijs

 

Timeslot 1 – Parallelsessie 4

Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u

 

Í

Vier paperpresentaties:

1. De betekenis van tijdbesteding en leeromgeving

voor het aanleren van competenties

2. Rendement en duur van promoties in de Nederlandse onderzoekscholen

3. Op weg naar valide selectiecriteria voor masteropleidingen

4. Inventarisatie van honoursprogramma’s in Nederlandse universiteiten en dimensies bij de vormgeving ervan

Í

 

De betekenis van tijdbesteding en leeromgeving

voor het aanleren van competenties

 

C. Meng en H. Heijke

Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, Universiteit Maastricht

c.meng@roa.unimaas.nl

 

Synopsis

 

Dit paper onderzoekt de betekenis van de leeromgeving bij hoger onderwijsinstituten en de tijdallocatie van studenten over de verschillende studieactiviteiten voor de effectiviteit waarmee generieke (academische) competenties en vakkennis aangeleerd worden. Hierbij wordt specifiek gekeken naar de invloed van zogenaamde ‘activerende leeromgevingen’ zoals probleemgeoriënteerde of projectgeoriënteerde leeromgevingen. De resultaten laten zien dat zulke activerende leeromgevingen duidelijk effectiever zijn dan meer traditionele leeromgevingen in het aanleren van generieke competenties zonder dat zij minder effectief zijn in het aanleren van vakkennis. Verder laten de analyses zien dat vooral zelfstudie en aan de studie gerelateerd betaald werk bevorderlijk zijn voor het aanleren van generieke competenties en dat het volgen van formeel onderwijs, zelfstudie en aan de studie gerelateerd betaald werk bevorderlijk is voor het aanleren van vakkennis.

div 04/1/7pa

 

Í

Rendement en duur van promoties in de Nederlandse onderzoekscholen

 

H. Oost

Universiteit Utrecht , IVLOS, Centrum voor Academiische Vorming

H. Sonneveld

Universiteit van Amsterdam, ASSR

h.a.oost@ivlos.uu.nl

 

Synopsis

 

Door middel van een analyse van erkennings- en hererkenningsaanvragen van Nederlandse onderzoekscholen is een antwoord gezocht op de vraag, hoe sterk rendement en duur van promoties in een onderzoekschool samenhangen met het profiel van die school. De resultaten van het onderzoek wijzen uit dat 75% van de promovendi in Nederlandse onderzoekscholen de promotie met succes afrondt en dat een gemiddelde promotie ruim vijf jaar duurt. Een eerste vergelijking met de completion rates in de Anglo-Amerikaanse wereld maakt duidelijk dat de Nederlandse onderzoekscholen het in dit opzicht heel goed doen: het gemelde gemiddelde promotierendement behoort tot de beste van de wereld. In de bijdrage wordt een relatie gelegd tussen het promotiesucces van een school en het wetenschapsgebied, de financieringsgrondslag en de omvang van de school.

div 04/1/53pa

 

Í

 

Op weg naar valide selectiecriteria voor masteropleidingen

 

G. Fastré, M. Segers en W. Gijselaers

Universiteit Maastricht

g.fastre@educ.unimaas.nl

 

Synopsis

                                                                 

De invoering van de BaMa structuur brengt vele veranderingen met zich mee, waaronder de toenemende heterogeniteit van de instroom in termen van demografische kenmerken, vooropleiding en beroepservaring. Tegelijk leidt de groeiende internationale competitie tussen instellingen tot de noodzaak van Masteropleidingen om zich te profileren als kwalitatief hoogstaande opleidingen. Tegen deze achtergrond is onderzoek naar voorspellers van studiesucces in Masteropleidingen van groot belang. Deze paper zal de resultaten van een studie naar de predictieve validiteit van indicatoren voor de selectie van high potentials in een internationale masteropleiding beschrijven. Uit de deelresultaten blijkt dat veelgebruikte selectiecriteria zoals de GMAT en GRE, TOEFL en IELTS, motivatiebrieven en een Bachelordiploma met hoge GPA, een lage predictieve waarde voor studiesucces hebben.

div 04/1/160pa

 

Í

 

Inventarisatie van honoursprogramma’s in Nederlandse universiteiten en dimensies bij de vormgeving ervan

 

P.J. van Eijl, P. van Tilborgh en A. Pilot

IVLOS/Universiteit Utrecht

M. Wolfensberger

Geowetenschappen/Universiteit Utrecht

p.j.vaneijl@ivlos.uu.nl

 

Synopsis

 

In de afgelopen jaren zijn in Nederland aan bijna alle universiteiten honoursprogramma’s ingevoerd. Dit zijn programma’s voor studenten die meer willen en meer kunnen dan het reguliere programma biedt. Soms zijn deze programma’s additioneel aan het reguliere programma, soms zijn ze gedeeltelijk of geheel vervangend voor onderdelen van het reguliere programma. De ontwikkeling van dit soort programma’s verloopt snel: in 1993 startte het eerste programma en tien jaar later waren het er 25. Een inventariserend onderzoek in 2004 geeft zicht op de dimensies bij de positionering en vormgeving van honoursprogramma’s. Een vergelijking wordt gemaakt met kenmerken van een volledig ontwikkeld honoursprogramma zoals opgesteld door de National Collegiate Honors Council (V.S.).

div 04/1/174pa

 

é

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 5: Lerarenopleiding en Leraarsgedrag

 

Timeslot 1 – Parallelsessie 5

Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u

 

Í

Vier paperpresentaties:

1. Mentoring met kwaliteit als krachtig kenmerk van werkplekleeromgevingen voor aanstaande leraren?

2. De docent beeldende vorming als vakdeskundige, didacticus en pedagoog

3. Zelfonderzoek als middel voor professionalsering van lerarenopleiders

4. Capturing the Impact of Training Teacher Coaches

Í

 

Mentoring met kwaliteit als krachtig kenmerk van werkplekleeromgevingen voor aanstaande leraren?

 

J. Geldens

Pedagogische Hogeschool De Kempel te Helmond

H. Popeijus

De Kempel en Instituut voor Leraar en School, Radboud Universiteit Nijmegen

V. Peters

Faculteit der Managementwetenschappen, Radboud Universiteit Nijmegen

T. Bergen,

Instituut voor Leraar en School, Radboud Universiteit Nijmegen

j.geldens@kempel.nl

 

Synopsis

 

Inleiding. In deze ORD-presentatie worden onderzoeksresultaten behandeld van een deelonderzoek naar de kwaliteit van mentoring binnen twee werkplekleeromgevingen voor aanstaande leraren primair onderwijs. Daartoe werden 24 mentoringsgesprekken kwalitatief geanalyseerd op variabelen die te rekenen waren tot de gespreksfasen, de kernactiviteiten en de initiatiefname in het gesprek.

Resultaten. De analyseresultaten wezen uit dat in de gesprekken de nadruk ligt op ‘verduidelijking’. De terugblik zowel als de vooruitblik bleken kwalitatief sterk in het gedrang te zijn. Verder lag sterke nadruk op ‘algemene’ feedback en veel minder op verklaren, uitdagen en afstemmen. De gespreksinitiatieven gingen vooral uit van de mentor en bezaten een duidelijk instructieperspectief.

Conclusie. Wanneer scholen voor hun aanstaande leraren een kwalitatief krachtige werkplekleeromgeving willen inrichten, dan verdient de kwaliteit van mentoringsgesprekken verbetering.

div 05/1/35pa

Í

 

De docent beeldende vorming als vakdeskundige, didacticus en pedagoog

 

F. Haanstra, H. Wagenaar en E. van Strien

Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten

f.haanstra@sb.ahk.nl

 

Synopsis

 

Wat beschouwen docenten beeldende vorming en hun leerlingen als een geslaagde lespraktijk en wat moet een docent daarvoor kennen en kunnen? Deze vragen staan centraal in een onderzoek waarbij 20 docenten en 60 leerlingen zijn geïnterviewd. Uitgangspunt vormt de driedeling in vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische kennis en vaardigheden. De docenten geven aan dat alle drie onmisbaar zijn voor het docentschap, maar er worden duidelijke verschillen in accenten gelegd. Die verschillen hebben vooral te maken met het schoolniveau en de leerlingpopulatie: vmbo docenten zeggen vaker dat het pedagogische het primaat heeft. Meningen van docenten over het docentschap worden vergeleken met de meningen van hun leerlingen. Docenten beschrijven hoe hun visie op de benodigde kennis en vaardigheden is veranderd vanaf het moment dat zij de opleiding verlieten. Slechts enkele docenten noemen dat de vakinhouden en de benodigde vakkennis in de loop van de jaren gewijzigd zijn. Dit terwijl er aanzienlijke veranderingen in de beeldende kunst zelf, maar ook in de vakkenstructuur en in de verhouding tussen theorie en praktijk in de beeldende vorming zijn opgetreden. De grootste veranderingen spelen zich af op het vakdidactische en het pedagogische vlak. Deze veranderingen en de consequenties ervan voor de docentenopleidingen worden besproken. 

div 05/1/74pa

Í

 

Zelfonderzoek als middel voor professionalsering van lerarenopleiders

 

J. van de Groep, W. Admiraal, B. Koster en R.-J. Simons

Universiteit Utrecht, Instituut Lerarenopleiding,

Onderwijsontwikkeling en Studievaardigheden (IVLOS)

j.a.h.vandegroep@ivlos.uu.nl

 

Synopsis

 

In de paper en de presentatie wordt stilgestaan bij hoe de denkbeelden en gedachten van lerarenopleiders over professionalisering en werk gemeten zijn. De methode die beschreven wordt om achter die denkbeelden en gedachten te komen, maakt gebruik van mogelijke metaforen voor het beroep van lerarenopleider. Doel van deze methode is om uiteindelijk te kijken of er o.a. aansluiting is met de methodologie van self-study, ook wel ‘zelfonderzoek’ genoemd Deze methodologie wordt in de literatuur geschikt bevonden om de professionalisering van lerarenopleiders vorm te geven, maar de vraag is in welke mate deze methodologie aansluit op hoe (innovatieve) lerarenopleiders in Nederland over hun professionalisering en werk denken. Ook ligt de vraag nog open hoe de methodologie van zelfonderzoek verder vorm te geven middels kwalitatieve onderzoeksmethoden.

div 05/1/81pa

Í

 

Capturing the Impact of Training Teacher Coaches

 

F. Crasborn en P. Hennissen

Fontys University of Professional Education, Department of Teacher Education, The Netherlands

N. Brouwer

Radboud University Nijmegen, Graduate School of Education, The Netherlands

p.hennissen@fontys.nl

 

Synopsis

 

Dit paper presenteert een exploratief onderzoek naar effecten van een training coachingsvaardigheden en mogelijke instrumenten om deze op het spoor te komen. De training is gericht op het leren gebruiken van coachinterventies in tweegesprekken, die reflectie op praktijkervaringen en concerns van leraren in opleiding stimuleren. De basis voor de opzet van de training vormt het ALACT-reflectiemodel van Korthagen. Er zijn gegevens verzameld bij deelnemers van twee trainingsgroepen op tevredenheids-, leer- en gedragsniveau (Kirkpatrick), aangevuld met het ‘niet-zichtbare’ gedragsniveau (Gaines-Robinson). De dataverzameling vond per niveau respectievelijk plaats door middel van een satisfactievragenlijst, een choice of intervention test na de training, audio-opname van coachgesprekken vóór en na de training, stimulated recall interviews vóór en na de training. Op alle onderzochte niveaus zijn effecten gevonden en worden voorstellen voor vervolgonderzoek gedaan.

div 05/1/122pa

 

é

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 5: Lerarenopleiding en Leraarsgedrag

 

Timeslot 1 – Parallelsessie 6

Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

 

Het leren van docenten van bètavakken

 

Voorzitter:

A. Pilot

Universiteit Utrecht, IVLOS & Centrum voor Didactiek van Wiskunde en Natuurwetenschappen

a.pilot@ivlos.uu.nl

 

Auteurs van de papers:

F. Coenders, C. Terlouw, N. Verhoef en S. Dijkstra

Universiteit Twente, ELAN

Ton van der Valk

Universiteit Utrecht, IVLOS & Centrum voor Didactiek van Wiskunde en Natuurwetenschappen

Ineke Frederik

TULO, TUDelft

Rupert Genseberger & Inge Lichtenegger

Universiteit Utrecht, IVLOS & Centrum voor Didactiek van Wiskunde en Natuurwetenschappen

 

Discussiant:

T. Bergen

Instituut voor Leraar en School, Radboud Universiteit Nijmegen

 

Synopsis

 

In de bètavakken in het Voortgezet Onderwijs vinden belangrijke ontwikkelingen plaats, die zowel inhoud als vormgeving van onderwijs betreffen. Ministeriële commissies hebben opdracht gekregen doelstellingen en inhoud te herzien in langlopende innovatieprojecten na een periode waarin discussies met docenten en andere stakeholders gevoerd werden over curriculumproblemen en noodzaak om inhoud te actualiseren, meer betekenisvol te maken en meer samenhang tussen vakken te realiseren. De betrokkenheid van docenten en hun leerproces is vanaf het begin onderkend en heeft geresulteerd in het streven ontwikkelgroepen te vormen en hen als mede-ontwerpers van het programma te zien.

In dit kader worden in dit symposium resultaten gepresenteerd van drie studies naar het leren van docenten in bètavakken. Centraal staat het leerproces van docenten tijdens het werken aan onderwijsinnovaties die betrekking hebben op de inhoud van hun vak.

div 05/2/175sy

 

é

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 6: Leren en Instructie

 

Timeslot 1 – Parallelsessie 7

Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u

 

Í

Vier paperpresentaties:

1. Zijn er bijkomende designprincipes nodig om de Cognitieve Theorie van Multimedia Leren uit te breiden?

2. De impact van het geven van advies op het gebruik van hulpmiddelen

3. Ondersteuning van domein-specifiek redeneren in CSCL: Effecten van het samen maken van externe representaties op historisch redeneren

4. De invloed van groepsgrootte en schooltype op het elaboratiegedrag van leerlingen in een CSCL omgeving

Í

 

Zijn er bijkomende designprincipes nodig om de Cognitieve Theorie van Multimedia Leren uit te breiden?

 

K. De Westelinck en M. Valcke

Vakgroep Onderwijskunde Universiteit Gent

Katrien.dewestelinck@ugent.be

 

Synopsis

 

De Cognitieve Multimedia theorie van Mayer (2001a) stelt een aantal principes voorop waaraan leermaterialen moeten voldoen (met externe grafische representaties) om studenten een hogere prestatie op retentie- en transfertoetsen te laten verwerven. Ondanks de steun van empirische bevindingen is recent onderzoek er niet in geslaagd dezelfde resultaten in andere kennisdomeinen te bekomen (Cox, 1999; Lowe, 2003; Schnotz & Bannert, 2003, De Westelinck, K., Valcke, M., De Craene, B. & Kirschner, P., 2005). Moeten we dan niet op zoek op welke manier de CTML-theorie ook in andere kennisdomeinen kan gelden?

Activatie en collaboratie werden naar voor geschoven als extra aanvullende principes. Voorliggende onderzoeken trachten aan te tonen dat het toevoegen van activatie en collaboratie kan leiden tot betere resultaten op retentie en transfertoetsen wanneer de principes van de CTML gevolgd worden. 

div 06/1/14pa

Í

 

De impact van het geven van advies op het gebruik van hulpmiddelen

 

G. Clarebout & J. Elen

Centrum voor Instructiepsychologie en –technologie Katholieke Universiteit Leuven

geraldine.clarebout@ped.kuleuven.ac.be

 

Synopsis

 

In deze bijdrage worden de resultaten gerapporteerd van een quasi-experimentele studie waarin het effect van het geven van advies op het gebruik van hulpmiddelen wordt nagegaan.

Uit onderzoek is immer gebleken dat het gebruiken van hulpmiddelen in leeromgevingen geen evidentie is (zie onder meer Clarebout & Elen, in press). Lerenden beschikken niet altijd over de nodige metacognitieve vaardigheden om hun eigen leerproces te reguleren en controleren (Clark, 1991). In lijn met de resultaten van Lee & Lehman (1993), kan worden verondersteld dat het geven van advies zal bijdragen tot het (meer adequaat) gebruik van hulpmiddelen. Deelnemers die advies kregen over het gebruik van de beschikbare hulpmiddelen in de omgeving werden vergeleken met deelnemers die in dezelfde omgeving werkten maar zonder advies. De verschillen die gevonden werden relateren voornamelijk aan de gespendeerde tijd aan de hulpmiddelen eerder dan het aantal keer dat een hulpmiddel werd gebruikt. 

div 06/1/33pa

 

Í

 

Ondersteuning van domein-specifiek redeneren in CSCL: Effecten van het samen maken van externe representaties op historisch redeneren

 

J. van Drie, C.van Boxtel & G. Kanselaar

Capaciteitsgroep Onderwijskunde, Universiteit Utrecht

J.vanDrie@fss.uu.nl

 

Synopsis

 

Computer-ondersteund samenwerkend leren (CSCL) wordt gezien als een geschikte vorm om kennisconstructie te ontlokken, maar leidt niet altijd tot de gewenste resultaten. Dit onderzoek richtte zich op hoe in een CSCL-leeromgeving, redeneren in het domein geschiedenis, ontlokt en ondersteund kan worden. Onderzocht werd wat de effecten zijn van het samen maken van een externe representatie op interactieprocessen en leeruitkomsten. Drie representatievormen (Diagram, Lijst en Matrix) werden met elkaar, en met een controlegroep, vergeleken. Aan dit onderzoek namen 130 leerlingen uit 5 VWO deel, die in tweetallen een schrijftaak voor het vak geschiedenis maakten in een CSCL-omgeving. Zowel het leerproces (chat dialoog) als de leeruitkomsten (gezamenlijk gemaakte representatie en tekst, en individuele natoets) werden geanalyseerd. De resultaten laten zien dat elke representatievorm zijn eigen voordelen en beperkingen heeft.

div 06/1/90pa

Í

 

De invloed van groepsgrootte en schooltype op het elaboratiegedrag van leerlingen in een CSCL omgeving

 

H. van der Meijden en S. Veenman

Onderwijskunde, Radboud Universiteit Nijmegen

h.vandermeijden@pwo.ru.nl

 

Synopsis

 

Het internet heeft nieuwe mogelijkheden gecreëerd voor samenwerkend leren waarbij interacties tussen leerlingen plaatsvinden via de computer. Interacties waarbij leerlingen uitleg geven, argumenteren of uitwerkingen aandragen, kunnen een bijdrage leveren aan de cognitieve ontwikkeling van de leerling. In dit onderzoek staat de vraag centraal of groepsgrootte en schooltype invloed hebben op de participatie en het elaboratiegedrag van leerlingen tijdens CSCL. Aan de studie namen 198 derde en vierdejaars (14-16 jaar) leerlingen deel (116 meisjes en 82 jongens) van een grote scholengemeenschap in Nederland. Uit dit onderzoek blijkt dat tweetallen meer elaboratiegedrag vertonen dan de drie- en viertallen en dat het prestatieniveau van de leerlingen (uitgedrukt in schooltype) invloed heeft op het elaboratiegedrag van de leerlingen.

div 06/1/205pa

 

é

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 7: Methodologie en Evaluatie

 

Timeslot 1 – Parallelsessie 8

Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Selectie van studenten bij de toelating in het hoger onderwijs

 

Voorzitter:

A.A. Béguin

Cito, POK

Anton.beguin@citogroep.nl

 

Auteurs van de bijdrages:

A.A. Béguin

Cito, POK

L. C. Urlings-Strop en T.A.W. Splinter

Opleidingsinstituut Geneeskunde, Erasmus MC, Rotterdam

D.N.N. de Gruijter

Universiteit Leiden, ICLON

M. Yildiz

Universiteteit Leiden, Bestuursbureau

J. ’t Hart

Universiteit Leiden, ICS

 

Discussiant:

W. J. van der Linden

Universiteit Twente, faculteit gedragswetenschappen,

afdeling onderzoeksmethodologie, meetmethoden en data-analyse

 

Synopsis

 

In dit symposium staat centraal de selectie van studenten bij de toelating in het hoger onderwijs. In de eerste lezing wordt ingegaan op de bronnen van informatie die gebruikt kunnen worden bij selectie en de criteria waaraan selectie van aankomende studenten moet voldoen. In de tweede lezing wordt de decentrale selectie bij de opleiding geneeskunde aan het Erasmus MC besproken. Hier worden onder andere de resultaten gegeven van de analyses op de data die verkregen zijn bij de decentrale selectie. In de derde lezing komt één van de deelprojecten aan bod van de experimenten met selectie van aankomende studenten aan de universiteit Leiden. In dit deelproject wordt de relatie onderzocht tussen vooropleidinggegevens en succes aan de universiteit Leiden.

div 07/1/114sy

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 7: Methodologie en Evaluatie

 

Timeslot 1 – Parallelsessie 9

Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Het vaststellen en verklaren van het differentieel item functioneren (DIF) aan de hand van logistische gemengde modellen

2. Differential Item Functioning als methode om de equivalentie tussen computerondersteunde en papieren toetsen te achterhalen.

3. Adaptief sequentieel beheersingstoetsen onder gebruikmaking van het Rasch model en Bayesiaanse sequentiële beslissingstheorie

Í

 

Het vaststellen en verklaren van het differentieel item functioneren (DIF) aan de hand van logistische gemengde modellen

 

W. Van den Noortgate & P. De Boeck

K.U.Leuven, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen

Wim.VandenNoortgate@kulak.ac.be

 

Synopsis

 

Differentieel item functioneren (DIF) verwijst naar het fenomeen dat, conditioneel op de latente vaardigheid, de kans op het succesvol beantwoorden van een specifiek item kan verschillen van groep tot groep. In de presentatie beschrijven we logistische gemengde modellen voor DIF, waarbij de items en/of de groepen als random worden beschouwd. Aan de hand van dergelijke modellen kan men bijvoorbeeld op een eenvoudige manier nagaan of items globaal genomen gelijkaardig functioneren in verschillende scholen, zonder dit voor alle items en voor elk paar scholen afzonderlijk te moeten nagaan. De sterkte van de modellen ligt echter niet zozeer in het feit dat ze toelaten om op een economische en eenvormige manier verschillende soorten van DIF te detecteren, maar vooral in het feit dat ze uitnodigen om te zoeken naar verklaringen voor DIF, door na te gaan of deze gerelateerd is aan item- of groepskenmerken. De modellen worden geïllustreerd aan de hand van reële onderwijskundige onderzoeksgegevens.

div 07/2/5pa

Í

 

Differential Item Functioning als methode om de equivalentie tussen computerondersteunde en papieren toetsen te achterhalen.

 

B. Volckaert

Leuvens Instituut voor Onderwijsonderzoek, Katholieke Universiteit Leuven

R. Janssen

Leuvens Instituut voor Onderwijsonderzoek, Katholieke Universiteit Leuven

Bartel.Volckaert@ped.kuleuven.ac.be

 

Synopsis

 

Deze studie gaat in op de vraag of een papieren toets biologie zonder meer ingewisseld mag worden door haar computerondersteunde variant. Het is immers goed mogelijk dat een papieren en een overeenkomstige computerondersteunde toets niet exact dezelfde vaardigheid meten. Doordat we bij deze vergelijkende studie niet louter stilstaan bij het verschil tussen de testscores op de beide toetsen, zoals de APA voorschrijft, maar ook het verschil nagaan op itemniveau op basis van een IRT-gebaseerde DIF-analyse, is een veel preciezere uitspraak over de vergelijkbaarheid van deze beide toetsen mogelijk. Op die manier worden immers ook de overeenkomstige discriminatie- en moelijkheidsparameters met elkaar vergeleken. Op basis van een reeks vergelijkende analyses aan de hand van het begrippenkader van De Boeck e.a. (2005) wordt uiteindelijk het meest passende model gekozen en een uitspraak gedaan over de mate van inwisselbaarheid.

div 07/2/46pa

 

Í

 

 

Adaptief sequentieel beheersingstoetsen onder gebruikmaking van het Rasch model en Bayesiaanse sequentiële beslissingstheorie

 

H.J. Vos en Dr. C.A.W. Glas

Universiteit Twente, Faculteit Gedragswetenschappen

Afdeling Onderzoeksmethodologie, Meetmethoden en Data Analyse

h.j.vos@utwente.nl

 

Synopsis

 

In deze bijdrage wordt een versie van adaptief sequentieel beheersingstoetsen (d.w.z. het classificeren van studenten als een 'master/nonmaster' of doorgaan met toetsen en een ander item of testlet aanbieden) bestudeerd, waarbij het antwoordgedrag wordt gemodelleerd met behulp van item respons theorie (IRT). De performance van IRT-gebaseerde adaptieve en adaptieve sequentiële beheersingstoetsen (AMST) zal worden onderzocht in een aantal simulatiestudies als een functie van de proportie correcte beslissingen en het gemiddelde verlies onder gebruikmaking van het Rasch model. Uit de simulatiestudies bleek dat adaptief sequentieel beheersingstoetsen leidde tot een aanzienlijke daling van het verlies, welke hoofdzakelijk toe te schrijven was aan het feit dat er significant minder items hoefden te worden aangeboden.

div 07/2/84pa

 

é

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 8: Onderwijs en Samenleving

 

Timeslot 1 – Parallelsessie 10

Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Witte en zwarte scholen:

Lessen voor de beleidspraktijk in Nederland en Vlaanderen

 

Voorzitter:

P. Huisman

Onderwijsraad, Nederland

p.huisman@onderwijsraad.nl

 

Auteurs van de bijdrages:

P. Gramberg

Onderwijsraad, Nederland

S. Karsten

Universiteit Amsterdam

F. Ornelis

Universiteit Gent

B. Steen

Auditeur Raad van State, Vlaanderen

P. Mahieu

Universiteit Antwerpen

P. van Avermaet

ICO, Vlaanderen

 

Discussant:

S. Rutten

SARDES, Nederland

 

Synopsis

 

De problematiek van de etnische en sociaal-culturele segregatie in het onderwijs, tussen witte en zwarte scholen, is een thema dat in veel onderwijssystemen in Westerse landen speelt. Het is een boeiende, complexe problematiek op een raakvlak van een aantal disciplines: onderwijskunde, onderwijsrecht, onderwijssociologie.

In dit symposium willen we aan de hand van een advies van de Nederlandse Onderwijsraad ervaringen in Nederland en Vlaanderen uitwisselen. Waar liggen praktische grenzen? Welk onderzoek toont ons dat spreiding helpt of dat ‘witte’ scholen beter presteren? Gaat het om onderwijsachterstanden of het gaat om sociale integratie? Het thema is gekenmerkt door de ‘tragiek van de goede bedoelingen’: maatregelen die gericht zijn tegen segregatie, hebben soms het effect dat ze de ‘witte vlucht’ juist versterken. Het symposium bevat een presentatie van de conclusies en aanbevelingen van het onderwijsraadadvies: wat leert ons onderzoek naar de ervaringen van Nederlandse gemeenten met spreidingsbeleid en wat zijn de bandbreedtes voor beleid? Vervolgens is er een presentatie over een onderzoek naar de segregatiepatronen in het Amsterdamse basis- en voortgezet onderwijs, met onder meer mogelijke verklaringen voor de ontstane patronen.  Van Vlaamse zijde  is er een presentatie over de (juridische en empirische) ervaringen met het Gelijke Kansendecreet.  Door  referenten (één van Vlaamse zijde, één van Nederlandse zijde) wordt op deze bijdragen gereageerd. Nadrukkelijk is er ruimte voor discussie naar aanleiding van de inleidingen en reacties.

div 08/1/212sy

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 9: ICT en Onderwijs

 

Timeslot 1 – Parallelsessie 11

Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Ontwerpen door niet-ervaren ontwerpers: twee empirische studies

2. In transitie: Op weg naar innovatief ICT-gebruik op de PABO

3. Dragen webklassen bij tot het kunnen maken van

een goed gemotiveerde studiekeuze?

Í

 

Ontwerpen door niet-ervaren ontwerpers: twee empirische studies

 

D. Verstegen

TNO Human Factors

A. Pilot

IVLOS, Universiteit Utrecht

Y. Barnard

EURISCO International

Verstegen@tm.tno.nl

 

Synopsis

 

Veel onderwijs wordt, zeker in het bedrijfsleven en het hoger onderwijs, ontworpen door docenten of instructeurs. Zij zijn geen professionele onderwijsontwerpers en uit onderzoek blijkt dat zij weinig geneigd zijn om een systematisch ontwerpmethode te gebruiken, dat zij vaak de nodige kennis en ervaring missen en dat de resultaten nogal eens tegenvallen. Eén optie is om de ontwerptaak over te laten aan professionals, maar dat is vaak niet mogelijk omdat zij de nodige domeinkennis missen en te duur zijn. Een andere mogelijkheid is om niet-ervaren ontwerpers beter te ondersteunen. Uit de resultaten twee empirische studies concluderen wij dat ook niet-ervaren ontwerpers een complexe ontwerpopdracht kunnen uitvoeren mits zij voldoende worden ondersteund. We definiëren vier aspecten van de ontwerptaak: het verzamelen van informatie, het oplossen van het ontwerpprobleem, het organiseren en beheersen van het ontwerpproces, en communicatie. Tenslotte merken we op onze niet-ervaren proefpersonen weliswaar zeer acceptabele ontwerpen afleverden, maar dat deze ontwerpen niet innovatief waren. Daarvoor zijn andere maatregelen vereist. We stellen voor om iteratie en creativiteit expliciet te stimuleren op belangrijke momenten, bijvoorbeeld bij het ontwerpen van leeractiviteiten.

div 09/1/66pa

Í

 

 

In transitie: Op weg naar innovatief ICT-gebruik op de PABO

 

M. Drent

ITBE, Universiteit Twente

Marjolein.Drent@utwente.nl

 

Synopsis

 

Al meer dan twintig jaar wordt gewerkt aan de integratie van informatie- en communicatie­technologie in het onderwijs. De aandacht is de laatste jaren verschoven van het leren omgaan met ICT naar het gebruik van ICT ter ondersteuning van het ‘nieuwe leren’; in deze studie aangeduid met ‘innovatief ICT-gebruik’. Lerarenopleidingen zouden hierin een voortrekkersrol moeten vervullen. Deze studie toont echter een ander beeld: slechts een klein deel van de lerarenopleiders laten hun studenten (de docenten van de toekomst) het ‘goede voorbeeld’ zien. De paper bediscussieert de volgende vragen: waarom zetten juist deze leraren­opleiders ICT op een meer innovatieve manier in hun onderwijs in; wat belemmert de meeste lerarenopleiders om het ‘goede voorbeeld’ te geven en op welke wijze zou het innovatief ICT-gebruik binnen de lerarenopleidingen gestimuleerd kunnen worden?

div 09/1/77pa

 

Í

 

Dragen webklassen bij tot het kunnen maken van

een goed gemotiveerde studiekeuze?

 

M.J. van Leijen

Instituut voor Interdisciplinaire Studies, Universiteit van Amsterdam

A.     Pilot

IVLOS, Universiteit Utrecht

m.j.vanleijen@uva.nl

 

Synopsis

 

De Onderwijsraad brengt in het najaar van 2005 een advies uit over hoe instellingen de aansluiting tussen vwo en Hoger Onderwijs kunnen verbeteren met behulp van ICT. Vooruitlopend op dit advies zijn diverse instellingen al doende om met behulp van ICT de aansluiting tussen vwo en HO te verbeteren. Sinds 2001 ontwikkelt de Universiteit van Amsterdam Webklassen om leerlingen te helpen zich een inhoudelijk beeld te vormen van de inhoud van een opleiding, de gebruikte werkvormen en de vaardigheden om de betreffende opleiding succesvol te kunnen doorlopen. Webklassen zijn on line cursussen waarin scholieren uit 4, 5 en 6 vwo teksten lezen, opdrachten maken en discussiëren. Ze krijgen feedback van docenten van de universiteit. In deze paperpresentatie worden Webklassen geanalyseerd met behulp van het Conversational Framework van Diana Laurillard.

div 09/1/177pa

 

é

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 11: Gender en onderwijsonderzoek

 

Timeslot 1 – Parallelsessie 12

Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Voorbeeldgestuurd onderwijs: Een opstap naar abstract denken

2. Omgaan met een interactief leerpakket in het Hoger Onderwijs:

Verschillen tussen mannen en vrouwen

3. Gender awareness bij geneeskundestudenten:

Ontwikkeling van een meetinstrument

Í

 

Voorbeeldgestuurd onderwijs: Een opstap naar abstract denken


E. Boltjes

Noordelijke Hogeschool Leeuwarden

boltjes@nhl.nl

 

Synopsis


Voorbeeldgestuurd Onderwijs is een herformulering van een informatieanalysemethode tot leer- en lesmethode. De methode gaat uit van voorbeelden, vandaar dat zij voorbeeldgestuurd onderwijs is genoemd. In het onderwijs is bij het “nieuwe leren” een overgang merkbaar van “de leraar vertelt” naar “de leerling vraagt”. Voorbeelden van vormen van het nieuwe leren zijn projectonderwijs, probleemgestuurd onderwijs en competentiegericht onderwijs. Deze vormen van onderwijs zijn niet klassikaal te gebruiken. Voorbeeldgestuurd onderwijs is echter wel klassikaal toepasbaar en benut tevens de voordelen van het nieuwe leren. Daarbij is een overgang merkbaar van “lesgeven vanuit de zekerheid van de leraar” naar “lesgeven vanuit de onzekerheid van de leerling”. Daar voelen meisjes zich beter bij. En jongens ook.

div 11/1/2pa

Í

 

Omgaan met een interactief leerpakket in het Hoger Onderwijs:

Verschillen tussen mannen en vrouwen

 

Y. Beetsma

Universitair Onderwijscentrum Groningen / UOCG

Rijksuniversiteit Groningen

y.beetsma@rug.nl

 

Synopsis

 

Telkens weer wordt vastgesteld dat in het Nederlandse Hoger Onderwijs vrouwen sneller studeren dan mannen. Zijn deze verschillen ook terug te vinden op microniveau? Evaluatie van een interactief leerpakket (met behulp van logfiles) bij twee studierichtingen in het universitair onderwijs geeft antwoord op deze vraag. Logfiles bevatten gegevens over tijd besteed aan het leerpakket en antwoordpatronen. Richtlijn is een model dat gebruikt wordt bij het onderzoek naar schooleffectiviteit (Creemers, 1994). Studenten lossen in de leeromgeving een wetenschappelijk probleem op door het ‘virtueel’ uitvoeren van experimenten met proefdieren. De oplossing van het probleem beschrijven ze online in een aantal korte essays. Het cijfer op de essays laat geen verschillen zien tussen vrouwen en mannen. De grotere taalvaardigheid (meer woorden) van vrouwen leidt tot een beter resultaat.  Bovendien zijn vrouwen bereid meer tijd te investeren dan mannen, zowel in de leeromgeving als bij het schrijven van essays. 

div 11/1/20pa

 

Í

 

Gender awareness bij geneeskundestudenten:

Ontwikkeling van een meetinstrument

 

P. Verdonk, H. de Haes, Y. Benschop en T. Lagro-Janssen

UMC St Radboud, Vrouwenstudies Medische Wetenschappen

p.verdonk@hag.umcn.nl

 

Synopsis

 

Aandacht voor sekse en gender is belangrijk in het geneeskundeonderwijs. Gender awareness bij artsen is om vier redenen belangrijk: voor het verkleinen van sekseverschillen in gezondheid en ziekte, voor kwaliteitsverbetering van de zorg voor vrouwen én mannen, een goede arts-patiëntrelatie, maar óók voor een medische cultuur waarin zowel mannelijke als vrouwelijke artsen hun talenten kunnen ontplooien. Sekse wordt momenteel geïntegreerd in de medische curricula van alle faculteiten in Nederland. De  psychometrische eigenschappen van een vragenlijst om gender awareness bij geneeskundestudenten te meten blijken voldoende te zijn. Vinden geneeskundestudenten dat rekening houden met sekseverschillen ongelijkheid veroorzaakt in de zorg? Zeuren vrouwelijke patiënten meer? En kennen ze de risico’s van peervormig en appelvormig overgewicht? In deze presentatie hoort u meer over het instrument alsmede over de antwoorden van mannelijke en vrouwelijke studenten. 

div 11/1/92pa

 

é

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 1: Bedrijfsopleidingen, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie

 

Timeslot 2 – Parallelsessie 1

Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Monitor Impuls Beroepskolom: Voortgang

2. ICT ondersteuning voor werkplekleren: netwerkmodellen in het MKB

3. De Quick Scan als instrument voor de analyse van de school als leersituatie

Í

 

Monitor Impuls Beroepskolom: Voortgang

 

W. van Esch

CINOP

wesch@cinop.nl

 

Synopsis

 

Het bereiken van kwalificatiewinst via realisatie van de kolom- en loopbaangedachte is een kernpunt van het Nederlands beroepsonderwijsbeleid. Instellingen voor beroepsonderwijs (vmbo, mbo, hbo) krijgen van de overheid middelen om die gedachte in hun eigen instelling en gelet op hun eigen situatie vorm te geven en te realiseren. De onderwijssectoren binnen het beroepsonderwijs (vmbo, mbo, hbo) verschillen in de thematische accenten die zij leggen bij de realisatie van kolom- en loopbaangedachte. De gedachte is beleidsmatig wat sterker verankerd in het beleid van ROC’s. Er lijkt een taakverdeling te ontstaan waarbij mbo-scholen zich meer richten op hun voorland (het vmbo) dan op het hbo en hogescholen geacht worden het voortouw te nemen bij de aansluiting met het mbo. Instellingen staan sympathiek tegenover de kolom- en  loopbaangedachte, het ontbreekt ze evenwel aan een scherp zicht op de resultaten ervan. Er is nog de nodige winst te behalen bij de realisatie van de kolom- en loopbaangedachte, waarbij er mede aandacht dient te zijn voor institutionele belemmeringen.

div 01/2/82pa

Í

 

ICT ondersteuning voor werkplekleren: netwerkmodellen in het MKB

 

D. Lockhorst, W. Admiraal, M. de Laat en W. Rubens

IVLOS, Universiteit Utrecht

d.lockhorst@ivlos.uu.nl

 

Synopsis

 

In een 3-jarig Europees project onderzoeken zeven onderwijsorganisaties in totaal zeven landen de mogelijkheden van ICT om het leren op de werkplek in het MKB te ondersteunen. Een goede manier om werkplekleren te faciliteren in het MKB is de organisatie van leergemeenschappen waarin werknemers samen werken rond voor hen belangrijke werkgerelateerde problemen en punten. ICT kan een bruikbaar gereedschap zijn om dergelijke gemeenschappen of netwerken te ondersteunen en het (informeel) leren op de werkplek te stimuleren, onafhankelijk van tijd en plaats en afgestemd op individuele behoeften. In de zeven Europese landen is op verschillende wijzen data verzameld over werkplekleren en ICT ondersteuning, door gebruik te maken van vragenlijsten, interviews met werknemers, werkgevers en beleidsmakers en expertbijeenkomsten. De data wordt geanalyseerd vanuit vier perspectieven: de mensen, de infrastructuur, het leerproces en kwaliteitzorg. Tijdens de presentatie zullen de uitkomsten van de analyse aan bod komen en worden verschillende netwerkmodellen gepresenteerd.

div 01/2/83pa

 

Í

 

De Quick Scan als instrument voor de analyse van de school als leersituatie

 

M. van der Klink en P. Vroegop

Ruud de Moor Centrum, Open Universiteit Nederland

S. Beek

KPC Groep

Marcel.vanderklink@ou.nl

 

Synopsis

 

De laatste jaren is er een groeiende aandacht voor het leren van (beginnende) docenten in de werksituatie. In deze presentatie wordt ingegaan op een project dat tot doel heeft een instrument (met als titel ‘Quick Scan’) te ontwikkelen waarmee docenten snel inzicht krijgen in hun werksituatie als leersituatie. Dit instrument is digitaal beschikbaar en na invulling van de vragen ontvangt de invuller automatische feedback.

Naast aandacht voor de ontwikkeling van het instrument zal de meeste tijd worden besteed aan de resultaten van een evaluatie onder gebruikers die tot doel had om te achterhalen of het instrument meet wat het beoogd te meten en om  na te gaan of het instrument leidt tot meer inzicht in hun werksituatie als leersituatie.

div 01/2/150pa

 

é

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 2: Beleid en Organisatie in het Onderwijs

 

Timeslot 2 - Parallelsessie 2

Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Het taboe op harmonisering doorbroken?

2. Succes- en Faalfactoren van Onderwijsinnovatieprojecten

3. Bureaucratisering in het onderwijs

Í

 

Het taboe op harmonisering doorbroken?

Hoger onderwijs na ‘Bologna’ in drie Europese lidstaten

 

K. De Wit, N. Druine, V. Hulpiau en P. Verhesschen

Dienst Onderwijsbeleid, K.U.Leuven

nathalie.druine@dowb.kuleuven.ac.be

 

Synopsis

 

In deze paper presenteren we de resultaten van een literatuurstudie die als doel had de impact van de Bolognaverklaring op het hoger onderwijsbeleid in drie lidstaten (de Vlaamse en Franse gemeenschap van België, Nederland en Duitsland c.q. Nordrhein-Westfalen) na te gaan.  Aan de hand van een inhoudsanalyse van beleidsdocumenten en rapporten (o.m. de voorbereidende documenten voor de Europese top van Bergen in mei 2005) werden recente ontwikkelingen in vier domeinen: 1. invoering van de bachelor-masterstructuur, 2. invoering van een flexibel creditsysteem, 3. studenten- en docentenmobiliteit en 4. kwaliteitszorg bestudeerd.  De uitgangsvraag was of empirisch bevestigd kan worden dat er convergentie plaatsvindt in een aantal subdomeinen van het hoger onderwijsbeleid, dan wel dat er nog steeds sprake is van relevante divergentie.

div 02/2/23pa

Í

 

Succes- en Faalfactoren van Onderwijsinnovatieprojecten

in het Hoger Onderwijs

 

I. Wopereis, P. Kirschner, F. Paas en M. Hendriks

Open Universiteit Nederland, Onderwijstechnologisch Expertisecentrum

B. Cordewener

Stichting SURF, Platform ICT en Onderwijs

iwan.wopereis@ou.nl

 

Synopsis

 

Het Platform ICT en Onderwijs van de stichting SURF stimuleert – via cofinanciering - zowel een beter en creatiever gebruik van ICT binnen het primaire proces van het hoger onderwijs als de vernieuwing en integratie van ondersteunende processen binnen de onderwijsorganisatie. Om zicht te krijgen op hoe gefinancierde projecten effectiever opgestart en uitgevoerd kunnen worden, EN hoe de producten beter opgenomen kunnen worden in het dagelijkse onderwijs is door het Onderwijstechnologisch Expertisecentrum van de Open Universiteit Nederland een dieptestudie uitgevoerd naar succes- en faalfactoren van innovatieprojecten in het hoger onderwijs. Gebruikmakend van traditionele (literatuurstudie, interviews met projectleiders) en innovatieve (‘expert group concept mapping’) technieken, zijn meer dan 200 succes- en faalfactoren gegenereerd (verdeeld over 13 clusters) die de basis vormen voor nieuwe processen en procedures voor onderwijsinnovatieprojecten.

div 02/2/148pa

 

Í

 

Bureaucratisering in het onderwijs

 

L. van de Venne

Nederlandse Onderwijsraad

l.v.d.venne@onderwijsraad.nl

 

Synopsis

 

Toenemende twijfel over de bureaucratiebeheersing, kostendoelmatigheid en schaalvergroting in het onderwijs, vormde voor de onderwijsraad aanleiding een verkenning over dit onderwerp uit te brengen. De raad constateerde dat politici, onderwijsbestuurders en vakbonden zich steeds vaker mengen in de discussie over de vraag of het klopt dat een steeds groter aandeel van de euro niet meer bestemd is voor ‘de handen in de klas’ (het primaire onderwijsleerproces), maar wordt besteed aan beleid, organisatie, formulieren en dergelijke (secundaire processen).

De verkenning laat zien dat het onderwerp weerbarstig is. Complicerend daarbij is dat het onderzoek naar bureaucratisering,  kostendoelmatigheid en schaal in Nederland en ook daarbuiten nog beperkt is en onderzoek naar de relatie tussen onderwijskwaliteit en kostenverdeling (effectiviteit) vrijwel ontbreekt.

div 02/2/149pa

 

é

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 3: Curriculum

 

Timeslot 2 – Parallelsessie 3

Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Praktijkkennis van vakleerkrachten muziek in het basisonderwijs

2. Scharniermomenten in het onderwijs voor 12 – 19 jarigen

3. Designing instruction for cooperative learning in countries with a Confucian Heritage Cultural background: The case of Viet Nam

 

Í

Praktijkkennis van vakleerkrachten muziek in het basisonderwijs

 

M. Bremmer

Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten

melissa.bremmer@tiscali.nl

 

Synopsis

 

Uit de resultaten van het cito peilingsonderzoek ‘Balans van het muziekonderwijs aan het einde van de basisschool 2’ uit 2000 blijkt dat vakleerkrachten muziek nauwelijks muziekmethodes gebruiken maar hun eigen curriculum ontwerpen. Voor het ontwerpen van een curriculum is zowel kennis nodig van inhoud, in dit geval muziek, als onderwijskundige kennis zoals leer- en ontwikkeltheorieën. Maar veel theorieën corresponderen niet met wat (vak)leerkrachten in de praktijk doen en ervaren. Dit gegeven dat de inhoud van formele onderwijstheorieën afwijkt van datgene wat (vak)leerkrachten in de praktijk doen en ervaren heeft de interesse gewekt voor de zogenaamde praktijkkennis: de cognities die aan het handelen van (vak)leerkrachten ten grondslag liggen. In dit onderzoek wordt onderzocht wat de praktijkkennis is over het ontwerpen van een curriculum voor ‘noten leren lezen’  van vakleerkrachten muziek in het basisonderwijs en of deze kennis overeenkomt met bestaande muziekleertheorieën over ‘noten leren lezen’.

div 03/2/61pa

Í

 

Scharniermomenten in het onderwijs voor 12 – 19 jarigen

 

F.S.J. Riemersma

Nederlandse Onderwijsraad

f.riemersma@onderwijsraad.nl

 

Synopsis

 

Overgangen in het onderwijsbestel en naar de arbeidsmarkt verhinderen voor veel leerlingen een soepele (leer)loopbaan. Dit thema neemt in belang toe door meer pluriformiteit in de leerlingenpopulatie en de Europese ambities van kennisintensivering en versterking van de maatschappelijke samenhang. Via beschrijvingen van “goede praktijken”, buitenlandse ervaringen en gesprekken met betrokkenen wordt inzicht verkregen in mogelijke oplossingen. Het gaat daarbij om programmatische oplossingen( leerstof en methodiek), oplossingen van ondersteunende aard (overdracht van leerling- en andere informatie) en om randvoorwaarden (wet- en regelgeving, stimulerende financiering en ambitie afspraken). De bevindingen worden gebruikt voor advisering door de Onderwijsraad aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

div 03/2/98pa

 

Í

 

Designing instruction for cooperative learning in countries with a Confucian Heritage Cultural background:

The case of Viet Nam

 

M. Phuong Nguyen en C. Terlouw

University of Twente

A.     Pilot

Utrecht University

c.terlouw@utwente.nl

 

Synopsis

 

Cooperative Learning (CL) has a long history of research and implementation in the West. With the fixed assumption that Asian countries with collectivist mentality will support CL, this method has been enthusiastically applied. However, CL was designed for learners/workers in the West, not the East. Cultural differences are more or less ignored in the transformation process. The mere copying of CL-Western model could turn in immediate failure in Confucian Heritage Cultures (CHC) such as Viet Nam with culture-related characteristics such as dependency on teacher, need for formal leadership, avoidance of conflicts, fear of losing face. Cultural appropriate pedagogy should be the solution. This study is dedicated to achieve a sustainable instructional design model and principles for CL in Asian countries with CHC background, especially Viet Nam. We will report about the first phase, the orientation phase, in which a theoretical and empirical front-end analysis has been done.

div 03/2/172pa

 

é

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 4: Hoger Onderwijs

 

Timeslot 2 – Parallelsessie 4

Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Onderwijskundige professionalisering en onderzoek:

Over wat is en wat komen zal

 

Voorzitter:

P. Van Petegem

Universiteit Antwerpen, ExpertiseCentrum Hoger Onderwijs (ECHO)

 

Auteurs van de papers:

R. Klaassen en T. Andernach

Technische Universiteit Delft

T. Niessen, T. Abma; G. Widdershoven; C. van der Vleuten

Universiteit Maastricht, O&O

M. Clement, L. Laga, A. Verburgh en K. Waeyters

K.U.Leuven, DUO

A. Stes, G. Vanthournout, S. Hubers en D. Gijbels

Universiteit Antwerpen, ECHO

 David.gijbels@ua.ac.be

 

 

Discussiant:

Jan Broeckmans

Limburgs Universitair Centrum

 

Synopsis

 

De opdracht van onderwijskundige diensten die zich bezig houden met docentenprofessionalisering bestaat voor een groot deel uit het organiseren van tal van vormingsinitiatieven gericht op de verbetering en vernieuwing van het onderwijs in brede zin. Voor een docentenprofessionaliseringsdienst in het hoger onderwijs is (participatie aan) onderzoek vaak essentieel om de geloofwaardigheid van de dienst in stand te houden. De vraag is echter: aan welk onderzoek moet worden geparticipeerd en welk onderzoek moet tot de ‘core bussines’ behoren? In dit symposium presenteert een steekproef van ‘professionaliseringsdiensten’ uit Vlaanderen en Nederland die onderwijsprofessionalisering in het universitair onderwijs als doel hebben het onderzoek dat onderdeel uitmaakt van hun dagelijkse activiteiten. Twee onderzoeksthema’s lijken centraal te staan. Het onderzoek richt zich enerzijds op het in kaart brengen en trachten te begrijpen van de moeilijkheden die docenten ervaren tijdens een professionaliseringstraject en anderzijds op het nagaan van de impact van de professionaliseringsinitiatieven zelf. In de discussie staat de vraag centraal welke thema’s op de toekomstige onderzoeksagenda moeten staan.

div 04/2/112sy

 

é

 

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 5: Lerarenopleiding en Leraarsgedrag

 

Timeslot 2 – Parallelsessie 5

Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Over de conceptualisering en het meten van cognities van docenten

in het voortgezet onderwijs

 

Voorzitter:

T. Wubbels

Universiteit Utrecht, Onderwijskunde

 

Auteurs van de papers:

I. Bakkenes, G. van Ginkel, T. Platteel en H. Oolbekkink-Marchand

Universiteit Leiden, ICLON

marchand@iclon.leidenuniv.nl

 

Discussiant:

E. Denessen

Radboud Universiteit Nijmegen, Onderwijs en Educatie

 

Synopsis

 

Dit symposium laat de diversiteit in onderzoek naar kennis en opvattingen van docenten in het voortgezet onderwijs zien. Alle bijdragen aan dit symposium hebben betrekking op docenten in (voornamelijk) het voortgezet onderwijs. De onderzoeken verschillen echter in de manier waarop gekeken wordt naar kennis en/of opvattingen van docenten en in gebruikte meetinstrumenten. Alle deelnemers hebben zelf een instrument ontwikkeld of gaan deze ontwikkelen om cognities te meten. Tijdens het symposium wordt ingegaan op de verschillende  termen die worden gebruikt (tacit-knowledge, pedagogical content knowledge, perspectieven, concepties en opvattingen) en op hun betekenis. Daarnaast willen we ingaan op de vertaling van deze conceptualiseringen naar meetinstrumenten. Daarbij gaan we in op de verschillen en overeenkomsten en de bruikbaarheid van de verschillende instrumenten.

div 05/3/156sy

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 6: Leren en Instructie

 

Timeslot 2 – Parallelsessie 6

Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Analyse van interacties in probleemgestuurde onderwijsgroepen:

Resultaten van een processtudie

2. Leren Informatieproblemen oplossen:

Het effect van het werken met authentieke taken

3. Waardering van studenten van wederzijdse afhankelijkheid bij samenwerkend leren: De jigsaw-werkvorm

Í

 

Analyse van interacties in probleemgestuurde onderwijsgroepen:

Resultaten van een processtudie

 

A. Visschers-Pleijers, D. Dolmans, B. de Leng, I. Wolfhagen & C. van der Vleuten

Universiteit Maastricht, Capaciteitsgroep Onderwijsontwikkeling en -research

A.Pleijers@educ.unimaas.nl

 

Synopsis

 

Samenwerkend leren wordt steeds vaker ingezet als middel om het leren van studenten te bevorderen. Probleemgestuurd onderwijs is hier een voorbeeld van. Er zijn nog weinig studies uitgevoerd naar wat er precies gebeurt in de onderwijsgroepen  In deze presentatie wordt verslag gedaan van de resultaten van een observatiestudie in PGO, waarin de verbale interactie van studenten in een aantal onderwijsgroepen is geanalyseerd. Voor het analyseschema werd gebruikt gemaakt van onderwijskundige literatuur over samenwerkend leren in face-to-face settings. Resultaten laten zien dat de studenten sterk taakgericht bezig waren en dat ze relatief veel tijd besteedden aan cumulatief redeneren, grotendeels gekenmerkt door presentatie van feitelijke informatie en het aanvullen daarvan. Het bespreken van inhoudelijke tegenstrijdigheden (conflicten) kwam veel minder voor. De bevindingen leiden tot een aantal praktische implicaties voor studenten en tutoren.

div 06/2/80pa

Í

 

Leren Informatieproblemen oplossen:

Het effect van het werken met authentieke taken

 

S. Brand-Gruwel en I. Wopereis

Open Universiteit Nederland, Onderwijstechnologisch Expertisecentrum

saskia.brand-gruwel@ou.nl

 

Synopsis

 

Het oplossen van informatieproblemen, waarbij studenten zelf informatie moeten zoeken, beoordelen en verwerken, is een complexe vaardigheid waarin instructie dient te worden gegeven. In deze studie is binnen het opleidingscurriculum van een tweedegraads lerarenopleiding Nederlands instructie in de vaardigheid ‘Informatieproblemen oplossen’ geïntegreerd. De onderzoeksvraag luid: wat is het effect van geïntegreerde instructie op de wijze waarop studenten informatieproblemen oplossen? Aan het onderzoek namen 15 studenten deel. De effecten zijn door middel door een voor- en nameting bepaald. Studenten kregen tijdens deze metingen een informatieprobleem voorgelegd met de vraag deze taak hardopdenkend uit te voeren. De resultaten laten onder meer zien dat de experimentele studenten na de instructie percentueel meer tijd besteedden aan het definiëren van het probleem en het verwerken van informatie en bronnen en informatie vaker beoordeelden.

div 06/2/110pa

 

Í

 

Waardering van studenten van wederzijdse afhankelijkheid bij samenwerkend leren: De jigsaw-werkvorm

 

H. van Keulen

IVLOS Universiteit Utrecht

Andries Koster

Farmaceutische Wetenschappen Universiteit Utrecht

j.vankeulen@ivlos.uu.nl

 

Synopsis

 

Welke werkvorm is aan te raden wanneer studenten zich een uitgebreid en sterk samenhangend kennisnetwerk moeten eigen maken? De ‘jigsaw’-benadering is een vorm van samenwerkend en taakverdelend leren, waarbij elke student individueel een deel van de informatie zoekt, vindt en selecteert opdat de groep een grotere, complexe opdracht kan maken. In een onderzoek bij de faculteit Farmaceutische Wetenschappen van de Universiteit Utrecht (NL) blijkt deze werkvorm tot hardwerkende studenten met uitstekende resultaten te leiden. Tegelijk is de waardering van studenten voor met name de wederzijdse afhankelijkheid in dit proces erg laag: ze zijn onzeker over de kwaliteit van het werk van hun medestudenten, en de motivatie om de eigen taak grondig uit te voeren wortelt in de angst ontmaskert te worden als meelifter. Wat moeten we hier van vinden? Weegt het resultaat het zwaarst en verdient deze vorm het om breder ingezet te worden? Of is het middel erger dan de kwaal?

div 06/2/113pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 7: Methodologie en Evaluatie

 

Timeslot 2 – Parallelsessie 7

Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Een auditprocedure voor het vaststellen van de kwaliteit van onderwijsonderzoek

2. Creatieve momenten in Narratieve Analyse

3.  De tacit knowledge van onderwijsonderzoekers

Í

 

Een auditprocedure voor het vaststellen van de kwaliteit van onderwijsonderzoek

 

S. Akkerman, W. Admiraal, M. Brekelmans en H. Oost

IVLOS Universiteit Utrecht

w.f.admiraal@ivlos.uu.nl

 

Synopsis

 

De kwaliteit van onderwijsonderzoek is een thema dat veel aandacht verdient. Extra complex is de situatie van onderzoek waarin gebruik wordt gemaakt van ingewikkelde, dikwijls kwalitatieve onderzoeksmethoden, die veel interpretatie van de onderzoeker vereisen. Het is dan vaak een onmogelijke opgave voor de onderzoeker om zelf de kwaliteit van alle aspecten van het onderzoek vast te stellen. Ondanks de recente opgang van dit type complex kwalitatief onderzoek, blijft de aandacht voor de kwaliteit van het onderzoek beperkt. In dit paper zal worden ingegaan op een manier om de kwaliteit van complex, kwalitatief onderzoek op een systematische wijze te waarborgen en vast te stellen. Deze systematiek heeft de vorm van een auditprocedure, die aan de hand van twee studies is ontwikkeld en geëvalueerd.

div 07/3/12pa

Í

 

Creatieve momenten in Narratieve Analyse

 

J. Bulterman-Bos

Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit Psychologie en Pedagogiek

JA.Bulterman-Bos@psy.vu.nl

 

Synopsis

 

Wetenschappelijk onderzoek is een creatief gebeuren, waarbij de ervaringskennis van de onderzoeker een onmiskenbare rol speelt. Creativiteit is onder andere nodig voor het verzamelen en interpreteren van data. Dit wordt geïllustreerd aan de hand van een onlangs afgerond proefschrift waarbij gebruik gemaakt is van Narratieve Analyse. Bij de manier waarop semi-gestructureerde interviews tot stand komen, speelt de persoonlijkheid van de interviewer een rol. De data die deze interviews opleveren vormen een myriade van gegevens, waarin duizenden verbanden te leggen zouden zijn. Het is aan de onderzoeker om zodanig naar de interviews te kijken dat er patronen ontdekt worden die relevant zijn voor de pedagogische praktijk. De onderzoeker moet dus verstand van die pedagogische praktijk hebben — en degenen die het onderzoek beoordelen ook.

div 07/3/167pa

 

Í

 

De tacit knowledge van onderwijsonderzoekers

 

J. Bulterman-Bos

Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit Psychologie en Pedagogiek

JA.Bulterman-Bos@psy.vu.nl

 

Synopsis

 

De constatering van de natuurwetenschapper en filosoof Michael Polanyi dat wetenschap niet alleen op expliciete kennis, maar ook op tacit knowledge berust, heeft consequenties voor de praktijk van de onderwijswetenschap. Polanyi stelt dat ontdekkingen niet door louter rationaliteit tot stand komen. Door ervaring met het object van onderzoek, ontwikkelen intelligente onderzoekers bepaalde intuïties, die tot vruchtbare interpretaties van de werkelijkheid kunnen leiden. Onderzoek begint dus niet met een hypothese, maar met intensieve ervaring met het object van onderzoek waardoor de onderzoeker gevoeligheid voor het object van onderzoek ontwikkelt. Dit proces is niet alleen cognitief, maar ook lichamelijk. Deze conclusie stelt aan de onderwijswetenschap de vraag of zij niet veel te winnen heeft bij een klinische traditie, zoals die bijvoorbeeld ook in de medische wetenschap bestaat. Het antwoord op deze vraag wordt nader uitgewerkt aan de hand van de onderzoekstraditie over verwachtingen van leraren.

div 07/3/168pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 8: Onderwijs en Samenleving

 

Timeslot 2 – Parallelsessie 8

Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u

 

Í

Vier paperpresentaties:

1. De effectiviteit van de GOK-indicatoren in het Vlaamse onderwijs

2. De impact van het project ‘Pilootscholen Antwerpen’:

Een procesgerichte analyse van onderwijskwaliteit in 16 basisscholen met een overwegende migrantenpopulatie

3. Culturele diversiteit in de thuiservaringen van 3-jarigen met taal, geletterdheid en rekenactiviteiten

4. Trends in segregatie in het Nederlandse Basisonderwijs

naar Sociale Klasse zowel als Kleur 1994-2002

Í

 

De effectiviteit van de GOK-indicatoren in het Vlaamse onderwijs

 

T. Reynders

Steunpunt LOA, cel SiBO / HIVA KULeuven

I. Nicaise

HIVA KULeuven

Tineke.Reynders@hiva.kuleuven.ac.be

 

Synopsis

 

In deze bijdrage wordt de effectiviteit van de GOK-indicatoren onderzocht. Deze indicatoren werden naar aanleiding van het Decreet betreffende Gelijke Onderwijskansen-I van 28 juni 2002 opgesteld om kansarme kinderen in het onderwijs te detecteren. De effectiviteit van deze GOK-criteria wordt nagegaan aan de hand van twee vragen. Enerzijds onderzoeken we of de GOK-indicatoren ook effectief de groep kinderen met de laagste SES aanduidt en bereikt. Ten tweede bekijken we of de GOK-indicatoren daadwerkelijk de lage ‘presteerders’ (op zowel cognitieve als sociaal-emotionele kenmerken) aangeven. Voor beide vragen maken we gebruik van de SiBO-data, meerbepaald gegevens uit de startgroep derde kleuterklas. Deze gegevens werden voornamelijk verzameld in het schooljaar 2002-2003, het jaar dat het GOK-decreet van start ging.

div 08/2/75pa

 

Í

 

De impact van het project ‘Pilootscholen Antwerpen’:

Een procesgerichte analyse van onderwijskwaliteit in 16 basisscholen met een overwegende migrantenpopulatie

 

F. Laevers en B. Declercq

Expertisecentrum Ervaringsgericht Onderwijs - K.U.Leuven

Ferre.laevers@ped.kuleuven.ac.be

 

Synopsis

 

In het kader van het project Pilootscholen Antwerpen werden 16 basisscholen met een gemiddelde populatie van 73% niet-Belgen begeleid met de bedoeling dat ‘meer scholen zich profileren als een aantrekkelijke buurtschool’. Het evaluatie-onderzoek doet een uitspraak over de kwaliteit van het geboden onderwijs en levert schoolportretten af als basis voor het plannen van verbeteracties. De data-verzameling behelst (1) een meting in elke klas van ‘betrokkenheid’ – intrinsiek gemotiveerde activiteit – [d.m.v. een ‘scanningprocedure’] en een registratie van factoren in de aanpak die betrokkenheid bepalen, (2) een peiling naar de mate waarin leerlingen zich ‘goed voelen’ en hoe boeiend zij de vakken vinden [d.m.v. de bevragingset ‘Wat vind ik van mijn school?’], (3) een schriftelijke enquête waarin leerkrachten hun welbevinden en betrokkenheid in kaart brengen in relatie tot diverse aspecten van het schoolleven en (4) registratie van de door hen gepercipieerde sterktes en zwaktes van de school [d.m.v. de vragenlijst ‘Globale Analyse’].

div 08/2/178pa

 

Í

 

Culturele diversiteit in de thuiservaringen van 3-jarigen met taal, geletterdheid en rekenactiviteiten

 

A.Y. Mayo, A.F. Scheele, M.H. Messer, P.P.M. Leseman

Universiteit Utrecht, Afdeling Orthopedagogiek

A.Y.Mayo@fss.uu.nl

 

Synopsis

 

Tijdens de presentatie wordt verslag gedaan van de eerste resultaten van een onderzoek onder 180 Nederlandse, Marokkaans- Nederlandse en Turks-Nederlandse gezinnen met 3-jarige kinderen naar informele taal, ontluikende geletterdheid en ontluikende rekenvaardigheden in de thuiscontext. Een gedetailleerde vragenlijst is ontwikkeld om het voorkomen en de frequentie van deze activiteiten te onderzoeken. Hierbij zijn verschillende genres van gesproken en gedrukte taal en verschillende soorten informele rekenactiviteiten onderscheiden. De data zijn d.m.v. persoonlijke interviews verzameld waarbij ook gegevens over de achtergrond van de opvoeder zijn verkregen, zoals opleiding, sociaal-economische status en opvoedingsstijl. De eerste resultaten laten duidelijke sociaaleconomische en culturele verschillen zien in de wijze waarop gezinnen de informele leeractiviteiten van hun kinderen tijdens de voorschoolse jaren vormgeven. Deze verschillen correleren sterk met de ontluikende vaardigheden van de kinderen op het gebied van taal, geletterdheid en rekenen.

div 08/2/202pa

 

Í

 

 

Trends in segregatie in het Nederlandse Basisonderwijs

naar Sociale Klasse zowel als Kleur 1994-2002

 

P. Jungbluth

Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen (ITS) - Radboud Universiteit Nijmegen

p.jungbluth@its.ru.nl

 

Synopsis

 

Aan de hand van o.a. CBS-cijfers en een vijftal PRIMA-cohort-onderzoeken worden segregatietrends geanalyseerd in het Nederlandse basisonderwijs, zowel naar etniciteit als naar sociale klasse:

A. hoe verandert de samenstelling van de populatie als geheel (polarisering kansarm – kansrijk) en 

B.   verandert de populariteit van de diverse typen basisscholen waarop één bepaalde bevolkingsgroep domineert (sociaal-etnische homogenisering / reconstructie standenbestel)?

De resultaten roepen onder andere de volgende beleidsvragen op:

C.   worden autochtoon-kansarme leerlingen niet dramatisch benadeeld in de huidige en zo dadelijk voorgestelde wegingen in het achterstandsbeleid en

D. kan de overheid voor kansarmen wel compenseren wat de kansrijken voor hun eigen kinderen elders realiseren?

 

(presentatie af 270505 op www.pauljungbluth.nl )

div 08/2/214pa

 

 

é

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 8: Onderwijs en Samenleving

 

Timeslot 2 – Parallelsessie 9

Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

De voorbereiding op het voortgezet onderwijs

 

Voorzitter:

E. van Gessele

NWO

 

Auteurs van de papers:

G. Driessen

ITS - Radboud Universiteit Nijmegen

g.driessen@its.ru.nl

M. Overmaat, I. van der Veen en J. Roeleveld

SCO-Kohnstamm Instituut - Universiteit van Amsterdam

 

Discussiant:

H. Luyten

Universiteit Twente

 

Synopsis

 

De overgang van basis- naar voortgezet onderwijs is een cruciale fase in de schoolloopbaan van kinderen. Na 8 of meer jaar basisonderwijs wordt middels een afsluitende toets en advies de balans opgemaakt van wat een leerling geleerd heeft en bepaald welk het meest geschikte vervolgtraject is. In dit symposium wordt op basis van gegevens die in 2002/03 zijn verzameld bij het cohortonderzoek Primair Onderwijs (PRIMA) deze overgang vanuit verschillende perspectieven belicht. Thema’s zijn onder meer: Hoe komen de adviezen tot stand, wat is daarbij de rol van leerkrachten en ouders? Welke steun bieden basisscholen ouders en kinderen bij de keuze voor een school voor voortgezet onderwijs? Op welke wijze bereiden basisscholen in cognitieve zin hun leerlingen voor op het voortgezet onderwijs? Maken ze daarin onderscheid tussen verschillende groepen leerlingen? Wat is de voorspellende waarde van de adviezen voor het succes in het voortgezet onderwijs? Is er ook een samenhang tussen kenmerken van basisscholen en de schoolloopbanen van kinderen in het voortgezet onderwijs?

div 08/3/76sy

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 9: ICT en Onderwijs

 

Timeslot 2 – Parallelsessie 10

Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Anonimiteit en sociale aanwezigheid in computerondersteunde

samenwerkende leergroepen (work-in-progress)

2. Communicatie binnen CSCL

3. On line tutors onder de loep:

Een analyse van tutorbijdragen binnen asynchrone discussiegroepen

Í

 

Anonimiteit en sociale aanwezigheid in computerondersteunde

samenwerkende leergroepen

(Work-in-progress)

 

I. Vandyck en K. Kreijns

Open Universiteit Nederland/Ruud de Moor Centrum

Inne.Vandyck@ou.nl

 

Synopsis

 

Door de komst van ICT gaan steeds meer onderwijsinstellingen ertoe over deze technologische middelen in te zetten bij hun onderwijs. ICT laat toe tijd- en plaatsonafhankelijk te leren waardoor grotere groepen van studenten bereikbaar zijn. Het Ruud de Moor Centrum, dat een onderdeel is van de Open Universiteit Nederland beoogt van meet af aan ICT in te zetten bij de leerprocessen van lerarenopleiders en begeleiders van onderwijsgevenden. Juist het op afstand in groepen samenwerkend leren (CSCL) levert een nieuwe categorie van typische problemen op door het wegvallen van alle non-verbale communicatie. Dit paper is sociaal-psychologisch van aard en gericht op groepsdynamische processen in CSCL. We onderzoeken de relaties tussen sociale aanwezigheid, sociale context, awareness informatie, anonimiteit en identificeerbaarheid, alsmede hun effecten op relatievorming, groepscohesie, identiteitsontwikkeling, sociale invloed, het ontwikkelen van vertrouwen enz., en op de leeruitkomsten.

div 09/2/43pa

Í

 

Communicatie binnen CSCL

 

E. Koertshuis en E. van den Berg

Hs. Edith Stein/OCT  Hengelo

koertshuis@edith.nl

 

Synopsis

 

Het onderzoek zoals gepresenteerd in het paper, heeft plaatsgevonden binnen een ontwerpgerichte onderzoeksbenadering. Een bestaand onderwijsaanbod is herontworpen, waarbij het aantal contacturen is gehalveerd en een digitale leeromgeving is ingericht om samenwerkend leren op afstand te faciliteren. Het onderzoek richt zich op de communicatie die zich op afstand afspeelt tussen de lerenden. Er is t.b.v. het onderzoek een onderscheid gemaakt tussen communicatie op conceptueel, procedureel en interpersoonlijk niveau. Uit het onderzoek blijkt  verrassend genoeg, dat lerenden in een blended vormgegeven onderwijsarrangement, binnen de digitale leeromgeving, verhoudingsgewijs veel communiceren op conceptueel niveau. Verder blijkt uit het onderzoek dat wanneer de docent/onderzoeker zich in de communicatie mengt, de omvang, diepgang, en participatiegraad van de studenten toeneemt. Of dit alles leidt tot (hoogwaardige) kennisconstructie is de vraag.

div 09/2/120pa

 

Í

 

On line tutors onder de loep:

Een analyse van tutorbijdragen binnen asynchrone discussiegroepen

 

M. De Smet, B. De Wever, M. Valcke en H. Van Keer

Universiteit Gent, Vakgroep Onderwijskunde

Marijke.Desmet@UGent.be

 

Synopsis

 

Dit onderzoek koppelt cross-age peer tutoring aan CSCL binnen de context van academisch hoger onderwijs. CSCL (Computer Supported Collaborative Learning) wordt gezien als een uitstekend hulpmiddel om samen te leren en reflectie uit te lokken. Daarbij is niet het samenwerken op zich bepalend voor kennisconstructie, maar wel de soort onderlinge communicatie en de bijhorende sturing van on line leerprocessen. Vanuit die optiek worden transcripten uit asynchrone discussiegroepen onderworpen aan codeerschema’s, waarbij alle aandacht gaat naar het in kaart brengen van tutorgedrag. Meer concreet richt het onderzoek zich op de begeleidingsactiviteiten waarbij zowel organisatorische, (meta)cognitieve als sociale vaardigheden nodig zijn om leerprocessen in samenwerkingscontexten te ondersteunen. Ondanks het feit dat er patronen te onderscheiden vallen in tutorgedrag, sluit deze studie aan bij eerder onderzoek dat aangeeft dat begeleidingsactiviteiten contextspecifiek en tutorafhankelijk zijn.

div 09/2/193pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 10: Vakdidactiek

 

Timeslot 2 – Parallelsessie 11

Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

 

Teaching and learning modeling in mathematics and science education

 

Voorzitter:

L. Verschaffel

Center for Instructional Psychology and Technology, University of Leuven, Belgium, lieven.verschaffel@ped.kuleuven.ac.be

 

Auteurs van de papers:

H. Burkhardt

Shell Centre for Mathematical Education, University of Nottingham, UK

K. Gravemeijer

Freudenthal Institute & Dep. Of Educational Research, Utrecht University, The Netherlands

A. DiSessa

Graduate School of Education, University of California, Berkeley, USA

W. Van Dooren1 2, D. De Bock1 3 D. Janssens4 en L. Verschaffel1

1 Center for Instructional Psychology and Technology, University of Leuven, Belgium

2 Research Assistant of the Fund for Scientific Research – Flanders

3 European Institute of Higher Education (EHSAL) Brussels, Belgium

4 Departement of Mathematics, University of Leuven, Belgium

 

Discussant:

B. Greer

San Diego State University, San Diego, USA

 

Synopsis

 

Applications and modeling have been, and continue to be, a central theme in mathematics (and science) education. This is not at all surprising, since very many questions and problems concerning human learning and teaching of mathematics affect, and are affected by, relations between mathematics and the real world. This symposium brings together four papers (one by H. Burkhardt, one by K. Gravemeijer, one by A. DiSessa, and one by W. Van Dooren et al.), followed by a discussion (by  B. Greer), dealing with different aspects of teaching and learning modeling in mathematics and science, which are both of a great theoretical and practical importance, such as: the tension between teaching models and teaching modeling, the relationship between modeling and abstraction in mathematics education, the question if, while being involved in modeling activities, children can re-discover fundamental mathematics and science, and the tension between teaching for routine versus adaptive modeling expertise  in mathematics and science education.

div 10/1/185sy

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 11: Gender en onderwijsonderzoek

 

Timeslot 2 – Parallelsessie 12

Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Gender verschillen op vlak van translatie, procedureel rekenen, wiskundig modelleren en oproepen van rekenfeiten

2. Gender, motivatie en prestaties voor Nederlands en wiskunde

3. Jongens denken alleen maar dat ze beter zijn in techniek dan meisjes

Í

 

Gender verschillen op vlak van translatie, procedureel rekenen, wiskundig modelleren en oproepen van rekenfeiten

 

A. Desoete

Ugent, Arteveldehogeschool, SIG

annemie.desoete@telenet.be

 

Synopsis

 

Reeds geruime tijd is men gefascineerd door gender verschillen op vlak van  rekenen. In deze studies willen we nagaan hoe het zit met die verschillen inVlaanderen. Het eerste doel was na te gaan of jongens sneller en accurater zijn op vlak van het oproepen van rekenfeiten (computational fluency hypothese). Verder willen we nagaan of er geslachtsgebonden verschillen zijn op vlak van translatie, wiskundig modeleren, eenvoudig procedureel rekenen en complexere procedurele rekentaken. De studie vond plaats in 15 lagere scholen en 15 scholen in het secundair onderwijs in Vlaanderen. De studie toont aan dat gender verschillen vooral duidelijk zijn in het begin en op het eind van de lagere school en dat die ongelijkheid verder gaat in het secundair onderwijs. Meisjes lijken ‘trage starters’, die hun achterstand tijdelijk inhalen in het 4de leerjaar van de lagere school.

 

div 11/2 /3pa

Í

 

Gender, motivatie en prestaties voor Nederlands en wiskunde

 

A. Vrugt, F. J. Oort en L. Waardenburg

Afdeling Psychologie, Faculteit Maatschappij- en Gedragswetenschappen, Universiteit Amsterdam

A.J.Vrugt@uva.nl

 

Synopsis

 

Volgens het ‘selective goal pattern’ bepaalt de situatie welke prestatiedoelen adaptief zijn, en zullen studenten het doel nastreven dat voor hen het meest relevant is in een bepaalde situatie. Uitgangspunt van het onderhavige onderzoek is dat taakkenmerken, zoals kenmerken van de vakken Nederlands en wiskunde, taakstereotypen activeren die in samenspel met gender stereotypen bepalend zijn voor de prestatiedoelen die door mannen en vrouwen worden nagestreefd. Onderzocht is of consistentie tussen taak- en genderstereotypen – bij vrouwelijke scholieren en Nederlands en bij mannelijke scholieren en wiskunde – een motivationeel pad activeert dat beheersingsgerichte doelen als startpunt heeft. En of inconsistentie – bij vrouwelijke scholieren en wiskunde en mannelijke scholieren en Nederlands – de aanzet geeft tot een motivationeel pad dat begint met uitkomstgerichte doelen. 

div 11/2/39pa

 

Í

 

Jongens denken alleen maar dat ze beter zijn in techniek dan meisjes

 

H. van der Meij

Faculteit Educational Design, Media & Management, Universiteit Twente

meij@edte.utwente.nl

 

Synopsis

 

In dit onderzoek is voor, tijdens, en na afloop van een lessenserie over techniek gekeken naar verschillen tussen jongens en meisjes. Meisjes presteerden beter dan jongens op een kennistoets na afloop. Jongens schatten hun eigen competentie hoger in dan meisjes. Jongens waardeerden na afloop groepswerk meer omdat dit hen in staat stelde te interacteren.

Op moment van schrijven vinden analyses plaats die zich richten op de vraag of er sekse verschillen zijn in de e-mail communicatie die plaatsvond tijdens het project.

div 11/2/88pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 1: Bedrijfsopleidingen, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie

 

Timeslot 3 – Parallelsessie 1

Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Rationaliteit en formaliteit van leren in de praktijk van alledag

 

Voorzitter:

L.F.M. Nieuwenhuis

Universiteit Twente, GW-CBB/Stoas-Research

 

A. Hoeve, A.K. Jager en K.Mittendorff en L.F.M. Nieuwenhuis

Stoas Research, Universiteit Wageningen

A. Doornbos

CPS

C. Poortman

Universteit Twente

M. van Woerkom

Universiteit Tilburg

 

Discussiant:

J. Onstenk

Cinop-EC

lni@stoas.nl

 

Synopsis

 

Leren op de werkplek mag zich verheugen in een toenemende belangstelling vanuit het wetenschappelijk onderzoek. Door de Onderwijsraad en intermediaire organisaties als Cinop en Colo worden onderzoekers uitgedaagd om de beschikbare kennis op dit terrein te bundelen. Ondersteund door een aantal hoogleraren (onder meer Nijhof in Twente, Simons in Utrecht, van der Sanden in Eindhoven/Tilburg), is er de laatste jaren een gestage stroom aan proefschriften op dit terrein ontstaan.  Het door NWO gefinancierde aandachtsgebied “het leerpotentieel van de werkplek”, onder leiding van Nijhof in Twente, geeft aan vier AIO’s en twee postdocs de ruimte om diverse aspecten van leren op de werkplek te onderzoeken. In dit symposium zijn vier van die projecten bijeengebracht rond de vraagstelling in hoeverre leren in alledaagse situaties kan worden begrepen vanuit rationele of formele interventies. We zijn geneigd om leren te verstaan vanuit een seriële rationaliteit (Nieuwenhuis, 2004; Nieuwenhuis & van Woerkom, i.b.), waarin leren gericht is op de voorbereiding op handelen. Leren op de werkplek verloopt echter veelal parallel aan werkprocessen, en is in veel gevallen niet of slechte gedeeltelijk rationeel georganiseerd.. Ook bij het formele karakter van leerwerkprocessen kunnen vraagtekens worden gezet: curriculumvoorschriften worden alleen aangetroffen in het kader van beroepsopleidende trajecten. Leren op de werkplek is dus vaak informeel en a-rationeel, waardoor het lastig is om uitspraken te doen over de effectiviteit van leerprocessen.

Aan de hand van drie onderzoeksprojecten wordt deze problematiek in het symposium verder uitgewerkt. Aimee Hoeve en AnnetJager (in sasmenwerking met Kariene Mittendorff en Loek Nieuwenhuis) presenteren een paper over leervragen binnen bedrijven als gevolg van routineveranderingen in het kader van veranderings- en innovatieprocessen en mogelijke ondersteuning daarvan door onderwijsinstellingen.

Cindy Poortman en Marianne van Woerkom gaan in op a-rationaliteit van informele leerprocessen binnen een formeel beroepsopleidend traject, aan de hand van observatie- en interviewgegevens over leerlingen in verzorgingstehuizen. Anja Doornbos presenteert gegevens over informele leerprocessen van politie-agenten in functie. 

In elk van de projecten komt aan de orde in hoeverre leerprocessen die niet formeel zijn georganiseerd en/of geen rationeel karakter hebben, een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het vakmanschap van de lerenden en de flexibiliteit van de werkorganisaties. Dit zou moeten leiden tot een verdieping van het inzicht in alledaagse leerprocessen en de relevante condities waaronder dat plaats vindt. Aan Jeroen Onstenk tenslotte de uitdaging om de ontwikkelde perspectieven van commentaar te voorzien.

div 01/3/51pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 2: Beleid en Organisatie in het Onderwijs

 

Timeslot 3 – Parallelsessie 2

Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Intenties en gedrag van inspecteurs:

Zijn er systematische verschillen in typen inspecteurs?

2. Typen van kwaliteitszorg in scholen en de relatie met

externe kwaliteitszorg

3. Ervaringen met vernieuwd onderwijstoezicht

Í

 

 

Intenties en gedrag van inspecteurs:

Zijn er systematische verschillen in typen inspecteurs?

 

M.C.M. Ehren

Universiteit Twente, faculteit Gedragswetenschappen, afdeling Onderwijsorganisatie en management

m.c.m.ehren@utwente.nl

I.F. de Wolf

Inspectie van het Onderwijs en Universiteit van Amsterdam

F.J.G. Janssens

Inspectie van het Onderwijs en Universiteit Twente

 

Synopsis

 

Deze presentatie gaat in op drie vragen, namelijk a) bestaat er een onderscheid in sturende en terughoudende inspecteurs? b) is er een samenhang tussen intenties en gedrag van inspecteurs tijdens het schoolbezoek? en c) verschillen sturende en terughoudende inspecteurs in de beoordeling die zij aan scholen geven? Voor het onderzoek hebben 54 (58%) inspecteurs primair onderwijs een enquête over hun intenties en gedrag tijdens schoolbezoeken ingevuld. Analyses van de antwoorden tonen aan dat er een onderscheid bestaat tussen sturende en terughoudende inspecteurs, zowel in intenties als gedrag. Inspecteurs verschillen in alle werkwijzen die tijdens het bezoek worden uitgevoerd, behalve de wijze waarop zij informatie over de school verzamelen.Intenties hangen echter alleen samen met gedrag dat bestaat uit het geven van verbetersuggesties tijdens het schoolbezoek. Om te toetsen of de verschillen in intenties en gedrag resulteren in andere beoordelingen, hebben we tenslotte onderzocht of de oordelen van scholen, die de afgelopen twee jaren door de inspecteurs zijn bezocht, systematisch verschillen tussen de twee typen inspecteurs. Dat blijkt niet of nauwelijks het geval te zijn. De enige uitzondering hierop is het oordeel over toetsing, hierover oordelen sturende inspecteurs iets strenger.

div 02/3/28pa

Í

 

Typen van kwaliteitszorg in scholen en de relatie met

externe kwaliteitszorg

 

N. Dijkstra & R. Hofman

GION/Rijksuniversiteit Groningen

N.J.Dijkstra@ppsw.rug.nl

 

Synopsis

 

De presentatie richt zich op bevindingen van onderzoek naar kwaliteitszorg in het Nederlands basisonderwijs. Informatie van 939 schoolleiders leidt via clusteranalyse tot een classificatie van scholen naar vier typen van kwaliteitszorg. Resultaten tonen aan dat de kwaliteitszorgtypen onderling onder meer verschillen op managementprofiel, kenmerken van het gehanteerde kwaliteitszorgsysteem, en kwaliteit van het onderwijsproces. Discrepantieanalyse toont aan dat in beperkte mate sprake is van een verschillen tussen de externe (‘objectieve’) oordeel van de inspectie en de (‘subjectieve) mening van de scholen over de stand van zaken van kwaliteitszorg op de onderzochte basisscholen. Tenslotte biedt een analyse van ‘best-practice’ scholen inzicht in stimulerende en belemmerende factoren en verklaringen, waar scholen die een succesvol integraal kwaliteitszorgsysteem willen ontwikkelen, baat bij kunnen hebben.

div 02/3/59pa

 

Í

 

 

Ervaringen met vernieuwd onderwijstoezicht

 

S. Karsten, G. Ledoux, Y. Emmelot en A. Vermeulen

SCO-Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam

S.Karsten@uva.nl

 

Synopsis

 

De groeiende behoefte aan inzicht in kwaliteit valt samen met een trend die al een aantal jaren in het onderwijs zichtbaar is: minder overheidsregels, meer ruimte voor eigen beleid en verantwoordelijkheid van scholen. Deze ontwikkeling heeft in Nederland geleid tot een nieuwe wet op het onderwijstoezicht (WOT), die op 1 september 2002 van kracht is geworden. In de WOT staat dat een school zelf verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het door haar gegeven onderwijs; dus ook voor de manier waarop de kwaliteit wordt gemeten en geëvalueerd. De inspectie moet in haar toezicht daarbij zoveel mogelijk aansluiten. In ons onderzoek is gepeild wat scholen en instellingen vinden van de nieuwe werkwijze van de inspectie sinds de invoering van de WOT. De ervaringen met een recent PKO op de school vormden daarvoor het uitgangspunt. Door middel van interviews, panelgesprekken en surveys is een schat aan gegevens geschapen waaruit rijkelijk geput kan worden.

div 02/3/131pa

 

é

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 3: Curriculum

 

Timeslot 3 – Parallelsessie 3

Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u

 

Í

Twee paperpresentaties:

1. Onderzoek naar de kwaliteit van het vak lichamelijke opvoeding
in Vlaanderen

2. De inzet van ICT in het taalonderwijs aan kleuters

 

Í

 

Onderzoek naar de kwaliteit van het vak lichamelijke opvoeding
in Vlaanderen

 

K. Huts, P. De Knop, M. Theeboom en K. De Martelaer

Vrije Universiteit Brussel, Faculteit LK

Kristof.huts@vub.ac.be

 

Synopsis

 

Het uit de bedrijfswereld overgewaaide fenomeen ‘kwaliteitszorg’ staat vandaag de dag hoog op de agenda van de Vlaamse onderwijsinstellingen. Het bevorderen van kwaliteitszorg en het verhogen van het kwaliteitsbewustzijn worden door menig auteur ook als cruciaal beschouwd voor de overleving van het vak lichamelijke opvoeding. Het doel van dit onderzoeksproject is een analyse van de ‘totale kwaliteit’ van het vak lichamelijke opvoeding in het Vlaams secundair onderwijs. Deze paper geeft een beschrijving van de product, maatschappelijke en gebruikerskwaliteit van dit schoolvak en bespreekt hoe de proceskwaliteit momenteel geregistreerd wordt.

div 03/3/45pa

Í

 

De inzet van ICT in het taalonderwijs aan kleuters

 

J. Voogt,  S. McKenney en C. van Puffelen

Universiteit Twente, Faculteit Gedragswetenschappen, Curriculum

voogt@edte.utwente.nl

 

Synopsis

 

PictoPal is een electronische leeromgeving ter ondersteuning van onderwijs in voorbereidend lezen en schrijven voor 4-6 jarigen. Kleuters gebruiken PictoPal om zelf te ‘lezen’ en te ‘schrijven’. De activiteiten vinden plaats op de computer en in de klas. PictoPal bevat kant en klare activiteiten, maar docenten kunnen ook bestaande activiteiten aanpassen of zelf activiteiten ontwikkelen. Docenten kunnen activiteiten in PictoPal dus koppelen aan thema’s die in de klas aan de orde zijn. In het kader van de ontwikkeling van PictoPal is een deelonderzoek verricht naar de effecten van het programma op jonge kinderen. In deze deelstudie staat de volgende onderzoeksvraag centraal: In hoeverre kan PictoPal bijdragen aan het stimuleren van beginnende geletterdheid in groep 1 en 2?

div 03/3/108pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 4: Hoger Onderwijs

 

Timeslot 3 – Parallelsessie 4

Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Motivationele effecten van het ‘nieuwe leren’:

De invloed van autonomie

2. Een vergelijking tussen de geschreven en video-gebaseerde versie van een situational judgment test bij selectie in het hoger onderwijs

3. Effects of dynamic knowledge elicitation support on virtual team learning

 

Í

 

Motivationele effecten van het ‘nieuwe leren’:

De invloed van autonomie

 

R. Martens

Universiteit leiden, Afdeling Onderwijsstudies

T. Bastiaens

Open Universiteit Nederland, Onderwijstechnologisch Expertisecentrum

rmartens@fsw.leidenuniv.nl

 

Synopsis

 

Onderwijs wordt op grote schaal geïnnoveerd. Opmerkelijk is dat het hierbij gewenste student gedrag sterke overeenkomsten vertoont met wat Ryan & Deci (2000) intrinsic motivation noemen (Martens, Gulikers, & Bastiaens, 2004). Intrinsieke motivatie lijkt daarmee een cruciaal kantelpunt bij het creëren van succesvolle onderwijsinnovaties. Dit paper richt zich op één van de aspecten die aldus Ryan & Deci cruciaal zijn om intrinsieke motivatie in stand te houden: controle of autonomie door studenten. Als een leeromgeving sterk sturend is, waarbij studenten weinig controle hebben en er sprake is van veel extrinsieke beloningen dan verstoort dit de intrinsieke motivatie. Het is niet voor niets dat in vrijwel alle onderwijs innovatieve leeromgevingen meer controle en autonomie aan studenten wordt gegeven. De vraag is echter welk soort autonomie het beste werkt en wanneer gebrek aan controle ontaardt in anarchie of in geen enkele vorm van leren. In dit paper zullen verschillende vormen van autonomie experimenteel getoetst worden in een context van hoger onderwijs.

div 04/3/8pa

Í

 

Een vergelijking tussen de geschreven en video-gebaseerde versie van een situational judgment test bij selectie in het hoger onderwijs

 

T. Buyse en F. Lievens

Universiteit Gent

Tine.buyse@ugent.be

 

Synopsis

 

De laatste jaren worden video-based situational judgment tests (SJT’s) steeds vaker gebruikt bij selectie van personeels maar ook in onderwijskundige settings maken SJT’s opgang. Tot nu toe heeft geen enkele studie onderzocht of er een verschil is in de predictieve validiteit van verschillende aanbiedingsvormen van SJT’s (met gelijke inhoud). Dit is een belangrijke vraag omdat video-based SJT’s opmerkelijk duurder zijn qua ontwikkeling en afname dan geschreven SJT’s. Daarom onderzoekt deze studie of een video-gebaseerde SJT tot betere voorspellingen leidt dan dezelfde SJT in geschreven vorm.

div 04/3/72pa

 

Í

Kenniselicitatie tijdens virtueel teamwerk effecten van

dynamische stimulering

 

M. Bitter-Rijpkema en W. Jochems

Onderwijstechnologisch expertisecentrum (OTEC), Open Universiteit Nederland

Marlies.bitter@ou.nl

R. Martens

Rijks Universiteit Leiden

 

Synopsis

 

Samenwerken en leren in virtuele teams wordt steeds belangrijker in de beroepspraktijk en in het hoger onderwijs. Echter het integreren van aanwezige relevante individuele inzichten in de teamkennis voor de collectieve teamprestatie blijkt problematisch. Ervaringen met enkelvoudige stimulering van kenniselicitatie bij welomschreven taken stemt hoopgevend. In deze presentatie wordt de ontwikkeling en het testen van een nieuwe instrumentering beschreven. De ondersteuning van kenniselictatie en ontwikkeling is gericht op dynamische ondersteuning van teams die virtueel, complexe slecht gedefinieerde problemen moeten oplossen. In deze presentatie wordt ingegaan op de theoretische fundering een nieuwe instrumentatie. Beschreven wordt de onderzoeksopzet en resultaten van het experiment waarin de dynamische ondersteuning,, vormgegeven middels actieve stimulering en ondersteunende functionaliteiten in Ace forum, beproeft is. Vervolgens gaan we na hoe de gevonden positieve effecten ten aanzien van procesverloop, kennisontwikkeling en motivatie te interpreteren zijn. En tenslotte analyseren we welke consequenties deze resultaten hebben voor het gebruik de methode en instrumenten in de onderwijspraktijk als ook voor verder vervolg onderzoek.

div 04/3/211pa

 

é

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 5: Lerarenopleiding en Leraarsgedrag

 

Timeslot 3 – Parallelsessie 5

Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u

 

Í

Twee paperpresentaties:

1. Veranderingen in opvattingen van studenten betreffende

het beroep van leraar

2. Reflectie retorisch bezien:

Een retorisch onderzoek naar reflectieverslagen

Í

 

Veranderingen in opvattingen van studenten betreffende

het beroep van leraar

 

H.K. Slettenhaar

Universiteit Twente, Faculteit Gedragswetenschappen, Instituut ELAN

slettenhaar@edte.utwente.nl

 

Synopsis

 

Het constructivisme heeft als uitgangspunt dat lerenden zelf hun kennis- en vaardighedenbestand opbouwen (b.v. Jonassen, 1992). Vertaald naar (constructivistisch) opleiden houdt dat in dat studenten, uitgelokt en gestuurd door opleidingsactiviteiten, zelf hun kennis- en vaardighedenbestand opbouwen. Het onderzochte programma beoogt dat te realiseren door middel van activerende werkvormen. Om als opleider goed te kunnen sturen is er inzicht nodig in de (individuele) leerprocessen (cognitieve ontwikkeling) van de studenten. Als eerste stap in het onderzoek daarnaar is onderzocht of en hoe de opvattingen van studenten veranderen gedurende het volgen van het vak Onderwijskunde 1. In de workshop worden de resultaten van dat onderzoek gepresenteerd.

div 05/4/161pa

Í

 

Reflectie retorisch bezien:

Een retorisch onderzoek naar reflectieverslagen

 

I. Pauw

Katholieke Pabo Zwolle

i.pauw@kpz.nl

 

Synopsis

 

Studenten aan lerarenopleidingen schrijven veel reflectieve teksten met als doel te leren. Toch twijfel ik, ervaren docent aan een pabo, aan de leerwaarde van deze teksten en in het bijzonder aan de leerwaarde van de reflectieve activiteit die in deze teksten besloten ligt. Ook studenten zelf twijfelen daaraan; ze geven aan reflectieverslagen te schrijven voor docenten en omdat het moet en niet voor zichzelf. Mijn onderzoeksvraag is: Aan welke eisen dienen reflectie verslagen te voldoen? Een preliminair antwoord is: 1. ze moeten inhoudelijk reflecteren 2. ze moeten voldoen aan het genre-theoretische concept van verslag, dat zich manifesteert in opbouw en taalgebruik. Een afgeleide vraag is: voldoen de zogenaamde reflectieverslagen aan die eisen? Aan de hand van een vijftal reflectieverslagen van studenten zal ik laten zien wat reflectieverslagen reflecteren en aanbevelingen geven voor de didactiek van het schrijven ervan.

div 05/4/183pa

 

 

é

 

ORD  2005

Divisie 6: Leren en Instructie

 

Timeslot 3 – Parallelsessie 6

Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. De invloed van de groepssamenstelling op de participatie en

het elaboratiegedrag van leerlingen in een coöperatieve leersituatie

2. Leren denken strategieën als succesvolle onderwijsvernieuwing in de gammavakken

3. Ervaringen van vierde klassers in de Tweede Fase (VO) en de relatie met leerstijlkenmerken

Í

 

De invloed van de groepssamenstelling op de participatie en

het elaboratiegedrag van leerlingen in een coöperatieve leersituatie

 

E. Denessen en S. Veenman

Radboud Universiteit Nijmegen

e.denessen@pwo.ru.nl

 

Synopsis

 

In dit onderzoek wordt nagegaan of de samenstelling van de coöperatieve leergroep, in termen van schoolse leerprestaties en geslacht, invloed heeft op het participatie- en uitleg- of elaboratiegedrag en de leerprestaties van de leerlingen. Aan de studie namen 48 leerlingen van de zeven basisscholen deel (groep 8). Een hoog presterende leerlingen werd aselect gekoppeld aan een gemiddeld presterende leerling en een gemiddeld presterende leerling aan een laag presterende leerling. Aan de duo’s werd een rekentoets voorgelegd. Het samenwerkingsproces werd op video vastgelegd en geanalyseerd. De voornaamste bevinding was dat leerlingen met het hoogste prestatieniveau in het duo meer participeerden, meer (correcte) uitleg gaven en meer presteerden op de rekentoets dan leerlingen met het laagste prestatieniveau in het duo; ofwel: “de rijken werden rijken en de armen werden armer”.

div 06/3/9pa

Í

 

Leren denken strategieën als succesvolle onderwijsvernieuwing in de gammavakken

 

J. van der Schee

Onderwijscentrum Vrije Universiteit Amsterdam

L. Vankan

Instituut voor Leraar en School – Radboud Universiteit Nijmegen

j.vanderschee@ond.vu.nl

 

Synopsis

 

Hoewel de meeste Nederlandse docenten en leerlingen voorstanders zijn van het idee van actief en zelfstandig leren, laat de uitvoering in de dagelijkse praktijk van het voortgezet onderwijs nog wel eens te wensen over. Het lesboek ‘Leren denken met aardrijkskunde’ dat gebaseerd is op ideeën van de Engelsman Leat valt goed bij leerlingen en docenten. Het biedt docenten zicht op hoe leerlingen denken. Leerlingen worden erdoor gemotiveerd en uitgedaagd tot nadenken. Het biedt een goede vorm voor datgene waarvoor leerlingen naar school willen komen, namelijk aantrekkelijke lessen waarin zij samen met medeleerlingen en de docent stukjes van de puzzel die de wereld om ons heen is, leren duiden, ordenen en bediscussiëren. De klas als ‘learning community’, waarbij transfer van kennis en metacognitie een belangrijke rol spelen. In dit paper wordt ingegaan op leerlingen ook beter leren denken aan de hand van dit nieuwe lesmateriaal.

div 06/3/15pa

 

Í

 

Ervaringen van vierde klassers in de Tweede Fase (VO) en de relatie met leerstijlkenmerken

 

 

K.D. Könings, S. Brand-Gruwel en Jeroen J.G. van Merriënboer

Open Universiteit Nederland, Onderwijstechnologisch Expertisecentrum

Karen.Konings@ou.nl

 

Synopsis

 

Hoe leerlingen een leeromgeving ervaren, is bepalend voor hun leergedrag en de uiteindelijke leerprestaties. Het is daarom belangrijk om zicht te hebben op deze ervaringen van leerlingen. In deze studie zijn de ervaringen, wensen en tevredenheid van 4e klassers (VO) gemeten, als ook hun leerstijl. Uit de resultaten blijkt dat leerlingen het onderwijs slechts ten dele ervaren als een krachtige leeromgeving. Verder blijkt dat ze wel een krachtige leeromgeving wensen en met een aantal aspecten van de leeromgeving duidelijk ontevreden zijn. Er blijkt een opmerkelijke samenhang te zijn met leerstijlkenmerken: wenselijke leerstijlkenmerken (zoals persoonlijk geïnteresseerde leeroriëntatie) dragen bij aan hoge ervaringscores en tevredenheidscores. Onwenselijke leerstijlkenmerken (zoals stuurloos leergedrag) dragen bij aan lage ervaringscores en tevredenheidscores. Implicaties van deze resultaten zullen worden besproken.

div 06/3/101pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 7: Methodologie en Evaluatie

 

Timeslot 3 – Parallelsessie 7

Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Is schooleffectiviteit een meetbaar concept?

Reflecties over verschillende keuzes bij schooleffectiviteitsonderzoek

 

Voorzitter:

P. Van Petegem

Universiteit Antwerpen, Instituut voor Onderwijs- en Informatiewetenschappen

 

Auteurs van de papers:

R. Rymenans

Universiteit Antwerpen, Instituut voor Onderwijs- en Informatiewetenschappen

H. van den Bergh

Universiteit Utrecht, UiL OTS

S. De Maeyer

Universiteit Antwerpen, Instituut voor Onderwijs- en Informatiewetenschappen

sven.demaeyer@ua.ac.be

 

Discussiant:

H. Luyten

Universiteit Twente, Afdeling Onderwijsorganisatie en -management

 

Synopsis

 

Onderzoek naar schooleffectiviteit gaat, zoals elk onderzoek, gepaard met een hele reeks keuzes die gemaakt moeten worden. Het zijn deze keuzes die het onderwerp uitmaken van dit symposium. We gaan na aan welke methodologische vereisten schooleffectiviteitsonderzoek moet voldoen om aan de hand van de bevindingen generaliseerbare uitspraken te kunnen doen over kenmerken van effectieve scholen. Vanuit drie verschillende invalshoeken wordt gereflecteerd over de methodologische keuzes in effectiviteitsonderzoek en hun gevolgen voor de resultaten. De eerste bijdrage zoomt in op de keuze van de afhankelijke variabelen. Bijdrage 2 staat stil bij de wijze waarop longitudinale data in schooleffectiviteitsonderzoek het best gemodelleerd worden. De derde bijdrage behandelt de veronderstelde relaties tussen schoolkenmerken en leerlingprestaties en de invloed daarvan op de bevindingen.

div 07/4/165sy

 

é

 

 

 

 


ORD  2005

Divisie 7: Methodologie en Evaluatie

 

Timeslot 3 – Parallelsessie 8

Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Validiteit van leerlingpercepties van hun leeromgeving

2. Een kwestie van volgorde: De scoring van ordeningsvragen

Í

 

 

Validiteit van leerlingpercepties van hun leeromgeving

 

P. den Brok en M. Brekelmans

IVLOS, Universiteit Utrecht

T. Wubbels

Instituut voor Pedagogiek en Onderwijskunde, Universiteit Utrecht

p.j.denbrok@ivlos.uu.nl

 

Synopsis

 

In onderzoek naar de percepties van leerlingen van hun leeromgeving krijgt men te maken met een meerniveau-situatie (leerling, klas, docent, school). Deze meerniveau-situatie heeft consequenties voor de wijze waarop variabelen geconceptualiseerd kunnen worden (gericht op individuele leerlingen of op de hele groep), op de operationalisatie van variabelen (gaat men uit van individuele of klaspercepties) en op de analyse van gegevens (gebruikt men traditionele analyses of meerniveau analyses). In dit onderzoek bestuderen we de percepties van leerlingen van het interpersoonlijk gedrag van hun docenten. Dit gedrag kan beschreven worden met een circumplex model waarin twee dimensies centraal staan, namelijk invloed en nabijheid. Leerlingpercepties werden geoperationaliseerd met behulp van de Vragenlijst Interpersoonlijk Leraarsgedrag. De validiteit van de leerlingpercepties is vastgesteld met behulp van zowel traditionele als meerniveau structurele modelanalyses. Uit de resultaten blijkt dat een meerniveau-analyse noodzakelijk is om modelfit aan te kunnen tonen.

div 07/5/55pa

 

Í

 

Een kwestie van volgorde: De scoring van ordeningsvragen

 

T. Eggen en T. Lampe

Cito

theo.eggen@cito.nl

 

Synopsis

 

Ordeningsvragen zijn vragen, waarbij kandidaten een aantal objecten in een bepaalde volgorde moeten zetten. Deze volgorde kan gebaseerd zijn op verschillende ordeningsprincipes, zoals bijvoorbeeld chronologisch. Ordeningsvragen is een van de vraagtypen die door de eenvoudige toepassing ervan in computertoetsen aan populariteit wint. Onderzocht is welke verschillende methoden voor de scoring van de antwoordpatronen op ordeningsvragen er zijn en welke methode de hoogste betrouwbaarheid geeft.

Een vijftal verschillende scoringsmethoden zijn gespecificeerd en onderzocht. Vier polytome en de dichotome scoringsmethode. Bij verschillende verdelingen van kennisniveaus in de populatie geeft een van onderzochte polytome scoringsmethodes steeds de hoogste betrouwbaarheid.

div 07/5/162pa

 

é

 

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 8: Onderwijs en Samenleving

 

Timeslot 3 – Parallelsessie 9

Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Tien voor wiskunde?:

Op zoek naar succesfactoren voor wiskundeprestaties

in Vlaanderen en Nederland

 

Voorzitter:

J. Van Damme

K.U.Leuven, Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –Evaluatie

K. Tj. Bos

Inspectie Onderwijs, Zwolle

 

Auteurs van de papers:

M.-C. Opdenakker, A. van den Broeck en J. Van Damme

K.U.Leuven, Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –Evaluatie

B.G. Doornekamp

Universiteit Twente, Fac. Gedragswetenschappen

A. van den Broeck en J. Van Damme

K.U.Leuven, Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –Evaluatie

M.R.M. Meelissen

Universiteit Twente, Fac. Gedragswetenschappen

meelissen@edte.utwente.nl

 

Discussiant:

K. Tj. Bos

Inspectie Onderwijs, Zwolle

J. Van Damme

K.U.Leuven, Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –Evaluatie

 

 

Synopsis

 

Vlaamse en Nederlandse leerlingen zijn goed in wiskunde. Zo goed zelfs dat beide landen in de internationale top tien staan van de best presterende landen. Dezelfde leerlingen vinden wis­­kunde echter niet erg interessant en weinig relevant. Daarom staat Vlaanderen laag en Neder­­land zelfs helemaal onderaan op de internationale ranglijst voor de waardering van wis­kunde. Dit blijkt uit TIMSS-2003 (Trends in International Mathematics and Science Study); een interna­tionaal vergelijkend onderzoek waarin wereldwijd 10- en 14-jarige leerlin­gen ge­toetst zijn op hun kennis van de exacte vakken. Verder verzamelt TIMSS infor­matie over de ge­toetste leer­lingen, leraren, scholen en de dagelijkse onderwijspraktijk. In dit sym­po­sium wordt bediscussieerd in hoeverre school-, klas- en leerlingkenmerken—en in het bij­zonder wis­kunde­­­­attitude—bijdragen tot het succes van het Vlaamse en Nederlandse wiskundeonderwijs.

div 08/5/87sy

 

é

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 10: Vakdidactiek

 

Timeslot 3 – Parallelsessie 10

Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Historische kennis en het contextualiseren van historische verschijnselen: een expert-novietenstudie

2. Onterecht proportioneel redeneren:

Een literatuuronderzoek vanuit een conceptueel perspectief

3. Natie als (de)constructie in onderwijs en lerarenopleiding

Í

 

Historische kennis en het contextualiseren van historische verschijnselen: een expert-novietenstudie

 

C. van Boxtel

Universiteit van Amsterdam, Instituut voor de Lerarenopleiding

J. van Drie

Universiteit Utrecht, Onderwijskunde

C.vanBoxtel@fss.uu.nl

 

Synopsis

 

Een historisch of hedendaags verschijnsel in een historische context kunnen plaatsen is een belangrijke leeropbrengst van het geschiedenisonderwijs. Er is echter nog weinig bekend over hoe leerlingen een historische context opbouwen en welke historische kennis en kennisstructuren het contextualiseren faciliteren dan wel belemmeren. In een expert-novieten studie is onderzocht welke historische kennis en kennisstructuren gebruikt worden bij het contextualiseren. Aan het onderzoek namen tien leerlingen van 3 vmbo (novices), tien leerlingen van 5 vwo (intermediates) en zes geschiedenisleraren (experts) deel.  Zij werkten aan een drie contextualiseringstaken. De deelnemers werkten samen in tweetallen en moesten op basis van hun voorkennis beredeneren met welke historische ontwikkeling en periode een aantal voorgelegde bronnen te maken had. De verschillen tussen experts en novieten zijn met behulp van de onderscheiden categorieën kwantitatief en kwalitatief beschreven. Uit de analyses blijkt dat experts en beginners van elkaar verschillen in de soort historische kennis die gebruikt wordt bij het opbouwen van een historische context. De kennisstructuren die experts gebruiken zijn uitgebreider, gedetailleerder en coherenter, zijn in sterkere mate multidimensionaal en bevatten meer causale relaties. Novieten maken gebruik van een eenvoudig chronologisch referentiekader en gebruiken daarnaast ook een 'vooruitgangsschema': het verloop van de geschiedenis opgevat als vooruitgang.

div 10/2/58pa

Í

 

 

Onterecht proportioneel redeneren:

Een literatuuronderzoek vanuit een conceptueel perspectief

 

D. De Bock 1 2, W. Van Dooren 1 3, D. Janssens 4 en L. Verschaffel 1

1 Centrum voor Instructiepsychologie en –Technologie (CIP&T), K.U.Leuven,

EHSAL – Europese Hogeschool Brussel en

3Aspirant van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (F.W.O.) – Vlaanderen

4 Departement Wiskunde, K.U.Leuven

dirk.debock@ehsal.be

 

Synopsis

 

We onderwerpen de verschillende uitingen van “onterecht proportioneel redeneren” door leerlingen aan een conceptuele analyse met als doel een beter begrip te krijgen van de universaliteit en diversiteit van dit fenomeen. Voor elke uiting gaan we na welke eigenschappen van proportionele relaties onterecht aangewend worden en geven we een bondig overzicht van de empirische kennisbasis betreffende de gemaakte fout. We analyseren ook de psychologische en onderwijskundige elementen die verantwoordelijk lijken voor het ontstaan en het voortbestaan van dit fenomeen. We tonen aan dat de belangrijkste verklaringselementen te vinden zijn in (1) het sterk intuïtieve karakter van lineaire modellen en hun bruikbaarheid in het dagelijkse leven, (2) enkele praktijken in het (wiskunde)onderwijs en (3) elementen die gerelateerd zijn aan de specifieke wiskundige of wetenschappelijke context waarin de proportionele fout zich voordoet.

div 10/2/213pa

 

Í

 

 

Natie als (de)constructie in onderwijs en lerarenopleiding

 

A. Mottart, R. Soetaert & I. Verdoodt

Universiteit Gent - Vakgroep Onderwijskunde

Andre.mottart@UGent.be

 

Synopsis

 

Vandaag stellen we vast dat concepten als nationale identiteit en nationale cultuur geproblematiseerd worden in de openbaarheid en in de wetenschappelijke literatuur. Deze ontwikkkelingen zijn bijzonder betekenisvol voor het onderwijs. Immers, het tradionele onderwijs in het Westen sluit aan bij de 19de eeuwse invulling en missie van natievorming en is daardoor van oudsher sterk gericht op de 'vaderlandse' geschiedenis en op sterk nationaal geïnspireerde historische en literaire overzichten - de canon. Vanaf de jaren zestig in de vorige eeuw kwamen aanzetten tot correcties op die canon vanuit disciplines als gender studies, cultural studies, new historicism... Tot vandaag zijn fricties voelbaar binnen het curriculum tussen die correcties en de tradionele invulling van de canon. Voor leraren  - en dat is niet anders voor leraren-in-opeiding - zorgen die voor een bron van spanning die hun functioneren onder druk zet of op zijn minst complexer maakt.

We presenteren u een kwalitatief onderzoek waarin wij de (de)constructie van de nationale cultuur als inhoud van het curriculum in het onderwijs in vraag stellen. Meer specifiek spitst onze onderzoeksvraag zich toe op het curriculum van de Academische Initiële Lerarenopleiding (leraren talen, geschiedenis, kunst).

div 10/2/216pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 11: Gender en onderwijsonderzoek

 

Timeslot 3 – Parallelsessie 11

Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u

 

Í

Twee paperpresentaties:

1. Doen ‘echte kerels’ er wel toe?: Effecten van het geslacht van leerkrachten op de prestaties, de houding en het gedrag van leerlingen

2. Feminisering van het docentenberoep (1945-2000):

Mythe versus historische empirie

Í

 

Doen ‘echte kerels’ er wel toe?

Effecten van het geslacht van leerkrachten op de prestaties, de houding en het gedrag van leerlingen

 

G. Driessen

ITS - Radboud Universiteit Nijmegen

g.driessen@its.ru.nl

 

Synopsis

 

Het aantal vrouwelijke leerkrachten op basisscholen neemt gestaag toe. Het idee leeft dat door deze feminisering van het onderwijs jongens mannelijke rolmodellen moeten missen. Daardoor zouden jongens het in het onderwijs slechter zijn gaan doen dan meisjes. Of dat ook werkelijk zo is, is echter onbekend. Met behulp van gegevens uit het PRIMA-cohortonderzoek is nagegaan in hoeverre er effecten zijn van het geslacht van de leerkrachten. Op de eerste plaats bleek dat vrouwelijke leerkrachten nauwelijks verschilden van hun mannelijke collega’s wat betreft hun achtergronden, werkomstandigheden en werkwijze. Op de tweede plaats verschilden de prestaties van jongens en meisjes niet significant. Wel scoorden meisjes wat hoger op welbevinden, werkhouding en sociaal gedrag. Op de derde plaats konden er geen effecten worden aangetoond van het geslacht van de leerkrachten op de prestaties, houdingen en gedrag van de leerlingen. Meer mannen voor de klas leidt niet tot betere prestaties en gunstiger gedrag bij jongens (en ook niet bij meisjes).

div 11/3/48pa

Í

 

Feminisering van het docentenberoep (1945-2000):

Mythe versus historische empirie

 

M. van Essen en G. Timmerman

Rijksuniversiteit Groningen, afdeling Pedagogiek en Genderstudies

h.w.van.essen@ppsw.rug.nl

 

Synopsis

 

Het onderwijs feminiseert, dat wil zeggen het aandeel vrouwen voor de klas neemt disproportioneel toe, ook in het voortgezet onderwijs. Aan deze ontwikkeling worden tenminste twee negatieve gevolgen toegeschreven, die elkaar versterken. *) Feminisering  leidt tot statusverlaging van het beroep (de zogenaamde Wet van Sullerot). *) Feminisering leidt tot beroepsinhoudelijke veranderingen zoals een ander didactisch-pedagogisch concept. In dit didactisch-pedagogisch concept staat de leerling centraal (in plaats van de lesstof), gaat het minder om kennis(overdracht) dan om vaardigheden en is samenwerking belangrijker dan prestatie en competitie. Dit zou deprofessionalisering van het lerarenberoep in de hand werken, wat dan weer nadeling is voor de status. Zo ontstaat een spiraal naar omlaag. Het paper zal laten zien dat hierbij sprake is van mythevorming die niet bestand is tegen de historische empirie

div 11/3/91pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 12: Onderzoeksinstrumenten en meten

 

Timeslot 3 – Parallelsessie 12

Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Een typologie van  sociale en cognitieve competenties

2. Praktische vaardigheidstoetsen voor eindtermen wereldoriëntatie (domein natuur) uit het Vlaamse basisonderwijs

3. De Niet Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test (NSCCT)

Í

 

Een typologie van  sociale en cognitieve competenties

 

A.     Claassen en L. Mulder

ITS Radboud Universiteit Nijmegen

a.claassen@its.ru.nl

 

Synopsis

 

Bij het PRIMA-cohortonderzoek was de aandacht tot dusver vooral gericht op het vaststellen van leerachterstan­den bij de autochtone en al­loch­tone achterstands­leer­­lingen. Sociale competenties  van leerlingen hebben minder aandacht gekregen, hoewel de data daarover wel relevante informatie bevatten. Door de toegenomen aandacht – met name ook bij beleidsmakers – voor sociale competenties van leerlingen is het relevant deze gegevens geschikt te maken voor toekomstig beleidsgericht onderzoek. In dit paper wordt een typologie voorgesteld met behulp waarvan beschreven kan worden hoe sociale en cognitieve competenties bij afzonderlijke leerlingen in onderlinge combinatie voorkomen. Dat maakt  het onder meer mogelijk om in het kader van  beleidsgericht onderzoek leerlingen te identificeren bij wie cognitieve en sociale competenties niet parallel lopen.       

div 12/1/97pa

Í

 

Praktische vaardigheidstoetsen voor eindtermen wereldoriëntatie (domein natuur) uit het Vlaamse basisonderwijs

 

M. Van Hulle, R. Janssen en C. Vanderschaeve

Leuvens Instituut Voor Onderwijsonderzoek, Katholieke Universiteit Leuven

M. Crauwels

Academische Lerarenopleiding Biologie, Katholieke Universiteit Leuven

may.vanhulle@ped.kuleuven.ac.be

 

Synopsis

 

Binnen het Vlaamse basisonderwijs kunnen een aantal eindtermen over het domein natuur binnen het vak wereldoriëntatie op basis van een inhoudsanalyse onder de noemer onderzoeks-vaardigheden geplaatst worden. Een peiling naar de beheersing van deze eindtermen lijkt het meest gebaat met praktische vaardigheidstoetsen.

Praktische opdrachten kunnen op een redelijk betrouwbare manier leerlingverschillen in kaart brengen. Uit factoranalyses blijkt dat deze praktische opdrachten meer een beroep doen op taalvaardigheid dan wiskundig denken. Ze vormen dus geen eigen aparte vaardigheidsdimensie.

div 12/1/136pa

 

Í

 

De Niet Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test (NSCCT)

 

Th.A.van Batenburg en  M.P.C. van der Werf

GION/Rijksuniversiteit Groningen

T.A.van.Batenburg@rug.nl

 

Synopsis

 

De Niet Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test (NSCCT) is een klassieke algemene intelligentie tests die verbale-, numerieke- en ruimtelijke items bevat voor groep 4, 6, en 8 van de basisschool. Door zijn klassikale afname en korte afnameduur van een uur is de test geschikt om in de schoolpraktijk te gebruiken. De NSCCT is bedoeld om leerkrachten op de basisscholen objectieve “second opinion” te geven over de niet-schoolse capaciteiten van hun leerlingen. Leraren willen weten hoe goed hun leerlingen op en buiten de school om kunnen leren. Daarmee kunnen ze leerlingen opsporen die onder hun niveau presteren en daar iets aan doen. In groep 8 kan de test tevens worden gebruikt bij het schooladvies. De NSCCT is onlangs genormeerd en op zijn psychometrische kwaliteiten onderzocht. De test is door het Cotan op alle kriteria voldoende tot goed beoordeeld. De resultaten van het psychometrische onderzoek naar de betrouwbaarheid en prediktieve validiteit en de test zelf worden op de ORD gepresenteerd.

div 12/1/204pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 2: Beleid en Organisatie in het Onderwijs

 

Timeslot 4 – Parallelsessie 1

Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u

 

Í

Vier paperpresentaties:

1. De evaluatie van het gebruik en de effecten van een zelfevaluatie instrument: ZEBO

2. De invloed van schoolleiders in het voortgezet onderwijs op de betrokkenheid en prestaties van leerlingen

3. Het WSNS-beleid in de praktijk

4. De implementatie van het gelijke onderwijskansendecreet

Hoe scholen beleid in praktijk omzetten

Í

 

De evaluatie van het gebruik en de effecten van een zelfevaluatie instrument: ZEBO

 

K. Schildkamp

M.A. Hendriks

Universiteit Twente

k.schildkamp@utwente.nl

 

Synopsis

 

Scholen zijn steeds meer zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs. ZEBO (ZelfEvaluatie BasisOnderwijs) is een zelfevaluatie-instrument dat basisscholen kunnen gebruiken om de kwaliteit van hun onderwijs op het niveau van zowel de klassen als de school te evalueren en te verbeteren. In 2002 is er aan de Universiteit Twente een onderzoek gestart naar het gebruik en de effecten van ZEBO onder 70 Nederlandse Basisscholen. Tijdens de presentatie op de ORD2005 zal ingegaan worden op de resultaten van dit onderzoek. Hoe hebben scholen ZEBO gebruikt en wat zijn de effecten van het gebruik (o.a. op de leerprestaties van leerlingen)? Waarom is het een aantal scholen wel gelukt om de resultaten van ZEBO te gebruiken om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren waar andere scholen dit niet gelukt is? Wat kan scholen helpen om het gebruik van een zelfevaluatie-instrument zo effectief mogelijk te maken?

div 02/4/36pa

Í

 

De invloed van schoolleiders in het voortgezet onderwijs op de betrokkenheid en prestaties van leerlingen

 

G. ten Bruggencate en B. Witziers

Universiteit Twente, Faculteit Gedragswetenschappen,

afdeling Onderwijsorganisatie en –management

F. Geijsel

Universiteit van Amsterdam, SCO-Kohnstamm Instituut, Instituut voor de Lerarenopleiding (ILO)

g.c.tenbruggencate@utwente.nl

 

Synopsis

 

Welke invloed hebben schoolleiders op de onderwijsresultaten? Om uit te zoeken wat precies de effecten zijn van onderwijskundige sturing door schoolleiders, is een grootschalig onderzoek opgezet, waaraan door 100 scholen voor voortgezet onderwijs in Nederland werd meegewerkt. Verondersteld wordt dat schoolleiders door gerichte activiteiten en gedragingen een zodanige onderwijsorganisatie en –cultuur weten te scheppen dat vervolgens de uitvoering van het onderwijs, de leerprestaties en de schoolbeleving van leerlingen zullen verbeteren. De eerste uitkomsten van het onderzoek wijzen erop dat er twee typen schoolleiders te onderscheiden zijn: aan de ene kant schoolleiders die er vooral op gericht zijn om de schoolorganisatie goed te laten draaien en aan de andere kant schoolleiders die steeds streven naar een goede afstemming op de buitenwereld. In het voorjaar van 2005 komen meer resultaten ter beschikking, bijvoorbeeld over de samenhang tussen schoolleiderskenmerken en de schoolcultuur en –organisatie. 

div 02/4/118pa

 

Í

 

Het WSNS-beleid in de praktijk

 

Th.A.van Batenburg

GION Rijksuniversiteit Groningen

t.a.van.batenburg@ppsw.rug.nl

 

Synopsis

 

Het “Weer Samen Naar School“-beleid wil het aantal leerlingen in het speciale basisonderwijs (SbaO) verminderen. Wanneer de deelnamepercentages aan het SbaO dalen komen er middelen bij het samenwerkingsverband van scholen (SWV) vrij, die gebruikt kunnen worden voor de opvang van zorgleerlingen in het basisonderwijs. Uiteindelijk is 3.8% van de middelen beschikbaar voor zorgleerlingen. Het SWV is bij de verdeling hiervan niet meer afhankelijk van het aantal leerlingen op het SbaO. Er worden drie groepen van vijf SWV’s onderscheiden: de onsuccesvolle (stijgende deelnamepercentages), de neutrale (stabiele deelnamepercentages) en de succesvolle groep (dalende deelnamepercentages). Middels interviews is onderzocht wat de verschillen zijn tussen deze drie groepen: hoe verschillende actoren (coördinator, schooldirecteuren van BaO en SbaO en interne begeleiders in het BaO) binnen het SWV denken over het WSNS-beleid en hoe het door hen is geïmplementeerd.. WSNS is een succesvolle maatregel om de kosten te beheersen. Het grijpt in op boven school- en klasniveau met name door nascholing van leerkrachten en de aanstelling van interne begeleiders. De invloed op het primaire proces van onderwijs in de klas is gering.

div 02/4/69pa

Í

 

De implementatie van het gelijke onderwijskansendecreet

Hoe scholen beleid in praktijk omzetten

 

I. Buvens Ina en J.C. Verhoeven

K.U.Leuven, Centrum voor Onderwijssociologie

J. Vanhoof en P. Van Petegem

Universiteit Antwerpen, onderzoeksgroep EduBROn

Jan.vanhoof@ua.ac.be

 

Synopsis

 

In 2002 werd in Vlaanderen het gelijke onderwijskansenbeleid (GOK) ingevoerd. Hierdoor kregen heel wat scholen extra uren om aan gelijke onderwijskansen te werken. De manier waarop zij concreet met die GOK-uren omgingen, konden zij zelf invullen. Hiertoe kregen zij de nodige beleidsruimte. Daarnaast waren er een aantal stappen die iedere GOK-school moest doorlopen. In de paper gaan we na hoe het GOK-beleid in de scholen onthaald werd en hoe het werd geïmplementeerd. Uit deze bespreking zullen zowel knelpunten als succesfactoren naar voren komen, die ons in staat stellen een aantal mogelijke beleidslijnen voor de toekomst te formuleren.

div 02/4/207pa

 

é

 

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 4: Hoger Onderwijs

 

Timeslot 4 – Parallelsessie 2

Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Onderwijsvernieuwing in het Vlaamse universitaire onderwijs

 

Voorzitter:

W. Jochems

Open Universiteit Nederland

wim.jochems@ou.nl

 

Discussianten:

N. Vercruysse

Departement Onderwijs van de Ministerie Vlaamse Gemeenschap

J. Lenaerts

Universiteit Gent

G. Eisendrath

Vrije Universteit Gent

J. Elen

Katholieke Universiteit Leuven

 

Synopsis

 

De Vlaamse Minister voor Onderwijs en Vorming heeft het afgelopen decennium verschillende initiatieven genomen om onderwijsvernieuwing aan de Vlaamse universiteiten te bevorderen. Daarbij is onderwijsvernieuwing steeds meer verknoopt geworden met het onderwijsbeleid van de instelling. Dat roept vragen op. Wie is er eigenlijk verantwoordelijk voor universitaire onderwijsvernieuwing en hebben alle betrokkenen hun rol goed gespeeld? Waar ligt de regie en hoe die vorm te geven? Is het effectief om vernieuwing aan instellingsbeleid te koppelen en beklijft zo’n vernieuwing? Heeft onderwijsresearch hierin enige rol gespeeld en hoe komt dat?

In de vorm van een paneldiscussie zullen een vijftal deskundigen die in verschillende rollen en met uiteenlopende verantwoordelijkheden hierbij betrokken waren, deze en ander vragen op beknopte wijze trachten te beantwoorden en de discussie aangaan met de zaal.

div 04/4/19sy

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 5: Lerarenopleiding en Leraarsgedrag

 

Timeslot 4 – Parallelsessie 3

Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u

 

Í

Vier paperpresentaties:

1. Het belang van de lerarenopleiding voor de beroepsbetrokkenheid en de instroom in het lerarenberoep van de afgestudeerden

2. Informele leeractiviteiten van docenten op de werkplek

3. Bepalen kenmerken de kwaliteit?:

Onderzoek naar het verband tussen de kenmerken van het onderwijspersoneel en de kwaliteit van het onderwijsleerproces

4. Het erkennen van verworven competenties voor nieuw en zittend onderwijspersoneel: Een nulmeting

Í

 

 

Het belang van de lerarenopleiding voor de beroepsbetrokkenheid en de instroom in het lerarenberoep van de afgestudeerden

 

I. Rots

Vakgroep Onderwijs Universiteit Gent

Isabel.Rots@UGent.be

 

Synopsis

 

Deze studie wil inzicht geven in de relatie tussen de lerarenopleiding en de instroom in het lerarenberoep (eerste job) van de afgestudeerden. Voorspellende variabelen verwijzen naar de lerarenopleiding, de integratie in het lerarenberoep en de betrokkenheid bij het lerarenberoep. De samenhang tussen deze factoren en de eerste jobkeuze (al dan niet lerarenberoep) wordt onderzocht. Daarnaast worden de interrelaties tussen de voorspellende variabelen bestudeerd.

De resultaten geven aan dat betrokkenheid bij het lerarenberoep één van de belangrijkste antecedenten is van instroom in het lerarenberoep. Verder blijkt betrokkenheid direct gerelateerd aan de mate waarin mentoren hun rol als beoordelaar hebben opgenomen. Andere variabelen (o.a. ondersteuning door lectoren/docenten; type lerarenopleiding) zijn indirect gerelateerd aan betrokkenheid, hun invloed verloopt via de doelmatigheidsbeleving en de professionele oriëntatie van de afgestudeerde.

div 05/5/11pa

Í

 

Informele leeractiviteiten van docenten op de werkplek

 

 

A. Hoekstra, M. Brekelmans en F. Korthagen

Universiteit Utrecht (UU), Instituut voor lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Studievaardigheden (IVLOS). afdeling:  wetenschappelijk onderzoek (WO)

a.hoekstra@ivlos.uu.nl

D. Beijaard

Universiteit Leiden, Interfacultair Centrum voor Lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Nascholing (ICLON)

 

Synopsis

 

In deze paper wordt ingegaan op een onderzoek naar de informele leeractiviteiten van ervaren middelbare school docenten binnen de context van de invoering van de Tweede Fase. De term “informeel leren” refereert in deze studie aan “het leren in en van de dagelijkse werkpraktijk, dat niet georganiseerd wordt door externe actoren”. In het onderzoek worden 33 middelbare school docenten over een periode van 14 maanden gevolgd. Alle docenten is gevraagd een digitaal logboek in te vullen, waarin zij voor hen belangrijke leerervaringen rapporteren. Om daarnaast ook zicht te krijgen op leerprocessen waarvan de docenten zelf zich minder bewust zijn, worden zes van deze 33 docenten intensief gevolgd. Gedurende een schooljaar wordt iedere zes weken een van hun lessen op video opgenomen en zij worden na de les geïnterviewd aan de hand van deze opname. Tijdens de paperpresentatie zullen wij onze analyse van informele leeractiviteiten aan de hand van data illustreren.

div 05/5/157pa

 

Í

 

Bepalen kenmerken de kwaliteit?:

Onderzoek naar het verband tussen de kenmerken van het onderwijspersoneel en de kwaliteit van het onderwijsleerproces

 

R. Doehri-Plomp en M. Klerks

Inspectie van het Onderwijs

R.Doehri-Plomp@owinsp.nl

 

Synopsis

 

Het lerarenberoep verandert snel van karakter, niet alleen door de eisen die aan de inhoud van het beroep worden gesteld, maar ook door degenen die het beroep vervullen. Denk hierbij aan vergrijzing en feminisering van de beroepsgroep, en aan de verscheidenheid in (opleidings)achtergrond.  In de meeste studies waar kenmerken van leraren centraal staan, wordt gekeken naar het effect op het gedrag en leerprestaties van leerlingen. In deze exploratieve studie onderzoeken wij juist of er een verband kan worden gelegd tussen de kenmerken van het onderwijspersoneel en de kwaliteit van het onderwijsleerproces. In de eerste deelstudie geven wij antwoord op de vraag of er een relatie bestaat tussen de personeelssamenstelling van een school en het oordeel van de Inspectie van het Onderwijs over de kwaliteit van de school. In de tweede deelstudie gaat het om het verband tussen de achtergrondkenmerken van een leraar, zoals geslacht, ervaring en  bevoegdheid, en de oordelen van de inspectie over de kwaliteit van het lesgeven.

div 05/5/164pa

Í

 

Het erkennen van verworven competenties voor nieuw en zittend onderwijspersoneel: Een nulmeting

 

A. Klaeijsen

Kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt

a.klaeijsen@kenniscentrum-ba.nl

C. van Osch

Cinop

 

Synopsis

 

Eén van de ambities van het Nederlandse Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is dat in 2007 opleidingsinstituten en onderwijsinstellingen over instrumenten beschikken op basis waarvan elke (toekomstige) beroepsbeoefenaar kan aantonen over welke competenties hij/zij beschikt. Het erkennen van verworven competenties (EVC) van onderwijspersoneel speelt een belangrijke rol in deze ontwikkeling.

In opdracht van het Ministerie is een nulmeting verricht naar het feitelijk gebruik van EVC door lerarenopleidingen en onderwijsinstellingen anno 2005. De nulmeting laat zien wat er op EVC-gebied gebeurt en wat de positie van EVC is in de samenwerking tussen de opleidingen en onderwijsinstellingen. Deze en andere bevindingen worden in het paper gepresenteerd.

div 05/5/199pa

 

é

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 5: Lerarenopleiding en Leraarsgedrag

 

Timeslot 4 – Parallelsessie 4

Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Het analyseren en beoordelen van docentcompetenties

 

Voorzitter:

D. Beijaard

ICLON, Universiteit Leiden

 

Auteurs van de papers:

M. Goes en M. van der Klink

Ruud de Moor Centrum, Open Universiteit Nederland

D. Sluijsmans en T. van GOG

dominique.sluijsmans@ou.nl

 

OTEC, Open Universiteit Nederland

M. Dreesen

Ruud de Moor Centrum, Open Universiteit Nederland & Fontys Lerarenopleiding Sittard

M. Bakker en D. Beijaard

ICLON, Universiteit Leiden

E. Roelofs

CITO-groep Arnhem

M.F. van der Schaaf en K.M. Stokking

Capaciteitsgroep Onderwijskunde, Fac. Sociale Wetenschappen, Universiteit Utrecht

N. Verloop

ICLON, Universiteit Leiden

 

Discussiant:

M. Brekelmans,

IVLOS, Universiteit Utrecht

 

Synopsis

 

De grootste verandering in de assessment van (beginnende) docenten is de verschuiving van een test-cultuur naar een assessment-cultuur. Een betere aansluiting tussen instructie, leren en toetsing en een sterk toenemende aandacht voor formatieve assessment, waarbij de nadruk ligt op het verbeteren van leerprocessen van aanstaande docenten en minder op het ‘afrekenen’, zijn kenmerken van de nieuwe assessment-cultuur die tevens zijn ingegeven door moderne opvattingen over het docentschap. Daarnaast zijn assessments tegenwoordig sterk gekoppeld aan de competenties die aan een startende docent worden gesteld. Ook dit stelt nieuwe eisen aan de assessment. De behoefte aan meer inzicht en richtlijnen omtrent het beoordelen van docentcompetenties blijft echter bestaan. Hoe kom je nu bijvoorbeeld tot een goede vertaling van competenties naar beroepssituaties? En hoe kunnen docenten demonstreren dat ze bepaalde competenties beheersen? Cruciale vraag is vervolgens hoe je tot een gevalideerde en betrouwbare beoordeling kunt komen van een competentie. In het voorgestelde symposium worden drie projecten gepresenteerd die mogelijk antwoorden bieden op bovenstaande vragen rondom de analyse en beoordeling van kritische beroepssituaties als ook de validiteit van deze beoordeling.

div 05/6/89sy

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 6: Leren en Instructie

 

Timeslot 4 – Parallelsessie 5

Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Het gebruik van authentieke taken in de vormgeving

van onderwijs in VO en HO

 

Voorzitter:

A. Pilot

IVLOS & Chemiedidactiek / Universiteit Utrecht

a.pilot@ivlos.uu.nl

 

Auteurs van de papers:

S. Ramaekers

IVLOS / Universiteit Utrecht

A. Bulte

Centrum Didactiek Wiskunde & Natuurwetenschappen Universiteit Utrecht

& Onderwijscentrum, Vrije Universiteit

H. ten Berge

IVLOS / Universiteit Utrecht

 

Discussiant:

J. van den Akker

Universiteit Twente, Fac. Gedragswetenschappen

 

 

In toenemende mate worden in het voortgezet en hoger onderwijs levensechte situaties en problemen gebruikt als startpunt voor het verwerven van kennis, inzichten en competenties. Wanneer zorgvuldig geselecteerd en voor onderwijs vormgegeven kunnen authentieke problemen krachtige leersituaties oproepen die als uitdagend worden ervaren. Vooral afstemming van de taak (mate van complexiteit, authenticiteit, etc) op het probleemoplossend vermogen van de leerling c.q. student, is daarbij van belang. In dit symposium presenteren we de eerste resultaten van drie studies in het voortgezet en hoger onderwijs naar condities waaronder het gebruik van authentieke taken resulteert in zinvolle en efficiënte leeractiviteiten. Daarbij zullen we ingaan op de overeenkomsten en domeinspecifieke verschillen voor wat betreft een werkzame vormgeving van authentieke taken en de vertaling van vraagstukken uit de handelingspraktijk naar de onderwijspraktijk.

div 06/4/173sy

 

é

 

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 7: Methodologie en Evaluatie

 

Timeslot 4 – Parallelsessie 6

Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u

 

Í

Vier paperpresentaties:

1. Het absoluut effect van onderwijs

2. Meten van Tweetaligheid in het Nederlandstalig Onderwijs in Brussel: Methodologische aspecten van een longitudinaal onderzoek

3. Evaluatie van elektronische leeromgevingen (ELO’s) in de lerarenopleiding: Een ontwerp van een instrument om de aansturing van het leerproces in ELO’s te evalueren

4. Peiling informatieverwerving en –verwerking

in de eerste graad van de A-stroom in het Vlaamse secundair onderwijs

 

Í

 

Het absoluut effect van onderwijs

 

H. Luyten

Universiteit Twente

j.w.luyten@gw.utwente.nl

 

Synopsis

 

De bijdrage laat zien hoe multilevel-analyse gecombineerd kan worden met het regression-discontinuity design. Met multilevel-analyse worden relative schooleffecten in kaart gebracht (verschillen tussen scholen), terwijl regression-discontinuity het mogelijk maakt om het absolute effect van onderwijs (wel of geen onderwijs) te bepalen. Een combinatie van beide methoden levert een schatting op van het absolute effect, maar ook van de mate waarin scholen in dit opzicht van elkaar verschillen. De onderzochte data-set bevat testscores in twee opeenvolgende leerjaren. Per leerjaar wordt het effect van leeftijd op leerprestaties berekend. Als er sprake is van een onderwijseffect, zal een discontinuïteit worden vastgesteld tussen de oudste leerlingen in het laagste leerjaar en de jongste in het hoogste leerjaar. Deze discontinuïteit geeft het effect van een jaar onderwijs weer. Behalve duidelijke effecten van onderwijs laten de analyses ook grote verschillen tussen scholen zien.

div 07/6/17pa

Í

 

Meten van Tweetaligheid in het Nederlandstalig Onderwijs in Brussel: Methodologische aspecten van een longitudinaal onderzoek

 

A. Housen, S. Janssens, M. Pierrard & L. Van Mensel

Vrije Universiteit Brussel

Sonja.Janssens@vub.ac.be

 

 

Synopsis

 

In het officieel tweetalige Brussels Hoofdstedelijke Gewest bestaan er twee parallelle onderwijsnetten, een Franstalig en een Nederlandstalig, die onafhankelijk van elkaar functioneren. Toegang tot beide netten is vrij ongeacht de taalachtergrond van de leerling. Vele Franstalige ouders sturen hun kinderen naar het Nederlandstalig Onderwijs in Brussel (NoB) om op deze manier de ontwikkeling van tweetaligheid (Frans-Nederlands) bij hun kinderen optimaal te stimuleren. Als gevolg van deze toestroom van Franstalige leerlingen in het NoB is er een specifieke leercontext ontstaan, die we ongestructureerd immersieonderwijs noemen.

In een vorig cross-sectioneel onderzoek werd zowel de taalvaardigheid van dominant Nederlandstalige en dominant Franstalige leerlingen in beide talen onderzocht als hun attitudes en motivaties t.o.v het Frans en het Nederlands. In deze presentatie bespreken we de resultaten van een longitudinaal vervolgonderzoek dat de ontwikkeling van de taalvaardigheid bij Franstalige en Nederlandstalige leerlingen over een periode van 3 opeenvolgende schooljaren heeft bestudeerd. In het bijzonder bespreken we de ontwikkeling van accuraatheid en complexiteit met de parameter vlotheid als covariant. Om de verzamelde longitudinale gegevens te analyseren gebruikten we een Repeated Measures Manova procedure. Verder besteden we aandacht aan een aantal methodologische aspecten van dit longitudinale onderzoeksdesign en gaan we na in welke mate het cross-sectionele onderzoek en het longitudinale onderzoek hetzelfde beeld geven.

div 07/6/27pa

 

Í

 

Evaluatie van elektronische leeromgevingen (ELO’s) in de lerarenopleiding: Een ontwerp van een instrument om de aansturing van het leerproces in ELO’s te evalueren

 

Y. de Jong, I. Lam en W. Admiraal

IVLOS – Expertisecentrum ICT in het Onderwijs, Universiteit Utrecht

y.c.dejong@ivlos.uu.nl

 

Synopsis

 

In een Europees project met als doel modellen en instrumenten te ontwikkelen voor evaluatie van e-learning is door zeven partners samengewerkt. IVLOS heeft hierbinnen gewerkt aan een ontwerp van een instrument om het didactisch gebruik van elektronische leeromgevingen (ELO’s) binnen de lerarenopleiding te evalueren. Op basis van de sociaal constructivistische ideeën van Jonassen e.a. en de functies die een docent als moderator in de ELO kan hebben (gebaseerd op Paulsen), zijn we gekomen tot een matrix met 12 cellen. Aan de hand van een analyse van cursussen van de IVLOS lerarenopleiding hebben we deze matrix gevuld. Dit leidde uiteindelijk tot een observatie instrument om het didactisch gebruik van elektronische leeromgevingen binnen de lerarenopleiding te evalueren.

Tijdens de presentatie zullen we onze onderzoeksaanpak om tot dit instrument te komen en het instrument zelf toelichten. Tevens doen we verslag van onze laatste bevindingen bij het gebruik van dit instrument.

div 07/6/68pa

 

Í

 

Peiling informatieverwerving en –verwerking

in de eerste graad van de A-stroom in het Vlaamse secundair onderwijs

 

B. Luyten, R. Janssen, D. Van Nijlen en J. Van Damme

Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –evaluatie K.U. Leuven

Barbara.Luyten@ped.kuleuven.ac.be

 

Synopsis

 

Op vraag van de Vlaamse overheid werd op 19 mei 2004 een peiling uitgevoerd naar de beheersing van de eindtermen over informatieverwerving en –verwerking in de 1ste graad van de A-stroom van het secundair onderwijs. Aan de peiling namen 5772 tweedejaars uit 122 scholen deel. Zij maakten toetsen over het raadplegen van (a) referentiewerken, (b) tabellen en grafieken en (c) plannen, tekeningen en kaarten. Uit de resultaten blijkt dat meer dan driekwart van de leerlingen op het einde van de 1ste graad in voldoende mate referentiewerken kunnen raadplegen. Voor het raadplegen van tabellen en grafieken en het raadplegen van plannen, tekeningen en kaarten behaalt respectievelijk 50 en 57% van de leerlingen het minimumniveau. De prestatie-verschillen weerspiegelen vooral verschillen op het niveau van de leerlingen zelf. De verschillen tussen klassen en scholen zijn voornamelijk terug te brengen tot verschillen in basisoptie.

div 07/6/191pa

 

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 8: Onderwijs en Samenleving

 

Timeslot 4 – Parallelsessie 7

Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Doorlopende leerlijnen voor bèta en techniek

 

Voorzitter:

D. Van Dongen

Inspectie Onderwijs Nederland

 

Auteurs van de papers:

J. Kordes en D. van Dongen

Inspectie Onderwijs Nederland

j.kordes@owinsp.nl

J. Onstenk

Hogeschool InHolland/Cinop

 

Discussiant:

P. Boerman

Platform Beta Techniek, Den Haag

 

Synopsis

 

In het verlengde van de EU-afspraken in 2000 in Lissabon willen de Europese lidstaten fors investeren om Europa de meest concurrerende kenniseconomie ter wereld te laten worden, waarbij Nederland binnen de EU een toppositie wil innemen. Daarom is in 2003 het Deltaplan bèta en techniek (OCW, 2003) uitgebracht waarin de ministeries van OCW, EZ en SZW gezamenlijke initiatieven aankondigen die moeten leiden tot een substantiële groei van het aantal bèta’s en technici.

In het onderwijs worden in de hele onderwijskolom activiteiten ondernomen. Grondgedachte van het symposium is dat deze het meest effectief zijn als er in toenemende mate doorlopende leerlijnen ontstaan die geleidelijk van vakken of interessegebieden overgaan in reële en aantrekkelijke beroeps- en loopbaanmogelijkheden. In het symposium wordt ingegaan op techniek in het basisonderwijs, de bètavakken in havo/vwo en de keuzes voor bètastudies en het herontwerp techniek in de beroepskolom vmbo/mbo/hbo.

div 08/6/138sy

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 8: Onderwijs en Samenleving

 

Timeslot 4 – Parallelsessie 8

Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Nederland en Vlaanderen:

Verschillende stelsels, vergelijkbare opbrengsten?

 

Voorzitter:

N. van den Berg

Onderwijsraad, Nederland

n.v.d.berg@onderwijsraad.nl

 

Auteurs van de papers:

I. Waterreus en N. van den Berg

Onderwijsraad, Nederland

I. de Wolf

Inspectie van het Onderwijs, Nederland

R. Vanotterdijk

Inspectie Onderwijs, Vlaanderen

R. Bronneman-Helmers

Sociaal en Cultureel Planbureau, Nederland

 

Discussianten:

J. Perquy

Vlaamse Onderwijsraad

R. Standaert

Dienst voor Onderwijsontwikkeling, Vlaanderen / Universiteit Gent

 

Synopsis

 

Ondanks verschillen in de inrichting van het onderwijs behalen Nederland en Vlaanderen beide goede resultaten bij internationale toetsen zoals PISA. Stelselverschillen zijn bijvoorbeeld: Nederland geeft per student meer uit aan hoger onderwijs, Vlaanderen meer aan voortgezet onderwijs; Nederlandse leraren in het funderend onderwijs moeten relatief harder werken voor hetzelfde salaris; in Nederland hebben leerlingen meer lesuren dan in Vlaanderen; Vlaamse leerlingen hebben meer computers tot hun beschikking, hun leraren echter minder dan hun Nederlandse collega’s.

In dit symposium worden het Nederlands en Vlaamse onderwijs vergeleken met elkaar en met dat in andere Europese landen. Na een overall beeld wordt ingezoomd op een belangrijk stelselverschil tussen Nederland en Vlaanderen: het onderwijstoezicht. Vervolgens komt de betekenis van maatschappelijke ontwikkelingen in Nederland en Europa voor de toekomst van het onderwijs aan bod. Tot slot geven twee referenten de aftrap voor de zaaldiscussie. Wat kunnen Nederland en Vlaanderen van elkaar leren?

div 08/7/139sy

 

é

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 8: Onderwijs en Samenleving

 

Timeslot 4 – Parallelsessie 9

Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Op zoek naar best practices:

Opbrengsten van Amsterdamse Voorscholen

2. Onderzoek van best practices op Amsterdamse Voorscholen

3. Gelijke monniken, gelijke kappen?

Het inspectietoezicht op scholen met veel kansarme leerlingen

Í

 

Op zoek naar best practices:

Opbrengsten van Amsterdamse Voorscholen

 

J. Roeleveld en A. Veen

SCO-Kohnstamm Instituut, Universiteit van Anmsterdam

j.roeleveld@uva.nl

 

Synopsis

 

In dit eerste kwantitatieve deelonderzoek wordt met multi-level analyses nagegaan of er Amsterdamse Voorscholen zijn, waar goede leerlingprestaties worden behaald, vergeleken met de landelijke steekproef van het PRIMA-cohortonderzoek, waarbij gecontroleerd is voor de sociale en etnische herkomst van de leerlingen. In het onderzoek is ook nagegaan of deze Voorscholen in het algemeen beter of slechter ‘presteren’ dan landelijk. Ook kon voor een deel van de leerlingen worden nagegaan of intensieve deelname van de leerlingen aan het volledige VVE-traject vanaf de peuterspeelzaal positieve effecten heeft op de leerlingprestaties.

In de volgende paper worden uitkomsten van nader kwalitief onderzoek bij vijf op deze wijze geselecteerde ‘best pratices’ Voorscholen gepresenteerd.

div 08/4/63pa

Í

 

Onderzoek van best practices op Amsterdamse Voorscholen

 

  1. Veen, M. van Daalen en J. Roeleveld

SCO-Kohnstamm Instituut, Universiteit van Anmsterdam

a.m.veen@uva.nl

 

Synopsis

 

Het kwalitatieve deelonderzoek dat we hier presenteren sluit aan op het kwantitatieve deelonderzoek, gepresenteerd door Roeleveld en Veen eerder in deze sessie. Dit deel resulteerde in een keuze van zes voorscholen waar leerlingen relatief goed bleken te presteren. Het kwalitatieve deel behelst een dieptestudie naar deze zes voorscholen. Een voorschool is een samenwerkingsverband tussen een peuterspeelzaal en de eerste twee groepen van een basisschool, waar door een gezamenlijk pedagogisch programma wordt geprobeerd kinderen uit anderstalige groepen een vliegende start te geven bij intrede in het basisonderwijs. Aan de hand van relevante criteria zijn interview- en observatiegegevens van de zes gekozen voorscholen geanalyseerd. Conclusies zullen worden getrokken over 1) de mate waarin de voorscholen aan de verwachtingen voldoen; 2) de speciale moeilijkheden die ze ondervinden, en 3) de goede oplossingen die op verschillende voorscholen worden gerealiseerd.

div 08/4/64pa

 

Í

 

Gelijke monniken, gelijke kappen?:

Het inspectietoezicht op scholen met veel kansarme leerlingen

 

I. van der Veen en G. Ledoux

SCO-Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam

h.vanderveen@uva.nl

 

Synopsis

 

In Nederland houden inspecteurs van het onderwijs bij het uitvoeren van hun toezichtstaak zoveel mogelijk rekening met de omgeving waarin de school staat, vanuit het besef dat de omgeving een belangrijke factor kan zijn voor het functioneren van de school. In de feitelijke beoordeling van de kwaliteit van de school worden omgevingskenmerken echter slechts op één onderdeel expliciet meegenomen: bij het oordeel over de ‘opbrengsten’ (gemiddelde leerprestaties van de leerlingen) wordt gecorrigeerd voor het leerlingenpubliek van de school.

Uit inspectierapporten blijkt echter dat scholen met veel leerlingen uit achterstandsgroepen (kansarme leerlingen) ook een grotere kans hebben op een negatief oordeel op andere kwaliteitsaspecten, zoals de leertijd, zorg en begeleiding van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Vooral ‘zwarte’ scholen in de grote steden behoren relatief vaak tot de scholen die van de inspectie het oordeel ‘zwak’ tot ‘zeer zwak’ krijgen. We gaan nader in op de achtergronden hiervan aan de hand van een onderzoek naar de relatie tussen schoolkwaliteit en omgevingskenmerken in Utrecht, dat is uitgevoerd in opdracht van de inspectie.

div 08/4/104pa

 

é

 

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 9: ICT en Onderwijs

 

Timeslot 4 – Parallelsessie 10

Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Computergebruik thuis en internetvaardigheid

in het voortgezet onderwijs

2. Elektronische discussiefora: Netiquette versus didactische instructies

3. Self-assessment en kennisconstructie in asynchrone discussiegroepen

 

Í

 

Computergebruik thuis en internetvaardigheid

in het voortgezet onderwijs

 

H. Kuhlemeier en B. Hemker

SCO-Kohnstamm Instituut, Universiteit van Anmsterdam

hans.kuhlemeier@citogroep.nl

 

Synopsis

 

Het vermoeden bestaat dat leerlingen hun digitale vaardigheden vooral verwerven via spontaan en zelfgestuurd leren buiten de school. Naar het effect van het computergebruik in de thuissituatie op de digitale vaardigheden is nog weinig onderzoek gedaan. In deze presentatie brengen wij de internetvaardigheid van leerlingen in het voortgezet onderwijs in verband met het bezit en gebruik van de computer en internet in de thuissituatie. Daarbij wordt ook ingegaan op verschillen tussen leerlingen met een verschillende achtergrond. Het bezit en gebruik van de computer, internet en e-mail in de thuissituatie blijkt een aanzienlijke bijdrage te leveren aan de vaardigheid in het gebruik van het internet en de computer voor school (rekening houdend met diverse achtergrondkenmerken van de leerlingen). Bij de intrede in het voortgezet onderwijs blijken de internetvaardigheden van leerlingen sterk uiteen te lopen. Leerlingen in de basis- en kaderberoepsgerichte leerweg en allochtone leerlingen blijven achter bij respectievelijk havo/vwo-leerlingen en autochtone leerlingen. Dit geldt niet alleen voor het bezit en gebruik van het internet en de computer in de thuissituatie, maar ook voor de vaardigheid in voor school relevante ict-toepassingen. Van een digitale ‘gender gap’ op het gebied van de gemeten internetvaardigheden lijkt nauwelijks sprake.

div 09/3/10pa

Í

 

Elektronische discussiefora: Netiquette versus didactische instructies

 

K. Dierickx

K.U.Leuven, Interfacultair centrum voor Biomedische ethiek en recht

N. Totté

K.U.Leuven, Monitoraat Wetenschappen

A. Deketelaere

K.U.Leuven,  Dienst Onderwijs Geneeskunde

H. Buelens

K.U.Leuven, Dienst Universitair Onderwijs / Informatie & CommunicatieTechnologie in het Onderwijs

 

Herman.Buelens@duo.kuleuven.ac.be

 

Synopsis

 

Onderzoek heeft aangetoond dat op elektronische discussiefora die worden voorafgegaan door ‘didactische’ instructies meer inhoudelijke diepgang wordt gerealiseerd dan opj discussiefora waarbij zulk een introductie ontbreekt.

In de literatuur wordt echter ook gesuggereerd dat kwaliteitsvolle discussies op elektronische fora meer kans op slagen hebben indien de deelnemers de ‘netiquette’ regels kennen en volgen.

In deze bijdrage wordt op basis van onderzoeksgegevens beargumenteerd dat het voorafgaandelijk aanbieden van netiquette instructies juist een inhoudelijke diepgang op elektronische discussiefora kan belemmeren.

div 09/3/169pa

 

Í

 

 

Self-assessment en kennisconstructie in asynchrone discussiegroepen

 

H. Van Keer, B. De Wever en M. Valcke

Universiteit Gent, Vakgroep Onderwijskunde

Hilde.VanKeer@UGent.be

 

Synopsis

 

Recente leer- en instructiebenaderingen beklemtonen het belang van interactie tussen lerenden voor het opbouwen van kennis en wijzen op de effectiviteit van samenwerkend leren op een waaier van leeruitkomsten. Computerondersteund samenwerkend leren (CSCL) wordt daarbij beschouwd als een veelbelovende leeromgeving. Dergelijke werkvormen kunnen echter niet los gezien worden van alternatieve assessmentvormen. In dit onderzoek bij 273 eerstejaarsstudenten Pedagogische Wetenschappen focussen we in het bijzonder op self-assessment, wat kan worden beschouwd als een manier om studenten de rol van actieve deelnemer in hun eigen leerproces te laten opnemen. Deze studie richt zich op twee onderzoeksvragen: (1) zijn studenten via self-assesment in staat hun bijdragen in asynchrone discussiegroepen accuraat te evalueren; en (2) oefent self-assessment een positieve invloed uit op het proces van kennisconstructie. Meer bepaald wordt verondersteld dat studenten doorheen opeenvolgende self-assessmentprocedures evolueren naar meer realistische evaluaties. Rekening houdend met het feit dat self-assessment in de literatuur wordt beschouwd als een manier om het leren van studenten te ondersteunen en te bevorderen, wordt verder verondersteld dat het proces van sociale onderhandeling en kennisconstructie positief wordt beïnvloed en bijgesteld in opeenvolgende discussiesessies.

 

div 09/3/187pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 10: Vakdidactiek

 

Timeslot 4 – Parallelsessie 11

Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

ICT-gebruik in bètavakken

 

Voorzitter:

C. Terlouw

Universiteit Twente, Faculteits Gedragswetenschappen, Instituut ELAN

c.terlouw@utwente.nl

 

Auteurs van de papers:

N. C. Verhoef, C. Terlouw en F. G. M. Coenders

Universiteit Twente, Faculteits Gedragswetenschappen, Instituut ELAN

H. J. Vermaat1, S. Dijkstra2, H. Kramers-Pals1 en C. Terlouw1

1 Universiteit Twente, Faculteits Gedragswetenschappen, Instituut ELAN

2 Universiteit Twente, Fac. Gedragswetenschappen, Afd. Instructietehnologie

A. B. H. Bos1 2 en C. Terlouw1

1 Universiteit Twente, Faculteits Gedragswetenschappen, Instituut ELAN

2 Etty Hillesum, College Deventer

 

Discussiant:

M. Goedhart

Rijksuniversiteit Groningen

 

Synopsis

 

Welk leerdoel in bètavakken als scheikunde, wiskunde, en grensgebieden tussen bèta-vakken wordt het best gediend door welke ICT-applicatie? Het gaat hierbij bijvoorbeeld om leerdoelen als het kunnen werken met abstracte begrippen, het begrijpen van dynamische processen en complexe interacties, en het experimenteren en onderzoek doen met ICT-applicaties als informatiesystemen, interactieve websites, publicatie tools, hulpmiddelen voor visualisering, simulaties, en ‘graphing tools’. De volgende vragen staan op het symposium centraal: (1) Worden de leerdoelen van de betreffende bètavakken bereikt en wat is daarbij de bijdrage van ICT? (2) Welke kenmerken van een bepaalde ICT-applicatie vormen een potentiële meerwaarde en hoe kan het effect ervan worden verhoogd? en (3) Welke factoren bevorderen dat een meerwaarde van ICT wordt gerealiseerd in de praktijk van het onderwijs?

div 10/3/121sy

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 2: Beleid en Organisatie in het Onderwijs

 

Timeslot 5 – Parallelsessie 1

Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

 

De effecten van school- en onderwijssysteemkenmerken op

leerlingprestaties: Een analyse van de PISA dataset

 

Voorzitter:

A. Visscher

Universiteit  Twente,  Faculteit  Gedragswetenschappen, 

Afdeling  Onderwijsorganisatie  en –management

visscher@edte.utwente.nl

 

Auteurs van de papers:

A. Visscher, R. Maslowski, B. Witziers en H. Luyten

Universiteit Twente, Faculteit Gedragswetenschappen,

Afdeling Onderwijsorganisatie en –management

 

Discussiant:

P. Van Petegem

Universiteit Antwerpen

 

Synopsis

 

In dit symposium worden de resultaten gepresenteerd van secundaire analyses die in opdracht van de OESO zijn uitgevoerd op de PISA-2000 dataset (224.000 leerlingen). Daarbij worden de volgende vragen beantwoord: 1. In hoeverre kunnen verschillen in leerlingprestaties verklaard worden door verschillen in de kenmerken van scholen? 2. In welke mate is er in de PISA-landen sprake van schoolautonomie binnen een viertal domeinen, en in hoeverre hangen de eventuele verschillen samen met verschillen in taalprestaties? 3. Verschillen private en publieke scholen qua leerlingkenmerken, financiën en schoolklimaat, en de door hen gerealiseerde leerlingprestaties? 4. Bieden kenmerken van onderwijssystemen (qua leerlingenselectie en uitgaven per leerling) een verklaring voor de verschillen in onderwijsopbrengsten tussen OESO-landen?

div 02/5/137sy

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 3: Curriculum

 

Timeslot 5 – Parallelsessie 2

Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Schoolontwikkeling door curriculumvernieuwing

 

Voorzitter:

W. Kuiper

Universiteit Twente

kuiper@edte.utwente.nl

 

Auteurs van de papers:

N. Nieveen, A. Handelzalts en J. van den Akker

Universiteit Twente

S. Homminga

Bonhoeffer College, Enschede

J. Krüger, H. Hooghoff

SLO, Nederland

J. van den Akker en N. Nieveen

Universiteit Twente

W. Kuiper en J. van den Akker

Universiteit Twente

 

Discussiant:

A. Aelterman,

Universiteit Gent

 

Synopsis

 

Het leerplanbeleid in Nederland wordt gekenmerkt door een groeiende autonomie voor scholen. De overheid is voornemens nieuwe landelijke leerplankaders (kerndoelen) vast te stellen voor het basisonderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs die minder gedetailleerd zijn uitgewerkt dan voorheen en die bovendien nog slechts een deel van de beschikbare tijd bestrijken. Scholen krijgen meer en meer vrijheid een eigen (vernieuwings)koers te varen en zich inhoudelijk te profileren. De beschikbare speelruimte is tegelijk ook begrensd. Scholen zullen immers landelijk vastgestelde kerndoelen moeten zien te realiseren en zullen verantwoording moeten afleggen van de wijze waarop de ‘vrijheid in gebondenheid’ wordt ingevuld. Daarmee is in een notendop de context geschetst van de vier papers die deel uitmaken van dit symposium. De bijdragen hebben als gemeenschappelijk vertrekpunt dat duurzame en effectieve onderwijsvernieuwing op schoolniveau onder meer een wisselwerking vereist tussen curriculum-, docent- en schoolontwikkeling.

div 03/4/196sy

 

 

 

é

 

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 4: Hoger Onderwijs

 

Timeslot 5 – Parallelsessie 3

Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u

 

Í

Vier paperpresentaties:

1. Wat beïnvloedt studievoortgang in het hoger onderwijs?:

Een survival analyse met hoger onderwijs data

2. Zelfinstructie bij trainingen gespreksvoering in het hoger onderwijs

3. De rol van een studieoriëntatie-activiteit in het studiekeuzeproces

van vwo-leerlingen

4. Hoe plannen tweedejaars geneeskundestudenten hun leerproces

binnen het gespreksvaardigheidsonderwijs?

Í

 

Wat beïnvloedt studievoortgang in het hoger onderwijs?:

Een survival analyse met hoger onderwijs data

 

M. Bruinsma & E. Jansen

UOCG

M.Bruinsma@ppsw.rug.nl

 

Synopsis

 

In deze paper is met behulp van een survival analyse gekeken naar de vraag wanneer de kans op uitval of voortgang in het hoger onderwijs het grootst. Ongeveer 600 eerstejaarsstudenten, verdeeld over vier opleidingen, zijn gedurende twee jaar gevolgd. Er zijn gegevens verzameld over onder andere leeftijd, sekse en studiemotivatie. De afhankelijke variabele was de tijd tot het behalen van een eerstejaarsdiploma. Uit de analyses blijkt dat 69% van de studenten hun eerstejaarsdiploma niet binnen 12 maanden heeft behaald. De analyses laten verder zien dat studenten van de tweede opleiding de grootste kans hebben om hun propedeuse diploma binnen 12 maanden te halen. Daarnaast blijken vrouwelijke studenten, jongere studenten en studenten met een hoger eindexamencijfer de grootste kans te hebben om hun diploma binnen 12 maanden te halen.

 

div 04/5/60pa

Í

 

Zelfinstructie bij trainingen gespreksvoering in het hoger onderwijs

 

M. Pouwelse

Open Universiteit Nederland

Mieneke.Pouwelse@ou.nl

 

 

Synopsis

 

Bij de Open Universiteit Nederland wordt veel onderwijs uitsluitend digitaal gegeven. Bij het aanleren van gespreksvaardigheden is face to face contact tussen de studenten echter gewenst. Daarom is bij deze vorm van onderwijs gekozen voor een vorm van zelfinstructie, waarbij studenten grote delen van het practicum zonder hulp van een docent volgen. Om na te gaan of die training even effectief is als volledig door docenten begeleide trainingen is een quasi experimenteel experiment uitgevoerd: speciaal voor het onderzoek werd de helft van de trainingen in 2000 en 2001 volledig begeleid door docenten van de Open universiteit. Daaruit bleek dat de studenten uit de zelfinstructie groepen net zo goed presteerden als de studenten in de volledig begeleide groepen. Ook op andere kenmerken, zoals hun self-efficacy, het vertrouwen om de gespreksvaardigheden in de toekomst succesvol toe te passen, verschilden studenten uit beide groepen niet van elkaar. De zelfinstructie methode is dus zeer effectief.

div 04/5/94pa

 

Í

 

De rol van een studieoriëntatie-activiteit in het studiekeuzeproces

van vwo-leerlingen

 

M.E. Florijn, A. Blume, C. Terlouw

Universiteit Twente, Faculteit Gedragswetenschappen, Instituut ELAN

m.e.florijn@utwente.nl

 

Synopsis

 

Op welke wijze kan het hoger onderwijs een bijdrage leveren aan het studiekeuzeproces van vwo-leerlingen? In het kader van de loopbaanoriëntatie en begeleiding 2 (LOB2) zijn op de Universiteit Twente zogenaamde “LOB2-modules”, ontwikkeld voor vwo-5 en -6 scholieren. Een LOB2-module betreft een inhoudelijke en verdiepende oriëntatieactiviteit, gekoppeld aan een specifieke opleiding. Een LOB2-module dient een goede afspiegeling te zijn van de betreffende opleiding, opdat de leerling kennismaakt met zaken als: vakinhoud, niveau, sfeer, tempo en beroepsveld. Uiteindelijk doel is om de leerling aan te zetten tot het maken van een (her-) overweging in het studiekeuzeproces. Uitgevoerd evaluatieonderzoek gaat in op de vraag òf, en in welke mate, het volgen van een LOB2-module daadwerkelijk een bijdrage levert aan het studiekeuzeproces.

div 04/5/159pa

 

Í

 

Hoe plannen tweedejaars geneeskundestudenten hun leerproces

binnen het gespreksvaardigheidsonderwijs?

 

J.M.M. van de Ridder & F.J.M. Grosfeld

Onderwijsinstituut Universitair Medisch Centrum Utrecht

j.m.m.vanderidder@med.uu.nl

 

Synopsis

 

Constructivisitsch onderwijs heeft gevolgen voor de rollen van de docent en de student. De docent is vaak een facilitator van het leerproces. De docent steunt en stuurt de student, zodat die steeds meer de verantwoordelijkheid voor de eigen ontwikkeling en het leerproces overneemt. Wanneer de docent zicht heeft op de leerprocessen van de student kan de mate van sturing en steun daarop worden afgestemd. Binnen het gespreksvaardigheidsonderwijs van de opleiding Geneeskunde is onderzocht hoe studenten (n=281) hun leerproces plannen: hoe bepalen studenten leerdoelen, welke leerstappen formuleren ze om die leerdoelen te bereiken, en in hoeverre spelen de resultaten van de gespreksvaardigheidstoets uit het voorgaande jaar hierbij een rol. De discussie is gericht op de informatie die de docent uit deze resultaten kan afleiden om de studenten steun en sturing te bieden.

div 04/5/171pa

 

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 4: Hoger Onderwijs

 

Timeslot 5 – Parallelsessie 4

Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u

 

Í

Vier paperpresentaties:

1. De meerwaarde van het leerportfolio als professioneel gericht eindwerk voor de ‘Bachelor in onderwijs’

2. De effecten van de evaluatie-ervaring op de percepties van studenten betreffende assessment

3. Peer assessment bij schrijfopdrachten:

Interacties tussen studenten in het universitaire onderwijs

4. Beoordeling in competentiegericht onderwijs:

Een praktische toepassing in het hoger onderwijs

Í

 

De meerwaarde van het leerportfolio als professioneel gericht eindwerk voor de ‘Bachelor in onderwijs’

 

W. Meeus en L. Van Looy

Vrije Universiteit Brussel, Lerarenopleiding

P. Van Petegem

Universiteit Antwerpen, Lerarenopleiding

Wil.Meeus@vub.ac.be

 

Synopsis

 

In vele bacheloropleidingen wordt er van de studenten en eindwerk gevraagd dat dikwijls een surrogaat is van de thesis of meesterproef in aanverwante masteropleidingen. Uitgangspunt van het onderzoek is dat er voor de professionele bachelors nood is aan een eindwerkmodel dat beter aansluit bij de finaliteit van deze opleidingen. Voor de lerarenopleidingen in de hogescholen werd een leerportfolio ontwikkeld als professioneel gericht eindwerkmodel. In het leerportfolio werken de studenten aan een persoonlijk leerpunt als leraar en worden zij beoordeeld op hun zelfstandigheid, planningsvaardigheden en reflectievermogen. Met het evaluatief onderzoek gaan we de eventuele meerwaarde na van het leerportfolio tegenover het gangbare eindwerkmodel, met name de literatuurstudie met praktische verwerking. We onderzoeken zowel het leerrendement bij de studenten als de voldoening bij de studenten en de promotoren.

div 04/6/25pa

Í

 

De effecten van de evaluatie-ervaring op de percepties van studenten betreffende assessment

 

K. Struyven, F. Dochy en S. Janssens

Centrum voor Opleidingsdidactiek, KULeuven

Katrien.struyven@ped.kuleuven.ac.be

 

Synopsis

 

Onbekende evaluatievormen zijn vaak onbeminde methodes. Wanneer echter de ervaring van studenten met een bepaalde evaluatievorm toeneemt, nemen deze negatieve gevoelens vaak af (Van den berg & Vandenberghe, 1999). Dat was ook de redenering die vooropgesteld werd bij de uitwerking van het onderzoek. Via een pretest/posttest design werd nagegaan of de verwachting van en nadien de ervaring met een bepaalde evaluatievorm effecten had op de percepties van studenten, meer bepaald de voorkeuren die studenten hebben ten aanzien van evaluatie. Vier evaluatievormen werden vergeleken, met name de meerkeuzetoets, het casusgebaseerde examen, peer/coöperatieve assessment en portfolio assessment. De resultaten tonen aan dat de vier evaluatievormen in dit onderzoek, hoewel in verschillende mate,  alle vier profiteerden van de ervaring door studenten. D.w.z aanvankelijk stonden studenten inderdaad niet positief tegenover de verwachte, nog onbekende, evaluatievorm. Naargelang de ervaring toeneemt en na de concrete ervaring van het examen, veranderen de voorkeuren van studenten voor die evaluatievorm significant. Een voorwaarde is echter dat de ervaringen positief van aard zijn en dat bijgevolg de geschiktheid van de evaluatievorm congruent is met de percepties van de studenten.

div 04/6/52pa

 

Í

 

Peer assessment bij schrijfopdrachten:

Interacties tussen studenten in het universitaire onderwijs

 

I. van den Berg, W. Admiraal en A. Pilot

Interfacultair Instituut voor Lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Studievaardigheden, (IVLOS), Universiteit Utrecht

b.a.m.vandenberg@ivlos.uu.nl

 

Synopsis

 

De effectiviteit van peer assessment staat of valt met de kwaliteit van de feedback die de studenten elkaar geven. Niet alleen de aard van de feedback is hierbij van belang, maar ook de manier waarop deze wordt overgebracht. Op basis van Lockhart & Ng (1995) worden leerzame en minder leerzame interactiepatronen onderscheiden bij het geven van  mondelinge peer feedback op schrijfproducten. In het onderhavige onderzoek, uitgevoerd in de context van universitair schrijfonderwijs, zijn de interactiepatronen van studenten die elkaar van feedback voorzien in kaart gebracht. Onderzocht is in hoeverre deze interactiepatronen gerelateerd zijn aan het gebruikte onderwijsontwerp van peer assessment. Op basis hiervan worden uitspraken geformuleerd over een optimaal ontwerp van peer assessment in het universitaire (schrijf)onderwijs.

div 04/6/85pa

 

 

Í

 

Beoordeling in competentiegericht onderwijs:

Een praktische toepassing in het hoger onderwijs

 

E. R. van den Elsen, H.J.A. Biemans, R. Wesselink en M. Mulder

Wageningen UR, Leerstoelgroep Educatie en Competentie Studies

Elke.vandenelsen@wur.nl

 

Synopsis

 

Het wordt steeds duidelijker: nieuwe vormen van leren, vragen ook om andere manieren van waarderen en beoordelen van deelnemers in het hoger onderwijs. In deze bijdrage worden de beoordelingsarrangementen van twee opleidingsvarianten in het Hoger Agrarisch Onderwijs onder de loep genomen. Deze arrangementen worden geëvalueerd aan de hand van indicatoren van competentiegerichte beoordeling, die uit theoretische studie en uit expertconsultatie verkregen zijn. Besproken wordt met welke specifieke knelpunten, de instellingen bij de ontwikkeling en implementatie van competentiegerichte beoordelingsarrangementen te maken kregen. Tevens wordt stilgestaan bij de wijze waarop de deelnemende instellingen werken aan de optimalisering van de beoordelingssituatie op hun opleiding.

Thema’s die besproken worden zijn onder andere: het ontwikkelen van proeven van bekwaamheid, het realiseren van een individuele leerweg, peerassessment en het geïntegreerd beoordelen van kennis, vaardigheden en gedrag.

div 04/6/180pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 5: Lerarenopleiding en Leraarsgedrag

 

Timeslot 5 – Parallelsessie 5

Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u

 

Í

Vier paperpresentaties:

1. Praktijkkennis van ervaren docenten op zwarte scholen

in het voortgezet onderwijs

2. De morele aspecten van opleidingspraktijken van lerarenopleiders

3. Op weg naar een krachtige leeromgeving?

Ervaringen en wensen van docenten met de Tweede Fase

4. Geïntegreerd pedagogisch handelen in de klas

Í

 

Praktijkkennis van ervaren docenten op zwarte scholen

in het voortgezet onderwijs

 

P. den Brok

IVLOS, Universiteit Utrecht & Hogeschool van Utrecht

M. Hajer en J. Patist

Hogeschool van Utrecht

p.j.denbrok@ivlos.uu.nl

 

Synopsis

 

Steeds meer scholen in Nederland en elders in Europa krijgen te maken met een grotere culturele diversiteit van hun leerlingenpopulatie. De verkleuring van scholen leidt niet zelden tot problemen voor docenten en schoolleiding, en kan in uitzonderlijke gevallen leiden tot sluiting van de school. In dit onderzoek wordt de praktijkkennis bestudeerd van docenten (en schoolleiders) van twee scholen voor voortgezet onderwijs die recentelijk hun deuren moesten sluiten als gevolg van deze veranderingsprocessen. Via een delphi-onderzoek werden de bevindingen uit interviews met enkele sleutelfiguren uit de scholen voorgelegd aan een bredere groep docenten middels een semi-gestructureerde vragenlijst. De uitkomsten van het onderzoek laten zien dat er op de beide scholen een uitgebreide praktijkkennis onder docenten bestaat. Docenten waren het opvallend eens over problemen en effectieve strategieën om met die problemen om te gaan. De gerapporteerde kennis had betrekking op diverse terreinen, zoals didactiek, pedagogisch klimaat en omgang met ouders en omgeving. Tenslotte bleek er een grote samenhang te bestaan in de praktijkkennis van docenten over deze terreinen heen. Een belangrijk concept daarbij bleek contact (tussen leerlingen, tussen docent en leerlingen, tussen docent en schoolleiding, etc.). De resultaten van het onderzoek zijn bruikbaar in de professionele ontwikkeling van docenten (in opleiding) en de advisering van scholen die zich in vergelijkbare processen van verandering bevinden.

div 05/7/50pa

Í

 

 

De morele aspecten van opleidingspraktijken van lerarenopleiders

 

M. Willemse, M. Lunenberg en J. Beishuizen

Onderwijscentrum VU

Fred Korthagen

IVLOS UU

m.willemse@ond.vu.nl

 

Synopsis

 

Hoewel de toenemende maatschappelijke en wetenschappelijke aandacht voor het morele in het onderwijs ook betrekking heeft op de wijze waarop lerarenopleiders aanstaande leraren voorbereiden op de pedagogische aspecten van hun beroep, blijkt hier nog weinig onderzoek naar gedaan te zijn. In deze paperpresentatie rapporteren we over een studie naar de morele aspecten van praktijken van lerarenopleiders. We hebben 54 lerarenopleiders gevraagd om de waarden te benoemen die zij belangrijk vinden bij de voorbereiding van aanstaande leraren op de pedagogische aspecten van het leraarschap. Tevens hebben negen lerarenopleiders in een vervolgtraject gereflecteerd op de wijze waarop zij hun waarde in hun opleidingspraktijk vormgeven. Tenslotte hebben we bij deze negen opleiders video-opnames gemaakt van een bijeenkomst met studenten. De resultaten uit deze studie lijken uit te wijzen dat de voorbereiding van aanstaande leraren op het pedagogische veelal een individuele aangelegenheid van opleiders is waarbij de persoon van de opleider een  belangrijke rol speelt. Tevens lijken de opleiders te worstelen met het vinden van een goede morele taal om hun praktijken te beschrijven.

div 05/7/65pa

 

Í

 

Op weg naar een krachtige leeromgeving?

Ervaringen en wensen van docenten met de Tweede Fase

 

K.D. Könings, S. Brand-Gruwel en J.J.G. van Merriënboer

Open Universiteit Nederland, Onderwijstechnologisch Expertisecentrum

Karen.konings@ou.nl

 

Synopsis

 

De implementatie van onderwijsvernieuwingen zoals de Tweede Fase ligt in handen van docenten. Hun ervaringen hebben directe invloed op de vormgeving van het onderwijs. In deze studie zijn de ervaringen van docenten, hun wensen en hun (on)tevredenheid gemeten, als ook hun doceerstijl. Uit de resultaten blijkt dat docenten het onderwijs in de Tweede Fase grotendeels als een krachtige leeromgeving ervaren. Ze vinden bijna alle gemeten aspecten ook wenselijk in het onderwijs, m.u.v. differentiatie en productief leren. Docenten zijn het meest ontevreden op de schalen boeiende leerstof, interactie, integratie en zelfstandig leren. Ze wensen dit meer in het onderwijs dan ze ervaren. Verder blijkt dat de doceerstijl ‘conceptuele verandering/leerling gericht’ bijdraagt aan hoge ervaringscores en wensscores. De doceerstijl ‘informatie transmissie/docent gericht’ draagt bij aan lage ervaringscores en wensscores. Tijdens de presentatie wordt ingegaan op mogelijke verklaringen en implicaties.

div 05/7/99pa

 

Í

 

Geïntegreerd pedagogisch handelen in de klas

 

H. Thijssen en J. Onstenk

Hogeschool INHOLLAND, Haarlem/Alkmaar

jeroen.onstenk@inholland.nl

 

Synopsis

 

Het lectoraat ‘Geïntegreerd Pedagogisch Handelen in de grootstedelijke samenleving’ aan Hogeschool INHOLLAND voert onderzoek uit naar de kwaliteit van het directe pedagogisch handelen van de leerkracht in de klas. Het onderzoek is gericht op wat de leerkracht in zijn eigen communicatieve en pedagogische handelen kan veranderen zodat hij of zij meer ruimte geeft aan eigen-aardigheden (talenten, problemen) van leerlingen en het hen zo gemakkelijker maakt om binnen de onderwijssetting te functioneren. Er staan twee onderzoeksvragen centraal. Ten eerste de vraag welke pedagogische, didactische en organisatorische competenties van de leerkracht bijdragen tot een veilig en uitdagend leerklimaat. Ten tweede de vraag of en hoe het mogelijk is om het pedagogisch handelen van leerkrachten te veranderen? Het onderzoek loopt van september 2004 tot september 2006. Het paper presenteert de probleemanalyse, het theoretisch kader en de analyse-instrumenten.

div 05/7/151pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 5: Lerarenopleiding en Leraarsgedrag

 

Timeslot 5 – Parallelsessie 6

Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Multimedia cases: naar een betere wisselwerking tussen

theorie en praktijk in de lerarenopleiding

 

Voorzitter:

E. van den Berg

Hogeschool Edith Stein, Universiteit Twente

berg@edith.nl

 

Auteurs van de papers:

  1. Backx

Fontys Hogescholen

E. van den Berg

Universiteit Twente & Hogeschool Edith Stein / OCT

A. Thijs en P. Blijleven

Universiteit Twente

C. Kemmeren

Hogeschool Edith Stein / OCT

M. Vervoort

Hogeschool Edith Stein

 

Discussiant:

D. Beijaard

Universiteit Leiden, ICLON

 

Synopsis

 

In dit symposium staat een drietal ontwerpgerichte onderzoeken naar de inbedding van multimedia cases in het pabo-curriculum centraal. Een multimedia-casus is te omschrijven als een leeromgeving waarin video-opnamen van een realistische praktijksituatie worden verdiept en verbreed met behulp van relevante theorieën die via diverse media wordt gepresenteerd en binnen één computersysteem eenvoudig en snel toegankelijk is. Multimediacases maken de onderwijspraktijk voor analyse en reflectie toegankelijk en kunnen een inspiratiebron en support tool vormen voor innovatief handelen. De verschillende fasen binnen ontwerpgericht onderzoek worden in het symposium geïllustreerd.

div 05/8/109sy

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 6: Leren en Instructie

 

Timeslot 5 – Parallelsessie 7

Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u

 

Í

Vier paperpresentaties:

4. Onterecht proportioneel redeneren:

Een gevolg van het aanbieden van schoolse vraagstukken?

2. Leerconcepties bij leerlingen op het einde van het basisonderwijs

3. Veelbelovende praktijkvarianten van adaptief onderwijs

in het regulier basisonderwijs

4. Interactief voorlezen aan peuters: Effecten op verhaalbegrip

 

Í

 

Onterecht proportioneel redeneren:

Een gevolg van het aanbieden van schoolse vraagstukken?

 

D. De Bock 1 2, W. Van Dooren 1 3, D. Janssens 4 en L. Verschaffel 1

1 Centrum voor Instructiepsychologie en –Technologie (CIP&T), K.U.Leuven,

EHSAL – Europese Hogeschool Brussel en

3Aspirant van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (F.W.O.) – Vlaanderen

4 Departement Wiskunde, K.U.Leuven

dirk.debock@ehsal.be

 

Synopsis

 

Deze paper rapporteert over een studie waarin werd nagegaan of de neiging van leerlingen om proportioneel te redeneren in niet-proportionele situaties kan doorbroken worden via zogenaamde “performance taken”. Daartoe werden tweeënzeventig 11-12-jarige leerlingen toegewezen aan drie verschillende interviewcondities: een vraagstukconditie (waarin een leerling een niet-proportioneel probleem diende op te lossen dat geformuleerd was als traditioneel schoolvraagstuk), een tekeningenconditie (waarin hetzelfde vraagstuk werd aangeboden vergezeld van een tekening) of een “performance taken”-conditie (waarin een leerling werd ingeleid in een reële probleemcontext met concrete materialen en gevraagd werd om een bepaalde taak uit de voeren). De resultaten tonen aan  het aanbieden van “performance taken” een betekenisvolle positieve invloed had en bovendien een grotere variëteit aan oplossingsstrategieën uitlokte. 

div 06/5/37pa

Í

 

Leerconcepties bij leerlingen op het einde van het basisonderwijs

 

P. Van Petegem, T. Dang Kim, V. Donche en E. Klatter

Universiteit Antwerpen

thu.dangkim@ua.ac.be

 

Synopsis

 

De hier beschreven studie betreft een replicaonderzoek over leerconcepties van jonge leerlingen in Nederland uitgevoerd in Vlaanderen. Een leerconceptie wordt in dit onderzoek gedefinieerd als een cluster van samenhangende opvattingen die betrekking hebben op verschillende aspecten van leren. Drie leerconcepties worden onderscheiden: beperkte, functionele en ontwikkelingsgerichte leerconceptie. 571 leerlingen uit het laatste jaar van het basisonderwijs participeerden aan het onderzoek. Deze leerlingen vulden de LeerConceptieLijst (LCL) in waarin gepeild wordt naar hun opvattingen over leren. Op basis van de analyses uit dit onderzoek blijkt dat er voldoende aanwijzingen zijn dat een groot gedeelte van de resultaten uit het origineel onderzoek gerepliceerd kunnen worden. Leerlingen blijken in het laatste jaar van de basisschool al een relatief duidelijke set van opvattingen te hebben over het brede begrip van leren in een schoolse context. Het instrument kan bijgevolg ook in Vlaamse basisscholen gebruikt worden om verschillen in leerconcepties vast te stellen.

div 06/5/79pa

 

Í

Veelbelovende praktijkvarianten van adaptief onderwijs

in het regulier basisonderwijs

 

M. Kooiman, J. de Jong-Heeringa en R. Hofman

GION / Rijksuniversiteit Groningen

m.c.kooiman@ppsw.rug.nl

 

Synopsis

 

Deze presentatie richt zich op veelbelovende praktijkvarianten van adaptief onderwijs op basisscholen. Middels literatuuranalyse, een empirische variant-analyse en een brede expertbenadering is geanalyseerd welke programma’s en projecten als veelbelovende praktijkvarianten gezien kunnen worden, waarbij gebruik is gemaakt van de beoordelingsaspecten ‘visie’, ‘doel’, ‘doelgroep’ en ‘wijze van uitvoeren’. Vervolgens is een dieptestudie uitgevoerd op 18 basisscholen die een praktijkvariant uitvoeren. Naast interviews met betrokkenen zijn observaties verricht van reken- en taallessen en zijn telkens 4 leerlingen per groep geobserveerd en over een hele dag gevolgd. Onderzocht is hoe deze praktijkvarianten van adaptief onderwijs tot stand zijn gekomen, welke kernfactoren en actoren daarbij een centrale rol speelden, voor welke typen leerlingen ze het meest geschikt worden geacht en hoe succesvol ze zijn.

div 06/5/125pa

 

Í

Interactief voorlezen aan peuters: Effecten op verhaalbegrip

 

S. Peters, J.Corvers & L. Verhoeven

Radboud Universiteit Nijmegen - Expertisecentrum Nederlands

S.Peters@taalonderwijs.nl

 

Synopsis

 

Een belangrijke strategie die leidsters tijdens het voorlezen kunnen inzetten om de interactie met de peuters te bevorderen, is het stellen van open vragen die de peuters uitdagen om kritisch na te denken over de personen en gebeurtenissen in het verhaal. In dit onderzoek is onderzocht of de voorgestelde open, uitnodigende interactiestijl daadwerkelijk een positief effect heeft op het verhaalbegrip van de peuters. Uitgegaan werd van drie condities: het stellen van open vragen, gesloten vragen en geen vragen. Er werden 40 peuters geselecteerd, uit peuterspeelzalen en kinderdag-verblijven. Het onderzoek werd uitgevoerd bij 33 kinderen in de leeftijd van 3 tot 3.5 jaar. Uit de resultaten bleek dat het stellen van open vragen geen positief effect heeft op het verhaalbegrip van peuters. Verder bleek dat het geven van uitleg via gesloten cues een negatief effect heeft op het verhaalbegrip van peuters. Vaker voorlezen leidt wel tot een beter begrip van verhalen. Tijdens de presentatie zal nader in worden gegaan op mogelijke verklaringen van de resultaten van deze studie.

div 06/5/203pa

 

é

 

 

 

 

 

 

 ORD  2005

Divisie 8: Onderwijs en Samenleving

 

Timeslot 5 – Parallelsessie 8

Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u

 

Í

Vier paperpresentaties:

1. Emancipatie in een neoliberale maatschappij?:

Inleiding tot de studie van het progressief pedagogisch erfgoed

in Vlaanderen sinds de jaren 1960

2. Effectieve scholen in Culturele en Kunstzinnige Vorming 1

3. Schoolloopbanen gemodelleerd aan de hand van twee recente cohorten: VOCL’89 en VOCL’93:

De belangrijkste uitkomsten en conclusies op een rij

4. Kunnen leerlingstatuten en schoolconvenanten bijdragen aan

veiligheid op school?

Í

 

Emancipatie in een neoliberale maatschappij?:

Inleiding tot de studie van het progressief pedagogisch erfgoed

in Vlaanderen sinds de jaren 1960

 

T. De Coster

Vakgroep pedagogiek, Universiteit Gent

M. Depaepe

Subfaculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, KULAK

F. Simon

Vakgroep pedagogiek, Universiteit Gent

tom_de_coster@hotmail.com

 

Synopsis

 

In het Vlaanderen van na de Tweede Wereldoorlog, en meer specifiek vanaf de jaren 1970, ontwierpen een aantal pedagogen uit de praktijk ‘nieuwe scholen’, deels uit onvrede met de bestaande samenleving (die tot de wereldoorlog had geleid), deels als opstap naar een nieuwe, meer humane en democratische samenleving. Hun hernieuwde populariteit in de onderwijspraktijk van de jaren 1990 staat in schril contrast met ‘back to basics’ onderwijsanalyses, die de overlevingskansen van emancipatorische modellen sterk in vraag stellen in de vijandige economische context. Vandaar dat de probleemstelling van dit artikel luidt: aan de hand van welk proces kunnen we de paradox begrijpen dat emancipatorische opvoedingsmodellen in de onderwijspraktijk van de periode 1960-2000 in Vlaanderen een dergelijk succes hebben gekend, daar waar hun inspiratiebronnen en uitgangspunten, eigen aan de maatschappijkritiek van 1968, niet te verzoenen lijken met het gedachtengoed van het neoliberalisme dat het onderwijs in de jaren 1980-1990 in de greep hield van het vrije marktdenken?

div 08/8/111pa

Í

 

Effectieve scholen in Culturele en Kunstzinnige Vorming 1

 

M.L.C.Damen

Capaciteitsgroep Sociologie / ICS Universiteit Utrecht

m.damen@fss.uu.nl

 

Synopsis

 

In deze presentatie komt aan de orde in hoeverre de schoolcontext bijdraagt aan de verklaring van het effect van CKV1 in termen van de culturele participatie, attitude en kennis van jongeren. Tijdens het CKV1-Volgonderzoek zijn jongeren met en zonder CKV1 tussen 1998 en 2002 gevolgd tijdens hun schoolloopbaan en kort daarna. Vooralsnog werden geen verschillen gevonden in culturele participatie, attitude en kennis tussen jongeren met en zonder CKV1 na afsluiting van het vak. Met behulp van multiniveau-analyse is nu onderzocht of er mogelijk wel schoolverschillen zijn in het effect van CKV1. Aan de hand van informatie over het cultureel klimaat op de scholen uit interviews met docenten en informatie van de Nederlandse onderwijsinspectie - de zogenoemde kwaliteitskaarten - wordt het effect van de schoolcontext van circa 3000 leerlingen afkomstig uit 71 schoollocaties nader bestudeerd. Getracht wordt om op basis van deze gegevens succesvolle scholen en daarmee succesvolle manieren van aanpak in de cultuureducatie aan te wijzen. Onderzocht wordt in hoeverre een toenemende autonomie van de scholen leidt tot grotere ongelijkheden tussen leerlingen in termen van culturele participatie.

div 08/8/146pa

 

Í

 

Schoolloopbanen gemodelleerd aan de hand van twee recente cohorten: VOCL’89 en VOCL’93:

De belangrijkste uitkomsten en conclusies op een rij

 

P. Hustinx, H. Kuyper en G. van der Werf

GION, Rijksuniversiteit Groningen

P.Hustinx@ppsw.rug.nl

 

Synopsis

 

In deze studie worden schoolloopbaanmodellen gepresenteerd aan de hand van de twee cohorten VOCL’89 en VOCL’93 van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Specifiek zal worden ingegaan op: 1) De al maar groter wordende voorsprong van meisjes, maar ook momenten in de loopbaan waarop hierin enige terugslag optreedt. 2) De gunstiger loopbaan van allochtonen ten opzichte van hun prestaties en sociale achtergrond alsmede de terugslagen aan het eind van het VWO. 3) De verklarende rol van prestatiemotivatie voor prestaties ten opzichte van de onderwijspositie en de na een prestatiemeting volgende onderwijsposities 4) De verklarende waarde van intelligentie naast feitelijke prestaties. 4) De invloed van concrete dan wel integratieve leerstrategieën op prestaties. 5) De verhouding tussen sekseverschillen in predictoren en de sekseverhoudingen in de uiteindelijke prestaties.

div 08/8/188pa

 

Í

 

Kunnen leerlingstatuten en schoolconvenanten bijdragen aan

veiligheid op school?

 

M. van den Bogaard

IVA Beleidsonderzoek en Advies/Minnesota State University Moorhead

maartje.vandenbogaard@planet.nl

 

Synopsis

 

Schoolveiligheid is een thema dat momenteel veel aandacht krijgt in de media en binnen het ministerie. Veiligheid heeft vooral te maken met het ervaren van veiligheid. Scholen hebben de taak om te zorgen voor een veilig schoolklimaat waar geleerd en gewerkt kan worden. Hiertoe staat de school een aantal middelen ter beschikking, onder andere het leerlingstatuut en veilige schoolconvenanten. De vraag is hoe een school deze hulpmiddelen het best kan inzetten binnen het schoolbeleid om veiligheid te borgen.

In Nederland hebben we nog niet veel ervaring met de effecten van deze hulpmiddelen op de schoolveiligheid. In deze presentatie wordt onderzocht wat we kunnen leren van de ervaringen met deze instrumenten uit de Verenigde Staten, de beschikbare literatuur en uit recent onderzoek van het IVA.

div 08/8/197pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 8: Onderwijs en Samenleving

 

Timeslot 5 – Parallelsessie 9

Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

 

SiBO: Longitudinaal onderzoek in het basisonderwijs. De 3de kleuterklas.

 

Voorzitter:

J. Van Damme

K.U.Leuven, Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –evaluatie

 

Auteurs van de papers:

F. Maes, J.P. Verhaeghe en E. Gadeyne

Steunpunt LOA, SiBO / K.U.Leuven, Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –evaluatie

Frederik.maes@ped.kuleuven.ac.be

P. Van Petegem

Universiteit Antwerpen, Instituut voor Onderwijs- en Informatiewetenschappen

J. Van Damme en I. van Heddegem

K.U.Leuven, Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –evaluatie

F. Laevers

Expertisecentrum Ervaringsgericht Onderwijs - K.U.Leuven

 

Discussiant:

L. Mulder

Radboud Universiteit Nijmegen, ITS

 

Synopsis

 

Dit symposium omvat drie bijdragen die kaderen in het SiBO-onderzoek (Schoolloopbanen in het Basisonderwijs). Dit onderzoek volgt 6000 kinderen in 200 scholen doorheen het basisonderwijs met als bedoeling de (verschillen in) ontwikkeling en loopbanen van kinderen te beschrijven en te verklaren. De drie bijdragen hebben betrekking op de loopbanen en ontwikkeling van kinderen in de 3de kleuterklas. Een eerste algemene paper beschrijft de doelstellingen en het onderzoeksopzet van dit grootschalig longitudinaal onderzoek. De tweede paper maakt een vergelijking tussen de prestaties en leerwinst voor taal en rekenbegrip van methodescholen in vergelijking met traditionele scholen en vergelijkt de verschillende methodescholen onderling. De derde paper tenslotte gaat in op observaties die werden uitgevoerd in de 3de kleuterklas.

div 08/9/78sy

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 8: Onderwijs en Samenleving

 

Timeslot 5 – Parallelsessie 10

Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Werken aan de zorgketen in WSNS

 

Voorzitter:

J. van der Pluijm

WSNS+

E.Smeets@its.ru.nl

 

Auteurs van de papers:

L. Sontag

IVA Beleidsonderzoek en Advies; Tilburg

E. Smeets en A. van der Hoeven van Doornum

ITS, Radboud Universiteit Nijmegen

 

Discussiant:

J. van der Pluijm

WSNS+

 

Synopsis

 

In dit symposium wordt in drie bijdragen ingegaan op de keten van leerlingenzorg in ‘Weer Samen Naar School’ (WSNS). Het betreft het samenspel tussen bovenschoolse factoren en factoren in de basisschool die zijn gericht op het signaleren, diagnosticeren en remediëren van de problematiek van zorgleerlingen. De eerste bijdrage geeft een overzicht van resultaten van de WSNS-Monitor 2004, een landelijk vragenlijstonderzoek naar het functioneren van de samenwerkingsverbanden WSNS. In de tweede bijdrage wordt aan de hand van gevalsstudies nader ingegaan op de leerlingenzorg in basisscholen en in samenwerkingsverbanden WSNS, evenals op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdzorg. In de derde bijdrage staat het signaleren van problematiek bij leerlingen met behulp van een kleutertoets, gevolgd door het stellen van de juiste diagnose, centraal.

div 08/11/140sy

 

é

 

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 9: ICT en Onderwijs

 

Timeslot 5 – Parallelsessie 11

Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Effecten van visualisatie van participatie tijdens computerondersteund samenwerkend leren (CSCL)

2. Leren met simulatieprogramma’s:

Kwantum tunneling modelleren in het practicum fysica

3. Analyzing computer-supported graphical discussion:

Op weg naar valide selectiecriteria voor masteropleidingen

 

Í

 

Effecten van visualisatie van participatie tijdens computerondersteund samenwerkend leren (CSCL)

 

J. Janssen, G. Erkens, J. Jaspers en M. Broeken

Capaciteitsgroep Onderwijskunde Universiteit Utrecht

j.j.h.m.janssen@fss.uu.nl

 

Synopsis

 

Aangezien participatie van groepsleden tijdens het groepsproces van belang is voor effectieve samenwerking, wordt het effect van visualisatie van participatie tijdens CSCL onderzocht. Visualisatie van participatie kan feedback geven over de bijdrage van leerlingen aan het groepsproces, bovendien kan het sociale vergelijkingsprocessen stimuleren, die leerlingen aansporen om meer bij te dragen aan het groepsproces. Er wordt onderzocht wat het effect is van de Participation Tool (PT, visualiseert de participatie van alle groepsleden) tijdens CSCL. 72 leerlingen werkten in een CSCL-omgeving, genaamd VCRI. Leerlingen uit de experimentele groep hadden de beschikking over de PT, de overige leerlingen niet. Uit analyses blijkt dat de experimentele groep meer participeert in het communicatieproces en zich er beter van bewust is wanneer andere groepsleden niet hun best doen.

div 09/4/16pa

Í

 

Leren met simulatieprogramma’s:

Kwantum tunneling modelleren in het practicum fysica

 

E. Van Zele, J. Lenaerts, T. Van Hoecke; en W. Wieme

Universiteit Gent

Els.VanZele@UGent.be

 

Synopsis

 

Geruime tijd vullen simulatieprogramma's de mix van traditionele practicumproeven en real-time metingen aan voor het Practicum Fysica voor de tweede Bachelor Natuurkunde en Sterrenkunde. De simulatieprogramma's (vb. kwantum tunneling) veroorzaken een accentverschuiving van ‘berekenen en meten’ naar ‘verklaren’ en 'opbouwen van een mentaal model' van fysische fenomenen. Twee mogelijke benaderingen (nl. een inductieve en deductieve aanpak) worden tegenover elkaar afgewogen. Een kwantitatieve analyse (CBAV, WP 9) toont aan dat vooral de aard van de studentenactiviteiten sterk verschillen in het voordeel van het mentaal modelleren volgens de deductieve aanpak. Een kwalitatieve analyse toont ondermeer aan dat studenten zich vaak (nog) niet de juiste onderzoekshouding hebben aangemeten, dat sociale interacties het leren mee bepalen en dat studenten een herkenbaar patroon volgen bij de exploratie van multimediale leermiddelen en pas na wat 'gissen en missen' systematische werken.

div 09/4/71pa

 

Í

 

Analyzing computer-supported graphical discussion:

Op weg naar valide selectiecriteria voor masteropleidingen

 

M. Overdijk en W. van Diggelen

Department of Educational Sciences, Utrecht University

m.overdijk@fss.uu.nl

 

Synopsis

                                                                 

When new collaborative technology is introduced in the classroom, a teacher or researcher has certain expectations regarding to how such a tool should be used to enhance existing practice. However, these expectations may differ from the way students appropriate the tool during their activities. Given a specific tool configuration, students may find opportunities to appropriate a CSCL tool in ways that turn out to be productive and unexpected.

The Digalo fosters a so-called “graphical” discussion, and is brought into action to support e.g. idea generation or argumentation between students within face-to-face classroom situations. This paper considers how collaborative technology like Digalo is being used by students under conditions of limited instruction. The interaction process during a Digalo-mediated discussion is examined to gain insight in the process of appropriation. The focal point of the study lies at the interplay of individual action and interaction, collaborative technology and existing practice.

div 09/4/155pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 12: Onderzoeksinstrumenten en meten

 

Timeslot 5 – Parallelsessie 12

Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Instrumenten voor de effectmeting van competentiegericht onderwijs bij psychologiestudenten in afstandsonderwijs

2. Predictief meten van metacognitieve vaardigheden

bij samenwerkend ontdekkend leren

3. Het meten van ontwikkelings- en overdrachtsgerichte onderwijsopvattingen van leraren in het lager onderwijs:

Ontwikkeling van een onderzoeksinstrument

Í

 

Instrumenten voor de effectmeting van competentiegericht onderwijs bij psychologiestudenten in afstandsonderwijs

 

G. Wynants, M. Bijker en H. van Buuren

Open Universiteit Nederland

Hans.vanBuuren@ou.nl

 

 

Synopsis

 

Er wordt veel werk gemaakt van het ontwikkelen van betrouwbare en valide instrumenten voor het meten van relevante variabelen die betrokken zijn bij een leerproces. Minstens zo belangrijk is de betrouwbaarheid en validiteit van de leeruitkomsten zelf.

Doorgaans wordt er in onderzoeken veel aandacht besteed aan de meting van variabelen die het leerproces kenmerken en vervolgens worden deze relatief klakkeloos gerelateerd aan cijfers afkomstig uit tentamens en toetsen, zonder de betrouwbaarheid en validiteit van die laatste categorie aan nader onderzoek te onderwerpen. Dat maakt de conclusies uit de betreffende onderzoeken op zijn minst discutabel en doet afbreuk aan het eerste deel van het onderzoekstraject. Kortom, het is het vergelijken van appelen met peren. Het onderzoek van Wynants, Bijker & Van Buuren (2005) is een initiatief om ook de geldigheid en validiteit van de gemeten leeruitkomsten zelf aan wetenschappelijke criteria te onderwerpen en als gevolg daarvan de consistentie tussen oorzaak-, proces- en gevolgvariabelen te optimaliseren.

div 12/2/38pa

Í

 

Predictief meten van metacognitieve vaardigheden

bij samenwerkend ontdekkend leren

 

A. Walraven

Open Universiteit Nederland

A. Lazonder

Universiteit Twente

Amber.Walraven@ou.nl

 

Synopsis

 

Dit paper beschrijft de ontwikkeling en validering van een instrument voor het predictief meten van regulatievaardigheden bij samenwerkend ontdekkend leren. Het instrument meet de vaardigheid van leerlingen om hun leerproces te plannen en monitoren. De predictieve validiteit is onderzocht door het gebruik van deze vaardigheden in het instrument én in een ontdekkend leeromgeving te vergelijken. Verwacht werd dat de frequenties van planning en monitoring-activiteiten in beide situaties met elkaar samenhangen. Gevonden correlaties bleken significant. Uit deze resultaten blijkt dat het mogelijk is om prospectief een valide meting te doen van het gebruik van regulatievaardigheden. Het is echter nog te vroeg om te praten over een valide predictieve meting. Deze resultaten geven een goede eerste aanzet, maar dienen uitgebreid te worden.

div 12/2/105pa

 

Í

 

Het meten van ontwikkelings- en overdrachtsgerichte onderwijsopvattingen van leraren in het lager onderwijs:

Ontwikkeling van een onderzoeksinstrument

 

R. Hermans, J. van Braak en H. Van Keer

Universiteit Gent – Vakgroep Onderwijskunde

Ruben.Hermans@UGent.be

 

Synopsis

 

Het onderzoek stelt de ontwikkeling voor van een meetinstrument dat peilt naar ‘algemene opvattingen over goed onderwijs’ bij leraren in het lager onderwijs. Er werd geopteerd voor een survey-onderzoek. Een eerste steekproef (n=352) bestond uit studenten uit de lerarenopleiding en studenten uit de bachelor pedagogische wetenschappen. Een exploratieve factoranalyse (pca) leidde tot een tweecomponentenmodel waarbij de eerste component gelabeld werd als ‘overdrachtsgericht’ en een tweede als ‘ontwikkelingsgericht’. Confirmatorische factoranalyse bij leraren (n=377) uit het lager onderwijs bevestigde de tweefactorenstructuur uit de eerste steekproef. Zowel de overdrachtsgerichte als de ontwikkelingsgerichte schaal tonen een bevredigende interne consistentie. Hoewel een negatieve correlatie tussen beide onderwijsopvattingen verwacht werd, bleken beide somschalen ongecorreleerd te zijn. Dit wijst erop dat ontwikkelings- en overdrachtsgerichtheid geen tegengestelde clusters van opvattingen zijn.

div 12/2/201pa

 

é

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 1: Bedrijfsopleidingen, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie

 

Timeslot 6 – Parallelsessie 1

Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Matrix voor competentiegericht beroeponderwijs:

Principes en indicatoren om competentiegericht beroepsonderwijs

te operationaliseren

2. De identificatie van ondernemerscompetenties in agribusiness

3. Expertiseontwikkeling bij recent afgestudeerden in hun eerste baan

Í

 

Matrix voor competentiegericht beroeponderwijs:

Principes en indicatoren om competentiegericht beroepsonderwijs

te operationaliseren

 

R. Wesselink, H.J.A. Biemans, E. R. van den Elsen en M. Mulder

Wageningen UR, Leerstoelgroep Educatie en Competentie Studies

Renate.Wesselink@wur.nl

 

Synopsis

 

Sterk geënt op ontwikkelingen in het bedrijfsleven is het competentiedenken ook centraal komen te staan in het debat over de vormgeving van het beroepsonderwijs. In allerlei praktijkgerichte projecten richten onderzoekers en betrokkenen zich op het ontwikkelen van competentieprofielen, het integreren van vakken, het dichterbij brengen van de beroepspraktijk en het hervormen van toetssystemen. Ondanks de populariteit van competentiegericht onderwijs is er nog geen theoretisch raamwerk beschikbaar. In deze bijdrage wordt een eerste aanzet gegeven om tot een theoretisch raamwerk en operationalisatie te komen voor competentiegericht beroepsonderwijs. Door middel van een Delphi studie is een matrix ontwikkeld met daarin acht principes voor competentiegericht beroepsonderwijs. De principes zijn geoperationaliseerd d.m.v. indicatoren en deze zijn uitgewerkt in vier opbouwende fasen: nulfase, beginfase, gevorderde fase en professionele fase. Het theoretische raamwerk en de matrix komen uitgebreid aan bod tijdens de presentatie en in de paper.

div 01/4/127pa

Í

 

De identificatie van ondernemerscompetenties in agribusiness

 

T. Lans

Educatie en Competentie Studies, Wageningen Universiteit

Thomas.Lans@wur.nl

 

Synopsis

 

Het competentiedenken heeft de laatste decennia steeds meer aan populariteit gewonnen. Ook in de ondernerschapsliteratuur wordt het belang van leren en ontwikkelen als cruciaal element van het ondernemerschap in een veranderende samenleving steeds vaker genoemd. Het competentiedenken, dat ook dit dynamische perspectief hanteert past hier uitstekend in. Het gaat dan niet alleen om de juiste set van competenties om ‘succesvol’ te zijn, maar nadrukkelijk ook om het verwerven van (nieuwe) competenties die nodig zijn voor het (blijven) functioneren als ondernemer in een snel veranderende samenleving. Echter het is niet duidelijk over welke competenties we het dan hebben, hoe we deze kunnen vaststellen en wat de gebruikswaarde is van een competentiebenadering voor de doelgroep. In dit onderzoek wordt op basis van een zelf-, peer- en expertassessment een set van competenties getoetst op bruikbaarheid en validiteit in de ondernemerscontext.

div 01/4/126pa

 

Í

 

Expertiseontwikkeling bij recent afgestudeerden in hun eerste baan

 

J. Dijkstra, W. Gijselaers & M. van de Wiel

Universiteit Maastricht

Joost.Dijkstra@educ.unimaas.nl

 

Synopsis

 

Beschikken pas afgestudeerde managers over voldoende vakkennis? Kunnen beginnende managers iets leren van hun werkplek? Uit onderzoek in het algemeen blijkt dat pas afgestudeerde managers in de eerste jaren van hun loopbaan onvoldoende groei in expertise laten zien. In het onderhavig onderzoek is nagegaan wat de invloed is van de sociale werkomgeving op de expertiseontwikkeling van pas afgestudeerde managers. Daarvoor zijn bij 61 beginnende managers twee casussen afgenomen om cognitieve prestatie in kaart te brengen tijdens het oplossen van een managementprobleem. Verder is van deze managers de sociale werkomgeving (netwerk) onderzocht op een structurele dimensie (sociaal netwerk), cognitieve dimensie (gedeelde kennis) en relationele dimensie (aard van de relatie). Verschillen in cognitieve prestatie worden verklaard door verschillen in de sociale werkomgeving.

div 01/4/181pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 2: Beleid en Organisatie in het Onderwijs

 

Timeslot 6 – Parallelsessie 2

Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. Wat is er mis met MIS?:

Ontwerp en evaluatie van een training in het gebruik van managementinformatie binnen scholen voor voortgezet onderwijs

2. Evaluatie van het experiment modularisering in het secundair onderwijs:

Types van modularisering

3. Het lange termijn rendement van het Nederlands voortgezet onderwijs: Verbeterd of verslechterd na invoering basisvorming

Í

 

Wat is er mis met MIS?:

Ontwerp en evaluatie van een training in het gebruik van managementinformatie binnen scholen voor voortgezet onderwijs

 

E. Branderhorst, A. Visscher en R. Bosker

em.branderhorst@xs4all.nl

 

Synopsis

 

De overheid wil met haar beleid scholen stimuleren om zelf hun organisatie te sturen en publiekelijk verantwoording af te leggen (zoals bijvoorbeeld blijkt uit de ontwikkelingen rondom de kwaliteitskaart, good governance en de tweede fase). Met het oog op de eisen die aan scholen gesteld worden door overheid, ouders en samenleving, is het in toenemende mate van belang beleid te ontwikkelen op grond van juiste informatie, de beleidseffecten te monitoren en afwijkingen te analyseren. Managementinformatiesystemen kunnen daarbij een belangrijke bron van informatie zijn.

Uit onderzoek blijkt echter dat managementinformatiesystemen in de meeste scholen geen rol van betekenis spelen bij de beleidsontwikkeling. Een belangrijke verklaring hiervoor is het gebrek aan kennis en vaardigheden bij het management van de scholen om gegevens uit informatiesystemen te benutten voor de ontwikkeling en evaluatie van beleid. Om deze reden heeft de Universiteit Twente in samenwerking met managers van scholen een training ontwikkeld met als veronderstelling dat het volgen van deze training leidt tot een intensiever gebruik van managementinformatiesystemen. In een veldexperiment werd deze hypothese bevestigd.

div 02/6/44pa

Í

 

 

Evaluatie van de pedagogisch-didactische en organisatorische vormgeving van het experiment modularisering in het beroepssecundair onderwijs

in Vlaanderen

 

H. Op den Kamp en K. De Rick

Hoger Instituut voor de Arbeid, Katholieke Universiteit Leuven

helen.opdenkamp@hiva.kuleuven.ac.be

 

Synopsis

Vanaf het schooljaar 2000-2001 wordt in het Vlaamse onderwijs geëxperimenteerd met een modulaire opleidingenstructuur. Dit experiment vindt plaats in 42 secundaire scholen en wordt wetenschappelijk geëvalueerd onder meer door het Hoger Instituut voor de Arbeid. In dit onderzoek wordt nagegaan hoe een modulair systeem pedagogisch-didactisch en organisatorisch wordt uitgebouwd. Aandacht gaat uit naar hoe faciliterende en belemmerende factoren bevorderd dan wel geminimaliseerd kunnen worden. Op basis van diepte-interviews peilen we naar varianten van flexibiliteit waarvan we verwachten dat deze zich situeren tussen minimale en maximale flexibiliteit.

div 02/6/176pa

 

Í

 

Het lange termijn rendement van het Nederlands voortgezet onderwijs: Verbeterd of verslechterd na invoering basisvorming

 

L.T.M. Rekers-Mombarg en M.P.C. van der Werf

GION, Gronings Instituut voor Onderzoek van onderwijs, opvoeding en ontwikkeling, Rijksuniversiteit Groningen

l.t.m.rekers-mombarg@ppsw.rug.nl

 

Synopsis

 

Evaluatie van de korte termijn effecten van de invoering van de basisvorming op het rendement van het Voortgezet Onderwijs (VO) liet positieve bevindingen zien. Door leerlingen die in het 1e leerjaar instroomden in het Voortgezet Onderwijs Cohort leerlingen 1993 (VOCL’93) worden na 5 jaar hogere onderwijsposities behaald dan door vergelijkbare leerlingen in VOCL’89. Daarentegen zou aantal voortijdig schoolverlaters de laatste jaren sterk zijn toegenomen. Dit lijkt in tegenspraak met elkaar. De vraag rijst dan ook of invoering van de basisvorming wel geleid heeft tot verbetering van het lange termijn rendement.

Na 9 jaren gevolgd te zijn in hun schoolloopbaan heeft 83% van de VOCL’93 leerlingen tenminste één diploma VO op zak en zal 11% met zekerheid geen VO diploma gaan halen. De eerste ruwe analyses laten zien dat het lange termijn rendement van VOCL’93 leerlingen verbeterd is ten opzichte van VOCL’89 leerlingen: het aantal leerlingen dat met zekerheid ongediplomeerd het VO verlaat is kleiner geworden, het percentage gediplomeerden en het niveau van het diploma is hetzelfde gebleven, de studieduur is verkort en het aantal leerlingen dat meer dan één type VO diploma haalt is toegenomen. Of deze positieve resultaten ook blijven bestaan als gecorrigeerd wordt voor de achtergrond- en instroomkenmerken van leerlingen wordt momenteel met meerniveau analyses onderzocht. Tijdens de ORD 2005 zal op deze vraag en op de vraag of er ook verschillen tussen (groepen van) leerlingen en (groepen van) scholen te detecteren zijn, antwoord gegeven worden.

div 02/6/194pa

 

é

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 4: Hoger Onderwijs

 

Timeslot 6 – Parallelsessie 3

Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u

 

Í

Vier paperpresentaties:

1. Stimulerende leeromgevingen voor allochtone studenten

2. Persoonlijkheid en leerstijlkenmerken: Verschillen tussen studenten met een VO- en MBO-vooropleiding bij de aanvang van een studie in het HBO

3. Beoordelingscapaciteiten van studenten bij peer-feedback

4. De moeilijkheidsgraad van toetsen in het Hoger Onderwijs:

Het inschattingsvermogen van docenten en studenten om de moeilijkheids-graad van toetsvragen juist in te schatten

Í

 

Stimulerende leeromgevingen voor allochtone studenten

 

S. Severiens, S. Rezai en R. Wolff

Risbo/Erasmus Universiteit

severiens@risbo.eur.nl

 

Synopsis

 

Deze studie onderzoekt mogelijke verschillen tussen allochtone en autochtone studenten als het gaat om studievoortgang en prestaties, en probeert de gevonden verschillen te verklaren aan de hand van factoren in de leeromgeving.

Op basis van een vragenlijststudie onder 512 WO studenten, kan geconcludeerd worden dat het met name voor allochtone studenten van belang is om onderwijsvernieuwingen door te voeren waarin de student centraal staat. In innovatieve leeromgevingen doen allochtone studenten het beter in vergleijking tot de meer traditionele leeromgevingen. Voorts zien we dat het eindexamencijfer in de groep autochtone studenten wel een voorspellende waarde heeft (cijfers en voortgang in het eerste studiejaar), maar niet in de groep allochtone studenten.

div 04/7/67pa

Í

 

 

Persoonlijkheid en leerstijlkenmerken: Verschillen tussen studenten met een VO- en MBO-vooropleiding bij de aanvang van een studie in het HBO

 

 

C. van Bragt*, J. van der Sanden*/**, A. Bakx* en M. Croon***

*Fontys Hogescholen

** Technische Universiteit Eindhoven

*** Universiteit van Tilburg)

cyrille.vanbragt@fontys.nl

 

Synopsis

 

Omdat er weinig bekend was omtrent de verschillen met betrekking tot persoonlijkheid en leerstijlkenmerken tussen HBO-starters met een MBO- en een VO-achtergrond, zijn als onderdeel van het opleidingsprogramma 2003/2004 daarop betrekking hebbende vragenlijsten afgenomen bij 3.226 eerstejaars voltijd HBO-studenten van 20 verschillende Fontys-opleidingen. Het onderzoek biedt antwoord op de volgende onderzoeksvragen (1) welke verschillen zijn er tussen eerstejaars studenten uit het “reguliere” VO enerzijds en het MBO anderzijds, betreffende persoonlijkheid en leerstijlkenmerken bij aanvang van een HBO-opleiding, (2) welke relaties zijn er tussen deze variabelen en hoe verschillen deze relaties tussen de twee groepen en (3) mag voor beide groepen worden aangenomen dat persoonlijkheid invloed uitoefent op leerconcepties, motivationele oriëntaties en regulatievoorkeuren en dat deze variabelen op hun beurt de studie-aanpak beïnvloeden.

div 04/7/135pa

 

Í

 

Beoordelingscapaciteiten van studenten bij peer-feedback

 

S. Gielen en F. Dochy

K.U.Leuven – Centrum voor Opleidingsdidactiek

sarah.gielen@ped.kuleuven.ac.be

 

Synopsis

 

Feedback heeft een een sterk positief effect op het leren, dat werd reeds veelvuldig aangetoond in onderzoek. Keerzijde van de medaille is de verhoogde werklast voor docenten. Peer-feedback sessies – als een specifieke vorm van peer-assessment – kunnen een oplossing bieden om de feedbackkansen voor studenten te verhogen. Het is een vorm van collaboratief leren, waarbij peers de rol van ‘kritische vriend’ vervullen en elkaars werk tussentijds evalueren, als aanvulling of ter vervanging van docent-feedback. De vraag is echter of studenten wel in staat zijn elkaar te beoordelen. In dit onderzoek nemen we de criteriumgerichte docentbeoordeling als norm, en vergelijken we de afwijkingen tussen peer- en docent-scores. Het doel van deze studie is om de variabiliteit tussen studenten wat betreft de kwaliteit van hun oordelen te onderzoeken, en factoren te identificeren die deze variabiliteit verklaren.

div 04/7/158pa

 

 

Í

 

De moeilijkheidsgraad van toetsen in het Hoger Onderwijs:

Het inschattingsvermogen van docenten en studenten om de moeilijkheids-graad van toetsvragen juist in te schatten

 

J. van der Rijt en G. van de Watering

Universiteit Maastricht, FdR, Edit

D. Gijbels

Universiteit Antwerpen, ECHO

F. Dochy

Katholieke Universiteit Leuven en Universiteit Maastricht

janine.vanderrijt@edit.unimaas.nl

 

Synopsis

 

Het is belangrijk dat bij de constructie van toetsen in het Hoger Onderwijs rekening wordt gehouden met de moeilijkheidsgraad van toetsvragen. Toch zijn er slechts enkele studies over de moeilijkheidsgraad. In deze studie staat de vraag of docenten in staat zijn toetsen te construeren die op de juiste moeilijkheidsgraad van studenten zijn gericht, centraal. Tevens wordt onderzocht in hoeverre studenten in staat zijn de moeilijkheidsgraad van toetsvragen juist te waarderen. Daarbij wordt ook ingegaan op de mogelijke relatie tussen de waardering van de moeilijkheidsgraad van de toetsvragen van studenten en de prestatie op een toets. Voorlopige resultaten laten zien dat studenten, vaker dan docenten, de moeilijkheid van een vraag juist weten in te schatten. De definitieve resultaten, mogelijke oorzaken en de consequenties van de gevonden verschillen zullen tijdens de ORD 2005-conferentie worden gepresenteerd.

div 04/7/206pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 4: Hoger Onderwijs

 

Timeslot 6 – Parallelsessie 4

Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Portfolio's in het hoger onderwijs:

Vraagstukken rondom design, inhoud, proces en beoordeling

 

Voorzitter:

J. van Tartwijk

Universiteit Leiden, ICLON

 

Auteurs van de papers:

D. Joosten-ten Brinke, D. Sluijsmans en W. Jochems

Onderwijs Technologisch Expertise Centrum, Open Universiteit Nederland, Heerlen

D. Tigelaar, D. Dolmans, W. de Grave, I. Wolfhagen en C. van der Vleuten

Capaciteitsgroep Onderwijsontwikkeling en Onderwijsresearch, Universiteit Maastricht.

M. Smits, D. Sluijsmans en W. Jochems

Onderwijs Technologisch Expertise Centrum, Open Universiteit Nederland, Heerlen Marieke.Smits@ou.nl

E. Driessen, K. Overeem, J. van Tartwijk en C.P.M. van der Vleuten

Capaciteitsgroep Onderwijsontwikkeling en Onderwijsresearch, Universiteit Maastricht

 

Discussiant:

D. Beijaard

Universiteit Leiden, ICLON

 

Synopsis

 

Portfolio’s worden steeds meer gebruikt in het hoger onderwijs. Toch zijn er rondom portfolio’s nog hete hangijzers, zoals op het gebied van design-, inhouds-, proces- en beoordeling. Deze worden in dit symposium onder de loep genomen. Desirée Joosten-ten Brinke gaat in op bronnen die bewijs kunnen leveren van informeel en non-formeel leren en de mate waarin deze generiek zijn. Dineke Tigelaar presenteert illustratieve voorbeelden van de wijze waarop docenten reflecteren op verschillende aspecten van hun functioneren. Marieke Smits gaat in op de vraag of studenten betere reflectieverslagen schrijven na competentiegericht onderwijs dan na traditioneel onderwijs, en of studenten meer reflecteren na feedback van een docent die daarin getraind is. Erik Driessen presenteert onderzoek waarin de validiteit van portfoliobeoordelingen centraal staat. Douwe Beijaard zal de symposiumbijdragen bediscussiëren.

div 04/8/106sy

 

é

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 5: Lerarenopleiding en Leraarsgedrag

 

Timeslot 6 – Parallelsessie 5

Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Leren van elkaar? (Beginnende) docenten onderzocht

 

Voorzitter:

Nog niet bekend.

 

Auteurs van de papers:

P. Meijer en J. Meirink

ICLON, Universiteit Leiden

meijerp@iclon.leidenuniv.nl

R. Zwart

ILS, Katholieke Universiteit Nijmegen

 

Discussiant:

M. Brekelmans

IVLOS, Universiteit Utrecht

 

Synopsis

 

Onderzoek laat zien dat wanneer docenten samen actief vorm proberen te geven aan hun professionele ontwikkeling, door bijvoorbeeld gezamenlijk onderwijsstrategieën te analyseren of samen met nieuwe vormen van onderwijzen en leren te experimenteren, dit hun onderwijs ten goede komt. Dit symposium bevat drie onderzoeken naar het leren van docenten in dergelijke vormen van interactie en (gezamenlijke) reflectie in structurele en georganiseerde samenwerking: collegiale coaching, vakoverstijgende projectgroepen en intervisie. In de drie onderzoeken wordt op verschillende manieren bewijs gezocht voor het leren van (beginnende) docenten. Naast analyse van interactie tijdens bijeenkomsten worden ook andere instrumenten hierbij ingezet. In de afzonderlijke bijdragen zal worden ingegaan op de gemaakte keuzes met betrekking tot de analyse van de data, welke gevolgen deze keuzes hebben, en wat dit oplevert.

div 05/9/192sy

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 6: Leren en Instructie

 

Timeslot 6 – Parallelsessie 6

Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u

 

Í

Vier paperpresentaties:

1. Towards a dynamic model of adaptive task selection

2. Percepties van authentieke assessment en de invloed hiervan

op het leergedrag

3. Kwaliteitscriteria voor Competentie Assessment Programma’s

4. Relationships between cognitions about learning, assessment expectations, attributions for academic success and learning behavior

 

Í

 

Towards a dynamic model of adaptive task selection

 

G. Corbalán Pérez, L. Kester, and J.J.G. van Merriënboer

Open Universiteit Nederland, Onderwijstechnologisch Expertisecentrum

Gemma.corbalan@ou.nl

 

Synopsis

 

Modern education emphasizes the need to flexibly adapt learning tasks to individual students. Especially for novices, it is important to choose task features, the amount of task support and the task difficulty level, so that limited working memory capacity is taken into account. This paper discusses a dynamic model of adaptive task selection which combines two opposite task-selection tendencies: System- and student-controlled approaches. First, the system selects a subset of most suitable learning tasks on the basis of performance scores and invested mental effort of the student. Second, this subset is presented to the student, who makes the final selection. A system has been developed that takes the model into practice. This personalized task-selection model with shared control is expected to increase the efficiency and effectiveness of instruction (i.e., since it adapts the tasks to each individual student), and to make it more appealing for the student (i.e., since it provides with some degree of student control).

div 06/6/73pa

Í

 

Percepties van authentieke assessment en de invloed hiervan

op het leergedrag

 

J. Gulikers, T. Bastiaens, en P. Kirschner

Onderwijstechnologisch Expertisecentrum, Open Universiteit Nederland

Judith.gulikers@ou.nl

 

Synopsis

 

Authenticiteit van een assessment, gedefinieerd als de mate van overeenkomst tussen 5 assessmentkenmerken en de kritische situatie in de beroepspraktijk, is een van de belangrijkste kenmerken van nieuwe vormen van toetsen in competentiegericht onderwijs.

Deze studie onderzoekt (1) de verschillen en overeenkomsten tussen student- en docentpercepties van een authentiek assessment en (2) de directe en indirecte relaties tussen studentpercepties van een authentiek assessment, hun studeeraanpak en de kwalitatieve en kwantitatieve leeruitkomst. Docenten blijken een assessment op meerdere kenmerken meer authentiek te vinden dan studenten. Resultaten van correlaties en structural equation modeling laten zien dat er verschillende positieve relaties zijn tussen perceptie van authenticiteit, diep leren en een verhoogde kwalitatieve en kwantitatieve leeruitkomst.

div 06/6/86pa

 

Í

 

Kwaliteitscriteria voor Competentie Assessment Programma’s

 

L. K.J. Baartman, T. J. Bastiaens, P. A. Kirschner

Open Universiteit Nederland

Liesbeth.Baartman@ou.nl

 

Synopsis

 

Nu leren en instructie steeds meer gebaseerd zijn op competenties, groeit de vraag naar assessment-methoden om verworven competenties aan te tonen. Omdat het onmogelijk lijkt één enkele geschikte methode te vinden, wordt voorgesteld zowel klassieke als nieuwe methoden te combineren in een Competentie Assessment Programma (CAP). Voor klassieke methoden gelden kwaliteitscriteria als validiteit en betrouwbaarheid, maar omdat CAP’s bestaan uit een combinatie van methoden, ontstaat de vraag welke kwaliteitscriteria hier moeten gelden. In dit onderzoek wordt een model van tien kwaliteitscriteria voorgesteld en gevalideerd in een expertmeeting: authenticiteit, cognitieve complexiteit, betekenis, eerlijkheid, transparantie, directheid, onderwijsgevolgen, tijd en kosten, herhaalbaarheid en vergelijkbaarheid. Negen van de tien criteria werden door de experts belangrijk gevonden en een aantal criteria werd toegevoegd. Op basis van de resultaten is het model aangepast.

div 06/6/186pa

 

 

Í

 

Relationships between cognitions about learning, assessment expectations, attributions for academic success and learning behavior

 

J. Ferla and M. Valcke

Ghent University

Johan.ferla@UGent.be

 

Synopsis

 

This paper demonstrates students cognitions such as their conceptions of learning, assessment expectations and attributions for academic success either induce a more reproduction oriented or a more meaning oriented learning approach. Furthermore it is demonstrated these student cognitions often form a coherent set of beliefs which either induce a reproduction oriented or a meaning oriented learning approach. Finally it is demonstrated that students can be categorized into four student types on the basis of the above mentioned student cognitions and the accompanying learning behavior: meaning oriented, reproduction oriented, deep learning oriented and passive students. The paper describes  the learning strategy of all four student types in detail.

div 06/6/200pa

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 7: Methodologie en Evaluatie

 

Timeslot 6 – Parallelsessie 7

Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Methodologische uitdagingen voor CSCL onderzoek

 

Voorzitter:

R. Martens

Universiteit Leiden, Afdeling Onderwijsstudies

 

Auteurs van de papers:

B. De Wever, H. Van Keer, T. Schellens en M. Valcke

Universiteit Gent, Vakgroep Onderwijskunde

P.J. Beers, E. Boshuizen en P. Kirschner

OTEC Open Universiteit, Nederland

J. van der Pol en W. Admiraal

Universiteit Utrecht, IVLOS, Expertise Centrum ICT en (Hoger) Onderwijs

 

Discussiant:

R.J. Simons

Universiteit Utrecht, IVLOS, Expertise Centrum ICT en (Hoger) Onderwijs

 

Organisator:

J.-W. Strijbos

Universiteit Leiden, Afdeling Onderwijsstudies

jwstrijbos@fsw.leidenuniv.nl

 

Synopsis

 

Samenwerkend leren wordt in toenemende mate ingezet in alle geledingen van het onderwijs en het gebruik van computerondersteund samenwerkend leren (CSCL: Computer-Supported Collaborative Learning) neemt toe. Het onderzoeksveld is multidisciplinair (o.a. sociologie, informatica, onderwijs- en sociale psychologie en communicatie wetenschap) en biedt vele analysebenaderingen, zoals kwantitatieve inhoudsanalyse, conversatie analyse, multilevel analyse, cross case matrices, etc. Het blijkt zeer lastig om te bepalen welke benadering het meest geschikt is om de data in een specifieke context te analyseren. Het doel van dit symposium is de keuze voor een analysebenadering, of het ontwikkelen van een specifieke benadering voor een specifieke dataverzameling, nader te expliciteren. Iedere bijdrage bespreekt één of meerdere methodes die geïllustreerd worden met enige onderzoeksresultaten.

div 07/7/49sy

 

é

 

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 7: Methodologie en Evaluatie

 

Timeslot 6 – Parallelsessie 8

Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

Flexibilisering van centrale examens

 

Voorzitter:

A.A. Béguin

Cito, POK

Anton.beguin@citogroep.nl

 

Auteurs van de papers:

A.A. Béguin

Cito, POK

T.J.H.M. Eggen en P.F. Sanders

 

Discussiant:

D.N.M. de Gruijter

Universiteit Leiden, ICLON

 

Synopsis

 

Toenemende autonomie van scholen, de inhoudelijke en pedagogisch-didactische vernieuwing in de bovenbouw en de toenemende individualisering van de leertrajecten  zorgen voor een roep uit het onderwijsveld om centrale examens die flexibeler zijn en daarmee beter aansluiten bij de onderwijsvernieuwing. In dit symposium worden de mogelijkheden en onmogelijkheden van een flexibel systeem van examineren belicht vanuit een methodologische standpunt. In elk van de presentaties komt de nadruk te liggen op één van de volgende onderwerpen: meten van competenties en vaardigheden, adaptieve toetsing en bepaling van de standaard op het examen. Aan de hand van voorbeelden van mogelijke scenario’s wordt bij elk van deze onderwerpen de relatie gelegd met een systeem van flexibel examineren.

div 07/8/115sy

 

é

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 8: Onderwijs en Samenleving

 

Timeslot 6 – Parallelsessie 9

Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u

 

Í

Drie paperpresentaties:

1. De keuze voor een exact profiel door jongens en meisjes in havo en vwo

2. De sociale relaties van hoogbegaafde leerlingen

en hun klasgenoten in het VO

3. Motivatie voor school van adolescenten:

Verschillen in leeftijd en land

Í

 

De keuze voor een exact profiel door jongens en meisjes in havo en vwo

 

A. van Langen

ITS, Radboud Universiteit Nijmegen

L. Rekers-Mombarg

GION, Rijksuniversiteit Groningen

H. Dekkers

FSW sectie Onderwijs&Educatie, Radboud Universiteit Nijmegen

a.v.langen@its.ru.nl

 

Synopsis

 

In Nederland is al geruime tijd sprake van een gebrek aan belangstelling voor exacte vakken en studies. Aanvankelijk gold dat vooral voor meisjes, de laatste jaren ook steeds meer voor jongens. In het verleden is al veel onderzoek verricht naar factoren die van invloed zijn op het kiezen van exacte vakken. In 1998 is er in Nederland echter een belangrijke wetswijziging doorgevoerd, waardoor leerlingen in havo en vwo verplicht zijn te kiezen uit vier profielen die elk een specifieke combinatie van vakken inhouden, naast een algemeen verplicht deel en een beperkt vrij deel. Hiermee werd enerzijds beoogd dat leerlingen zich bewuster oriënteren op studie en beroep, anderzijds dat het onderwijsaanbod meer samenhang heeft zodat zij beter voorbereid zijn op het vervolgonderwijs. De vier profielen zijn: Cultuur & Maatschappij, Economie & Maatschappij, Natuur & Gezondheid en Natuur & Techniek. Op basis van de gegevens van ruim 3500 havo- en vwo-leerlingen uit een grootschalig lopend cohort (VOCL’99) wordt in dit onderzoek nagegaan in hoeverre de invoering van de profielen heeft geleid tot veranderingen in de determinanten van de exacte vakkenkeuze (c.q. Natuurprofiel-keuze) door zowel jongens als meisjes. Met behulp van softwarepakket Mlwin zijn daartoe meerniveau analyses uitgevoerd die gebaseerd zijn op geordende multicategorale respons modellen.

 

div 08/10/93pa

Í

 

 

De sociale relaties van hoogbegaafde leerlingen

en hun klasgenoten in het VO

 

M. J. Lubbers, R. J. Bosker, M. P. C. Van der Werf & H. Kuyper

Gronings Instituut voor Onderzoek naar Onderwijs, Opvoeding en Ontwikkeling (GION), Rijksuniversiteit Groningen

m.j.lubbers@ppsw.rug.nl

 

Synopsis

 

In het maatschappelijke debat wordt vaak gesteld dat hoogbegaafde leerlingen op school meer socio-emotionele problemen hebben dan hun klasgenoten. Onderzoek levert echter gemengde resultaten op. Ook recent onderzoek van Guldemond c.s. in het Nederlandse VO wees uit dat er gemiddeld genomen geen reden is om extra aandacht te besteden aan de sociale positie van hoogbegaafden in de klas, maar een kritiekpunt op dit onderzoek was dat maar 1 aspect van sociale relaties is onderzocht. Dit paper bestudeert of hoogbegaafde leerlingen afwijken van niet-hoogbegaafde klasgenoten op verschillende aspecten van hun sociale netwerk in de klas. Eerder gevonden predictoren voor het ontstaan van problemen, zoals sekse, IQ (‘de mate van’ hoogbegaafdheid) en variatie in IQ in de klas zijn meegenomen. Enkele hoogbegaafde leerlingen bleken af te wijken, maar gemiddeld ondersteunen onze conclusies die van Guldemond c.s. 

div 08/10/102pa

 

Í

 

Motivatie voor school van adolescenten:

Verschillen in leeftijd en land

 

T. Peetsma en I. van der Veen

SCO-Kohnstamm Instituut, Faculteit der Maatschappij en Gedragswetenschappen

Universiteit van Amsterdam

T.T.D.Peetsma@UvA.nl

 

Synopsis

 

Afname in motivatie voor school van leerlingen en hun prestaties tijdens de adolescentie is een bekend fenomeen, waarvoor verschillende verklaringen in de literatuur zijn te vinden. Het wordt doorgaans verklaard uit zelfevaluaties of verwachtingen van leerlingen en hun doelen: alle nogal cognitief van aard. Tegenwoordig worden daarbij meer sociale en affectieve aspecten van het leven onderzocht. Het relatieve belang van meer sociale en affectieve waarden van leerlingen in vergelijking met meer cognitieve, hoeft niet gelijk te zijn in verschillende culturen en landen. De relatieve waardering van prestaties of van het sociaal functioneren kan ook verschillen over de adolescentieperiode en zou daarmee de afname in inzet voor school en schoolprestaties mede kunnen verklaren. Het te presenteren onderzoek is uitgevoerd vier landen (de voormalige DDR, Nederland, Tsjechië en Zwitserland) en in drie adolescentieperioden.

div 08/10/154pa

 

é

 

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 9: ICT en Onderwijs

 

Timeslot 6 – Parallelsessie 10

Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

 

ICT-monitors in Nederland en Vlaanderen

 

Voorzitter:

J. Elen

Katholieke Universiteit Leuven

jan.elen@ped.kuleuven.ac.be

 

Auteurs van de papers:

G. Clarebout en J. Elen

Katholieke Universiteit Leuven

J. Tondeur, M. Valcke en J. van Braak

Universiteit Gent

H. van Gennip, H. Braam en E. Smeets

Radboud Universiteit Utrecht

 

Discussianten:

J. Lowyck

Katholieke Universiteit Leuven

J. De Craemer

Vlaamse Gemeenschap – Afdeling Beleidscoördinatie Onderwijs

 

Synopsis

 

Zowel in Nederland als in Vlaanderen wordt de ICT-infrastructuur jaarlijks in kaart gebracht aan de hand van een bevraging. In Vlaanderen werd hiervoor gebruik gemaakt van de PC/KD-vragenlijst waarbij naast de besteding van de gelden ook aan scholen werd gevraagd gegevens over infrastructuur (aantal computers, internetaansluiting, toegang tot PC's, etc.) te rapporteren. In Nederland worden daarenboven gegevens bevraagd, die op het gebruik van ICT gericht zijn. De vraag die bij dergelijke metingen vaak naar boven komt is of het gebruik van dergelijke instrumenten / vraagstelling wel een adequate manier is om zicht te krijgen op het gebruik van de ICT-infrastructuur. Bovendien rijst de vraag welke betrokkenen bevraagd zouden moeten worden om hier een volledig zicht op te krijgen. Deze aspecten komen zullen aan de hand van drie bijdrages en twee discussianten in dit symposium worden behandeld.

div 09/5/54sy

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

Divisie 10: Vakdidactiek

 

Timeslot 6 – Parallelsessie 11

Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u

 

Í

SYMPOSIUM

Í

Bètadidactisch en onderwijskundig onderzoek:

Twee kanten van dezelfde medaille?

 

Voorzitter:

M.J. Goedhart

Rijksuniversiteit Groningen

m.j.goedhart@rug.nl

 

Auteurs van de papers:

M. van Eijck en T. Ellermeijer

Universiteit van Amsterdam

P. Vos, M. Witterholt, J. Folkert Deijnum, A. van Streun en M. Goedhart

Rijksuniversiteit Groningen

 

Discussiant:

J. van Driel

Universiteit Leiden

 

Synopsis

 

Dit symposium gaat in op een van de conferentiethema’s, namelijk de positie van vakdidactisch onderzoek ten opzichte van onderwijskundig onderzoek. Daarbij beperken we ons tot het onderzoek in de bètadidactiek. Met bijdragen uit de wiskunde-, biologie- en natuur-/scheikundedidactiek willen we enkele kenmerken van bètadidactisch onderzoek illustreren. In de afsluitende bijdrage zal – gebruikmakend van de voorafgaande drie symposiumbijdragen – ingegaan worden op het conferentiethema. Daarbij is de conclusie dat het specifieke karakter van bètadidactisch onderzoek wordt bepaald door het object van onderzoek (de vakinhoud). Verder zal worden ingegaan op de vraag naar de begrenzing van de verschillende vakdidactische kaders binnen bètadidactisch onderzoek.

div 10/4/143sy

 

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

POSTER PRESENTATIES REEKS 1

Í

Dinsdag 31 mei van 10.45 tot 12.30u

Í

15 posterpresentaties:

  1. Welbevinden en functioneren van directies basisonderwijs (div 02).
  2. De rol van het directieteam en het middenkader bij gedeeld leiderschap (div 02).
  3. Beleidsvoerend vermogen in Vlaamse basis- en secundaire scholen (div 02).
  4. Implementatie van onderzoekscompetentie in het algemeen secundair onderwijs (div 03).
  5. Ontwerpregels voor multiprofessioneel, competentiegericht onderwijs (div 03).
  6. Leren op de werkplek van docenten in het Hoger Onderwijs (div 04).
  7. Studerend lezen ter voorbereiding op experimenteel onderzoek (div 06).
  8. Zelfstuderend leren in de lagere school (div 06).
  9. Invloed sociale omgeving op de (on)tevredenheid met de leeromgeving (div 06).
  10. De ondersteuning van common ground in multidisciplinaire teams (div 06).
  11. Leren door observatie van expertmodellen in multimedia leeromgevingen

(div 06).

  1. Mixed methods data analyse in onderzoek naar concepties over onderwijsveranderingen (div 07).
  2. De vijfpuntenschaal in onderwijsonderzoek: De regel, maar ook in regel?

(div 07).

  1. Leerkrachtstijl, betrokkenheid en sociale competentie (div 12).
  2. Kronos: Een instrument voor studietijdmetingen (div 12).

Í

 

Welbevinden en functioneren van directies basisonderwijs:

Een hypothetisch verklaringsmodel

 

G. Hotton en N. Engels

Vrije Universiteit Brussel -InterDisciplinaire vakgroep LerarenOpleiding

D. Bouckenooghe

Vlerick Leuven Gent Management School - Competentiecentrum Mens en Organisatie

G. Devos

Universiteit Gent – Vakgroep Onderwijskunde &

Vlerick Leuven Gent Management School - Competentiecentrum Mens en Organisatie

A. Aelterman

Universiteit Gent –Vakgroep Onderwijskunde

ghotton@vub.ac.be

 

Synopsis

 

Vanuit systeemtheoretisch perspectief veronderstellen we dat zowel functioneren als welbevinden van directies basisonderwijs interageren met contextkenmerken en factoren op drie niveaus: persoonsgebonden factoren (bijv. gezinssituatie), schoolgebonden factoren (bijv. schoolcultuur) en omgevingsgebonden factoren (bijv. overheid). Door middel van een mixed-method design werd nagegaan hoe factoren samenhangen met het functioneren en welbevinden van directeurs in het basisonderwijs en hebben we de relatie onderzocht tussen schoolcultuur en het welbevinden van de leerkrachten en het functioneren en welbevinden van de directeurs. Tijdens de presentatie komen het theoretisch kader, de onderzoeksfasen en de onderzoeksmethodiek aan bod en worden in functie van de centrale onderzoeksvraag een aantal hypotheses geformuleerd die getoetst worden aan de onderzoeksresultaten. Uit deze resultaten blijkt dat directies met een positief welbevinden zich kenmerken door een sterke prestatie oriëntatie en een hoge doelmatigheidsbeleving. Ze beschikken vaker over een tevreden team, zijn in staat hun leerkrachten te motiveren en voelen zich gesteund door zowel hun leerkrachten als door hun omgeving. Wetten, decreten en de daarmee samenhangende administratie blijken dan weer de grootste bron van frustratie te zijn.

div  02/7/47po

 

 

De rol van het directieteam en het middenkader bij gedeeld leiderschap

 

H. Hulpia en G. Devos

Vakgroep Onderwijskunde - Universiteit Gent

Hester.hulpia@UGent.be

 

Synopsis

 

Het onderzoek naar de rol van het directieteam en het middenkader bij gedeeld leiderschap heeft als doel een conceptueel kader van gedeeld leiderschap te construeren. In het bijzonder wordt de rol- en taakverdeling tussen directieleden, coördinatoren en (in technische en beroepsscholen) technisch adviseurs geanalyseerd. Afgeleide onderzoeksvragen hebben betrekking op de vier rollen van leiderschap die door Quinn en Cameron (1999) worden onderscheiden. Daarnaast wordt onderzocht hoe de interactie tussen de verschillende actoren wordt gekenmerkt en hoe dit gedeeld leiderschap wordt gepercipieerd. Om bovenstaande onderzoeksvragen te beantwoorden, wordt een kwalitatief onderzoek opgezet in secundaire scholen met minimum 600 leerlingen. De eerste resultaten van de multiple case studies worden toegelicht op ORD 2005.

div  02/7/18po

 

 

Beleidsvoerend vermogen in Vlaamse basis- en secundaire scholen

 

V. Warmoes

Vlerick Leuven Gent Management School

T. Dang Kim

Universiteit Antwerpen

G. Devos

Vlerick Leuven Gent Management School, Universiteit Gent en Universiteit Antwerpen

P. Van Petegem en P. Mahieu

Universiteit Antwerpen

veronique.warmoes@vlerick.be

 

Synopsis

 

De laatste jaren geeft de overheid Vlaamse scholen geleidelijk meer ruimte om een eigen beleid te voeren. Dit onderzoek wil de bepalende variabelen van het beleidsvoerend vermogen van scholen analyseren. Het beleidsvoerend vermogen wordt aan de hand van zeven dragers geoperationaliseerd: de doelgerichte en gedeelde visie, het leiderschap, de openheid voor innovaties, de participatie van leerkrachten in de besluitvorming, de professionele samenwerking van leerkrachten, de responsiviteit en het reflecterend handelen. Het beleidsvoerend vermogen kan versterkt worden door de uitbouw van sterke netwerken tussen scholen. In het onderzoek komen zowel kwalitatieve als kwantitatieve onderzoeksmethoden aan bod.

div  02/7/29po

 

 

Implementatie van onderzoekscompetentie

in het Algemeen Secundair Onderwijs

 

I. Flament, I. Tallon, Ch. Van Woensel, M. Vrijsen, en G. Moens.

Interdisciplinaire vakgroep Lerarenopleiding (IDLO), Vrije Universiteit Brussel

mvrijsen@vub.ac.be

 

Synopsis

 

De onderzoekscompetentie maakt deel uit van de verplichte specifieke eindtermen voor het ASO die vanaf 2006 – 2007 in acht moeten worden genomen. Het zijn domeinonafhankelijke eindtermen en ze geven geen aanduiding over de wijze waarop de onderzoekscompetentie bij leerlingen kan gerealiseerd worden. Tevens is er in Vlaanderen weinig materiaal, onderzoek en good practices voorhanden met betrekking tot onderzoekscompetentie en onderzoekend leren in de klas. Om deze lacune op te vullen heeft de Werkgroep OnderzoeksCompetentie een gids ontwikkeld, de zogenaamde Onderzoekswijzer, gericht naar scholen en leraren om hen te ondersteunen en begeleiden bij het implementeren van onderzoekscompetentie. Vervolgens wordt de bruikbaarheid - inhoudelijk en organisatorisch - van de Onderzoekswijzer geoptimaliseerd aan de hand van een actiebegeleidend en participerend onderzoek.

div  03/5/95po

 

 

Ontwerpregels voor multiprofessioneel, competentiegericht onderwijs

in de gezondheidszorg

 

I.I. Zitter MSc MTD, G.F.L.M. Rubens en J.I. Lam

Universiteit Utrecht, IVLOS, Expertisecentrum ICT in het Onderwijs

i.zitter@ivlos.uu.nl

 

Synopsis

 

Dit onderzoek is uitgevoerd in de context van het project ‘Multiprofessioneel leren met behulp van ICT’. Naast het ontwikkelen het onderwijs, is een nevendoel van het project het faciliteren van kennisontwikkeling en kennisdeling met betrekking tot multiprofessioneel, competentiegericht leren. Om de onderwijspraktijk te betrekken als medeontwikkelaar van kennis is ervoor gekozen om participanten aan het project te bevragen middels een Delphi-studie. Om te komen tot kennisproducten met toegevoegde waarde voor de onderwijspraktijk, zijn de bijdrages uit de eerste ronde van de Delphi-studie verwerkt tot ontwerpregels voor het ontwikkelen van multiprofessioneel, competentiegericht onderwijs en zijn deze ontwerpregels in de tweede ronde gevalideerd. Tot slot is bekeken hoe geschikt een Delphi-studie is als methode voor het betrekken van de onderwijspraktijk en het ontwikkelen van kennisproducten met een toegevoegde waarde voor de onderwijspraktijk.

div  03/5/117po

 

 

Leren op de werkplek van docenten in het Hoger Onderwijs

 
C. Hofman & M. van den Hurk
Radboud Universiteit Nijmegen

chofman@avans.nl

 

Synopsis

 

Docenten in het Hoger Onderwijs professionaliseren zich door het verrichten van reflectieve, interactieve leeractiviteiten en leeractiviteiten met betrekking tot het bijhouden/toepassen van nieuwe ontwikkelingen. In deze studie is middels een vragenlijst bij 259 docenten (Faculteit Techniek en  Educatie, Hogeschool Arnhem & Nijmegen) onderzocht of er een discrepantie is tussen de mate waarin docenten deze leeractiviteiten uitvoeren en de mate waarin zij de leeractiviteiten waardevol/zinvol vinden. Daarnaast is onderzocht welke factoren de uitvoering van de leeractiviteiten bevorderen of belemmeren. De resultaten laten zien dat docenten alle leeractiviteiten significant zinvoller vinden dan dat ze in de praktijk (kunnen) uitvoeren. Gebrek aan faciliteiten wordt als belangrijkste belemmerende factor gezien, meest bevorderend is de collegiale steun en de houding van studenten.

div 04/9/32po

 

 

Studerend lezen ter voorbereiding op experimenteel onderzoek

in een simulatieomgeving

 

H. Jonker en J. Beishuizen

Onderwijscentrum, Vrije Universiteit

h.jonker@ond.vu.nl

 

Synopsis

 

In dit onderzoek wordt van 5 VWO leerlingen gevraagd om zich in een bepaald domein te verdiepen: het menselijk geheugen. In een enkelvoudig factorieel design wordt door de leerlingen de invloed bekeken van vijf onafhankelijke variabelen op één afhankelijke variabele. Twee variabelen zijn irrelevant, drie hebben een hoofdeffect waarvan er twee interacteren. De derde variabele heeft alleen een hoofdeffect maar wel een bijzondere (een omgekeerde u-vorm). De belangrijkste onderzoeksvraag is of leerlingen, afhankelijk van hun score op de leerstijl concrete elaboratie, hoofdzakelijk theorieparagrafen gaan lezen dan wel voorbeeldparagrafen. Er kan steeds geswitched worden tussen het leesscherm en het experimenteerscherm. Na afloop wordt hun relationele (goede experiment noodzakelijk) en inhoudelijke (tekst noodzakelijk) kennis getoetst.

div  06/7/34po

 

 

Zelfsturend leren in de lagere school:

Mogelijkheden, wenselijkheden en actueel gebruik volgens leraren

 

K. Lombaerts, N. Engels & G. Hotton

Vakgroep Onderwijskunde Vrije Universiteit Brussel (VUB)

Koen.Lombaerts@vub.ac.be  

 

Synopsis

 

Zelfsturend leren heeft de laatste decennia sterk aan belang gewonnen. Onderzoeksmatig uit dit zich voornamelijk binnen secundair (voortgezet) en hoger onderwijs. Onderzoek naar de rol en aanwezigheid van zelfsturend leren op het niveau van het basisonderwijs is echter beperkt. Nochtans worden ook leerlingen in de lagere (primaire) school aangesproken op hun zelfsturende vaardigheden en wordt een grote nadruk gelegd op het oefenen van metacognitieve vaardigheden die nodig zijn om het eigen leren te sturen. Het onderzoek waarover we rapporteren gaat na welke plaats zelfsturend leren momenteel inneemt en kan innemen in het basisonderwijs.

Een eerste onderzoeksfase situeert zich op leraarniveau: welke zijn hun opvattingen met betrekking tot zelfsturend leren, aan welke randvoorwaarden moet volgens hen worden voldaan om zelfsturend leren in de lagere school in te voeren, en in welke mate is momenteel al sprake van zelfsturende leerpraktijken? We presenteren bondig de plaats van deze onderzoeksfase in het breder onderzoeksproject, de onderzoeksopzet, het ontwikkelde instrument, de timing en de te verwachten resultaten.

div  06/7/31po

 

 

De invloed van de sociale omgeving

op de (on)tevredenheid van leerlingen met de leeromgeving

 

M.M.M. Peeters, K.D. Könings, S. Brand-Gruwel en J.J.G. Van Merriënboer.

Open Universiteit Nederland, OTEC

Marieke.Peeters@ou.nl

 

Synopsis

 

Uit eerder onderzoek blijkt dat de mate van tevredenheid met en de perceptie van de kracht van de Tweede Fase door leerlingen VO samenhangt met leerstijlkenmerken van de leerling. Dit is een interessante bevinding voor ontwerpers, aangezien juist die leerlingen die het nodig hebben om een betere leerstijl te ontwikkelen, de leeromgeving niet ervaren als hulpmiddel bij het ontwikkelen van de benodigde vaardigheden. In dit onderzoek wordt gekeken naar de invloed van ouders en peers op percepties van, en tevredenheid met de leeromgeving. We verwachten dat tevreden leerlingen tevreden vrienden hebben en ouders die hen stimuleren en motiveren voor school, en omgekeerd. Als deze hypothese wordt bevestigd betekent dit dat er samenhang is tussen de invloed van de sociale omgeving en de percepties en de tevredenheid van de leerling. Dit heeft consequenties voor het ontwerpen van een leeromgeving en de mate waarin leerlingpercepties daarin een rol dienen te spelen.

div  06/7/145po

 

 

De ondersteuning van common ground in multidisciplinaire teams

 

A. Schurer, P.J. Beers en E. Boshuizen

Open Universiteit Nederland

Aukje.Schurer@ou.nl

 

Synopsis

 

Deze poster behandelt een onderzoek naar methoden voor het ondersteunen van een gedeeld cognitief referentiekader, ook wel common ground genoemd. Common ground wordt gezien als een belangrijke voorwaarde voor het delen van kennis, die aan de basis staat van een succesvol probleemoplossingproces in multidisciplinaire teams. Door te variëren in de mate van vrijheid die men heeft tijdens discussie- en overlegsituaties werd gekeken naar de meest gunstige methode om common ground te genereren in multidisciplinaire teams. In tegenstelling tot eerder onderzoek werd gevonden dat een hoge mate van vrijheid tot meer common ground leidt. Een verklaring hiervoor ligt mogelijk in de verschillende onderzoekspopulaties. In eerdere studies bestond deze uit universitaire studenten, terwijl aan bovengenoemde studie scholieren middelbaar beroepsonderwijs deelnamen waarvan gebleken is dat zij een lagere spanningsboog hebben.

div  06/7/42po

 

 

 

Leren door observatie van expertmodellen in multimedia leeromgevingen:

De relatie tussen modaliteit, tempocontrole en segmentering

 

P. Wouters, F. Paas & J. van Merriënboer

Open Universiteit Nederland

Onderwijs Technologisch Expertise Centrum

Pieter.wouters@ou.nl

 

Synopsis

 

Hedendaagse theorieën over instructie richten zich steeds meer op leren aan de hand van realistische taken. In deze theorieën wordt de observatie van expertmodellen gezien als een belangrijke instructiebenadering. Vaak worden multimedia expertmodellen gebruikt die een expert laten zien die een realistisch probleem oplost en uitlegt hoe dit gebeurt en waarom op die specifieke manier. Deze expert modellen combineren drie informatiebronnen (de oplossing, de stappen om tot een oplossing te komen en vuistregels om de juiste stappen te selecteren) die mentaal geïntegreerd dienen te worden en daarom makkelijk tot cognitieve overbelasting kan leiden. In dit onderzoek wordt het modaliteiteffect bestudeerd in relatie tot tempocontrole en segmentering met als doel te komen tot een optimale besteding van cognitieve capaciteit.

div  06/7/123po

 

 

Het gebruik van een mixed methods data analyse in een onderzoek naar concepties over onderwijsveranderingen

 

V. Donche & P. Van Petegem

Universiteit Antwerpen

vincent.donche@ua.ac.be

 

Synopsis

 

Onderzoek in het domein van leren en instructie heeft aangetoond dat leerkrachten verschillen in hun concepties en benaderingen van hoe onderwijzen dient te worden begrepen (Kember, 1997; Prosser & Trigwell, 1999). Dit onderzoek is gericht op het in kaart brengen van verschillen in concepties van studenten leraren in opleiding over onderwijsveranderingen. Welke noodzakelijke veranderingen onderstrepen studenten ten aanzien van leerinhouden, curriculum, leer- en onderwijsstrategieën en assessmentprocedures? Daarbij wordt in het onderzoek ook aandacht besteed aan de relatie tussen persoonlijke factoren zoals bvb. de mate waarin studenten reeds praktijkervaring in het onderwijs hebben, en  de specifieke concepties over onderwijsveranderingen.

div  07/9/163po

 

 

De vijfpuntenschaal in onderwijsonderzoek: De regel, maar ook in regel?

 

S. De Maeyer en J. Vanhoof

Universiteit Antwerpen

Sven.demaeyer@ua.ac.be

 

Synopsis

 

Bij het ontwikkelen van vragenlijsten is de keuze of de constructie van antwoordschalen een belangrijk aandachtspunt. Er wordt nogal eens gepleit voor een vijf- of zevenpuntenschaal met middenpunt en met uitwijkmogelijkheid (‘niet van toepassing’ of ‘weet niet’). Twee onderzoeksvragen omtrent schaalgebruik staan centraal in deze poster: (1) is het verstandig om zowel een middencategorie als een uitwijkcategorie op te nemen bij het gebruik van een vijfpuntenschaal en (2) welke eigenschappen van de items maken dat respondenten in de richting van de categorie ‘weet niet/niet van toepassing’ geduwd worden.

De onderzoeksresultaten leren dat het veronderstelde neutrale middenpunt van vijfpuntenschalen enkel in het midden ligt van de schaal als de ‘weet niet’-antwoorden uit de schaal weggefilterd worden. Met andere woorden, het neutraal middenpunt ligt enkel werkelijk in het midden van de schaal indien een afzonderlijke uitwijkmogelijkheid wordt opgenomen in de schaal. Daarnaast concluderen we dat een aantal vormelijke kenmerken van items van invloed zijn op de mate waarin respondenten de uitwijkmogelijkheid selecteren.  Deze zijn het ‘niet van toepassing’-zijn van het item voor een groep respondenten, een indirecte manier van bevraging, de nood aan nuancering bij sommige items en de complexiteit van items.

div  07/9/208po

 

 

Leerkrachtstijl, betrokkenheid en sociale competentie:

Een exemplarische beschrijving van drie instrumenten als illustratie van

het AANPAK – PROCES - EFFECT - schema

 

F. Laevers en B. Declercq

Expertisecentrum Ervaringsgericht Onderwijs-K.U.Leuven

Ferre.laevers@ped.kuleuven.ac.be

 

Synopsis

 

In deze poster worden exemplarisch drie instrumenten beschreven die voor het AANPAK – PROCES – EFFECT - schema representatief zijn. Voor ‘proces’ betreft het de Leuvense Betrokkenheidschaal, een 5-puntenschaal die zijn toepassing vindt in een waaier van contexten en instrumenten – van de peuteropvang tot hoger onderwijs, van peilinginstrumenten tot volgsysteem. In de poster wordt een overzicht gegeven van eigen en internationaal onderzoek. Voor het aspect ‘aanpak’ wordt de Adult Style Observation Schedule beschreven waarin tussenkomsten van volwassenen – in contexten van peuteropvang tot secundair onderwijs – vanuit drie dimensies [stimuleren, sensitivity en autonomie verlenen] worden beoordeeld. Voor het luik ‘effect’ wordt de Social Competence Test beschreven, een instrument voor 3- tot 7-jarigen waarin op basis van op video gepresenteerde poppenkastscènes gepeild wordt naar rolneming, interpretatie van sociale interacties, voorspellen van gedrag en adequaat interveniëren.

div  12/3/179po

 

 

Kronos, een instrument voor studietijdmetingen

 

H. Schrooten en K. Vangeel

Katholieke Hogeschool Kempen

hilde.schrooten@khk.be

 

Synopsis

 

Sinds de decreten van 1991 en 1994 zijn universiteiten en hogescholen verplicht om de studietijd per opleidingsonderdeel te begroten via studiepunten en om met studietijdmetingen na te gaan of de feitelijk bestede tijd overeenkomt met de begrote tijd. In deze poster stellen we Kronos voor, de webapplicatie die we in de Associatie K.U.Leuven ontwikkelden voor de techniek van tijdschrijven. Kronos voldoet aan drie doelstellingen: 1) Met het systeem kunnen op een gebruiksvriendelijke manier gegevens over de studietijd verzameld worden; 2) Kronos speelt in op de flexibilisering en 3) Het systeem zorgt voor vergelijkbare studietijdgegevens. Dit academiejaar gebruiken bijna 40 opleidingen van zeven associatiepartners Kronos voor hun studietijdmetingen. In de presentatie geven we resultaten van de afgeronde metingen en gaan in op lessen die we trekken uit de proefprojecten. We ronden af met enkele perspectieven voor verder onderzoek en ontwikkelingswerk.

div  12/3/107po

 

é

 

 

 

 

 

 

ORD  2005

POSTER PRESENTATIES REEKS 2

Í

Woensdag 1 juni van 10.45 tot 11.15u

en van 13.00 tot 14.00u

Í

16 posterpresentaties:

  1. Van overheidssturing naar governance: Prestatiesturing (div 02).

2.      Professionalisering op maat van de organisatie (div 02).

3.      Vertrek en omzwaai in het hoger onderwijs (div 04).

4.      Herkennen van risicostudenten in het eerste jaar exacte wetenschappen (div 04).

5.      Digitale sTUdiekeuzecoach (div 04).

6.      Competentiegericht onderwijs voor studenten apotheker (div 04).

7.      Onderzoek naar de invloed van de leeromgeving op de academische vorming

(div 04).

8.      Vormgeven aan competentiegericht leren in de academische bachelor (div 04).

9.      Feedback in het medisch onderwijs: Een overzicht van relevante variabelen

(div 04).

10.  Verschillen in leerstijlen van Chinese en Nederlandse studenten (div 06).

11.  Advisering bij het kiezen van leertaken (div 06).

12.  Competentieontwikkeling in juridisch redeneren (div 06).

13.  Bewegingsopvoeding als curriculaire en extracurriculaire opdracht (div 08).

14.  Vorming van basiscompetenties in de intitiële lerarenopleiding (div 08).

15.  De elektronische leeromgeving als faciliterend medium bij onderwijsvernieuwing (div 09).

16.  Towards a framework for designing ICT-support for reflective learning activities (div 09).

 

Í

 

Van Overheidsturing naar Governance:

Prestatiesturing in het Nederlands hoger onderwijs en de BVE-sector

 

C. Teelken

University of Nijmegen

W. van Esch

CINOP

C.Teelken@fm.ru.nl

 

 

Synopsis

 

In toenemende mate is er in het Nederlandse onderwijssysteem sprake van meer prestatiesturing en gedecentraliseerde besluitvorming. Dit onderzoek geeft weer hoe prestatiesturing in zijn werk gaat en welke actoren en relaties tussen die actoren daarbij van belang zijn. Uit onderzoek blijkt dat prestatiesturing gemakkelijk kan leiden tot onbedoelde en ongewenste effecten. Een vergelijking van beleidsprogramma’s in andere landen toont aan dat het succes van prestatiemanagement sterk afhangt van de wijze waarop dit is vormgegeven. Afhankelijk van de omstandigheden, zoals aandacht voor de complexiteit en het meervoudige karakter van onderwijsorganisaties, kan prestatiesturing een zinvol en nuttig sturingsmechanisme zijn.

div 02/7/96po

 

 

Professionalisering op maat van de organisatie

 

J. Boon

Open Universiteit Nederland

M. van der Blij

Universiteit Twente

Jo.Boon@ou.nl

 

Synopsis

 

Competentiemanagement is onmisbaar voor succesvolle implementatie van onderwijsinnovatie. Het project ‘Professionalisering op maat van de organisatie’ van de Digitale Universiteit (DU) is bezig een instrument te ontwikkelen ter ondersteuning van managers bij het ontwikkelen van professionaliseringsbeleid. Het instrument is gericht op onderwijsinnovatie waarbij ICT een prominente rol inneemt.

Het instrument betrekt nadrukkelijk contextkenmerken in termen van kansen en bedreigingen bij het vaststellen van professionaliseringsbehoeften en mogelijke professionaliserings-maatregelen op het gebied van ICT- en. Innovatiecompetenties. Het instrument is gericht op het groepsniveau maar kan ook worden ingezet op individueel niveau.

div 02/7/41po

 

 

 

Vertrek en omzwaai in het hoger onderwijs

U. de Jong, M. van Leeuwen, D. de Graaf en I. van der Veen

SCO-Kohnstamm Instituut, Faculteit der Maatschappij en Gedragswetenschappen,

Universiteit van Amsterdam

u.dejong@uva.nl

 

Synopsis

Hogescholen en universiteiten proberen invulling te geven aan hun streven naar evidence based policy om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Men doet daartoe steeds vaker een beroep op onderzoekers om gegevens te verzamelen en te analyseren. Zo heeft de Haagse Hogeschool / TH Rijswijk (HHS/THR) een onderzoek geïnitieerd met als hoofdvraag “Welke patronen bestaan er in het vertrek uit een opleiding en/of instelling en zijn er mogelijkheden om dit vertrek te voorkomen?”. Voor de beantwoording hiervan wordt gebruik gemaakt van gegevens uit verschillende databestanden aangevuld met een enquête. Vragen die in de posterpresentatie behandeld zullen worden, zijn:

1.       Zijn er verschillen in etniciteit, geslacht en vooropleiding tussen de groep studenten die omzwaait binnen de hogeschool, de groep die vertrekt naar een andere instelling en de groep die het hoger onderwijs verlaat?

2.       Welk deel van het vertrek uit de opleiding is vrijwillig dan wel gedwongen? Hoe vergaat het studenten die met een propedeuse diploma naar de universiteit zijn vertrokken?

3.       Hoe beoordelen omzwaaiers en vertrokkenen hun motivatie voor de opleiding en hun ervaringen op de opleiding / instelling?

4.       Zijn er relaties tussen achtergrondkenmerken en studiemotivatie?

5.       Welke factoren worden er genoemd door (oud)studenten die de beslissing om te stoppen of om te switchen hadden kunnen voorkomen?

div 04/9/190po

 

 

 

Herkennen van risicostudenten in het eerste jaar exacte wetenschappen

aan de Vrije Universiteit Brussel, België

 

W. Jacquet, E. Carette, G. Sonck, en H. Eisendrath.

Vrije Universiteit Brussel

wjacquet@etro.vub.ac.be

 

Synopsis

 

De opleidingen Bio-ingenieurswetenschappen, Biologie en Chemie aan de Vrije Universiteit Brussel zijn sinds 2002 betrokken in een vernieuwingsproject voor het ontwikkelen en implementeren van competentiegerichte onderwijs-, begeleidings- en evaluatievormen in de eerste jaren Bachelor. Het project annex onderzoek wordt geleid door het Zelfstudiecentrum Wetenschappen.

In dit onderzoek wordt een eerste stap ondernomen om de relatie tussen studentkarakteristieken en slaagkans te onderzoeken. Een voorspellingsmodel werd opgebouwd op basis van verzamelde studentgegevens (o.a. voorkennis en voorgeschiedenis wiskunde, leerstijlen Vermunt). De methodologie en de resultaten worden in deze poster besproken.

Het doel is om een betere afstemming te bereiken tussen onderwijs-, remediërings- en taakvormen,  en de studentkarakteristieken, door o.a. differentiatie naar doelgroepen en individuen.

div 04/9/144po

 

 

Digitale sTUdiekeuzecoach van de Technische Universiteit Eindhoven

 

J.J. Knoop, K.S. Ali en K. Sijtsma

Technische Universiteit Eindhoven

J.J.Knoop@tue.nl

 

Synopsis

 

Bijna een kwart van de eerstejaars studenten aan de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) staakt zijn/haar studie in of na het eerste studiejaar. Hiervoor bestaan verschillende verklaringen. Opvallende uitkomst van de door de TU/e uitgevoerde satisfactiepeiling is dat studenten aangeven zich onvoldoende te hebben voorbereid op de studiekeuze. Het lijkt erop dat scholieren meer tijd steken in het selecteren van bijvoorbeeld een nieuw mobieltje of een nieuwe MP3 speler. Je zou mogen verwachten dat zij die tijd en aandacht ook besteden aan het keuzeproces van een nieuwe vervolgopleiding. De TU/e ontwikkelt daartoe een online assessment procedure, “digitale sTUdiekeuzecoach”, die Vwo scholieren moet ondersteunen bij het maken van een gefundeerde studiekeuze. Naast de ontwikkeling van het instrument wordt onderzoek gedaan naar het effect van de “digitale sTUdiekeuzecoach” op instroom, studie-uitval en rendementen.

div 04/9/26po

 

 

 

Competentiegericht onderwijs voor studenten apotheker aan de Vrije Universiteit Brussel, België

 

P. Petit, A. Foriers en B. Rombaut

Vrije Universiteit Brussel

ppetit@vub.ac.be

 

Synopsis

 

Typisch voor de filosofie van de VUB is het opleiden van zelfstandig denkende apothekers. Van bij de start van de opleiding wordt daarom, naast kennis en inzicht veel aandacht besteed aan het bereiken van vaardigheden en attitudes. Belangrijk voor competentiegericht onderwijs, is dat studenten niet enkel weet hebben van de algemene eindtermen, maar dat ze tijdens hun onderwijs- en leertraject een concreet zicht hebben op de te bereiken beheersingsniveaus. Het is dus nodig om op bepaalde tijdstippen in de opleiding te checken welke competenties de studenten al bereikt hebben. De eerste onderwijsvernieuwing was Probleemgestuurd onderwijs (PGO). Recent voerden we ook het zogenaamde ‘lijnproject’ in, startend in het eerste jaar van de opleiding en doorlopend in de volgende jaren. Dit project combineert de ervaringen uit het PGO én verbindt alle groepen van eindtermen (geneesmiddel- en patientgerichte, én academische eindtermen). Het  wil de studenten steunen om op het einde van elk jaar te tonen welke eindtermen ze hebben bereikt. Portfolio wordt gebruikt als verbindende schakel. Ook nieuwe evaluatievormen worden gebruikt.

div 04/9/21po

 

 

Drie Bèta Bacheloropleidingen:

Onderzoek naar de invloed van de leeromgeving

op de academische vorming

 

Jessica Steura,b, Ellen Jansena, Anke van Trigtb en Miriam Ossevoortb

a Universitair Onderwijs Centrum Groningen, Rijksuniversiteit Groningen

bFaculteit Wiskunde Natuurwetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen

j.steur@ppsw.rug.nl

 

Synopsis

 

Is de leeromgeving van invloed op de verwerving van academische vaardigheden, zoals samenwerken, kritisch denken en probleem oplossen? Tweedejaars studenten (n=125) van drie bacheloropleidingen levenswetenschappen (Farmacie, Life Science & Technology en Biologie) hebben een vragenlijst, samengesteld uit o.a. de Course Experience Questionnaire en de Intrinsic Motivation Inventory,  ingevuld. Het eerste jaar van deze opleidingen met verschillende leeromgevingen  is vergelijkbaar qua inhoud. De resultaten van de analyses geven aan dat er een verschil is in de mate waarin studenten de algemene academische vaardigheden hebben verworven. Verdere analyses laten zien dat binnen de drie opleidingen verschillende aspecten van de leeromgeving bijdragen aan de mate waarin algemene academische vaardigheden worden verworven.

div 04/9/100po

 

 

Vormgeven aan competentiegericht leren in de academische bachelor:

Een casestudy uit de biologie

 

I. Tallon en H. Eisendrath

Zelfstudiecentrum Wetenschappen (ZSCB), Vrije Universiteit Brussel

itallon@vub.ac.be

 

Synopsis

 

Het Hoger Onderwijs wordt momenteel gekenmerkt door ingrijpende veranderingen. Een dominant gegeven hierin is de verschuiving van kennisgericht opleiden naar competentiegericht begeleiden en beoordelen. Hierbij stelt zich de vraag hoe het onderwijs kan worden ingericht opdat het de student stimuleert tot, en begeleidt bij, het verwerven van de nodige academische kennis en competenties. Deze bijdrage geeft het relaas van de wijze waarop binnen een academische opleiding competentiegericht onderwijs praktisch vorm wordt gegeven. Vanuit de bottom-up approach, d.w.z. ervaringen en behoeften van het werkveld worden aangevuld met onderzoeksbevindingen uit de literatuur, worden binnen bestaande onderwijsvormen en/of methodieken aanpassingen aangebracht. De vernieuwing wordt ondersteund door ontwikkelingsonderzoek.

div 04/9/152po

 

 

Feedback in het medisch onderwijs:

Een overzicht van relevante variabelen

 

J.M.M. van de Ridder

Onderwijsinstituut, UMC Utrecht

K.M. Stokking

Capaciteitsgroep Onderwijskunde, Universiteit Utrecht

Th.J. ten Cate

Onderwijsinstituut, UMC Utrecht

j.m.m.vanderidder@med.uu.nl

 

Synopsis

 

Feedback wordt als een belangrijk onderdeel gezien van het onderwijsleerproces in het medisch onderwijs. Het is echter niet precies bekend wat goede feedback is en welk effect feedback heeft. Om de kwaliteit en het effect van feedback te kunnen onderzoeken is nodig dat inzichtelijk wordt welke variabelen een rol spelen in het feedbackproces. Een twee dimensionaal model probeert hieraan tegemoet te komen. Op de horizontale as is het feedbackproces chronologisch in zeven stappen uiteengezet. De verschillende factoren – feedbackgever, -ontvanger, -methode en omstandigheden – staan op de verticale as. In de literatuur is gezocht naar relevante variabelen in het feedbackproces. De gevonden variabelen zijn in de resulterende cellen van het model ondergebracht. Mogelijke discussiepunten zijn: (1) de wijze waarop de afhankelijke en onafhankelijke variabelen zijn geclassificeerd, (2) de onderlinge relaties tussen de variabelen en (3) de impact van deze variabelen op het feedbackproces.

div 04/9/170po

 

 

 

Verschillen in leerstijlen van Chinese en Nederlandse studenten

 

H. Biemans & M. van Mil

Leerstoelgroep Educatie en Competentie Studies, Wageningen Universiteit

harm.biemans@wur.nl

 

Synopsis

 

In dit onderzoek is nagegaan in hoeverre de leerstijlen van Chinese studenten verschillen van de leerstijlen van Nederlandse studenten. Deze studie is uitgevoerd binnen de context van 3 Engelstalige BSc-programma’s die Wageningen Universiteit samen met China Agricultural University aanbiedt aan Nederlandse en Chinese studenten. In totaal hebben 16 Nederlandse studenten en 25 Chinese studenten de Inventaris Leerstijlen (ILS) ingevuld. De Chinese studenten blijken meer kenmerken te vertonen van een reproductiegerichte leerstijl, terwijl de Nederlandse studenten als groep geen uitgesproken leerstijl laten zien. Het is zinvol en wenselijk om met gerichte aanwijzingen en oefeningen de Chinese studenten te laten ervaren hoe zij strategieën gericht op diepteverwerking kunnen hanteren en hoe zij hun leerproces meer zelf kunnen sturen in de richting van diepteverwerking.

div 06/7/103po

 

 

Advisering bij het kiezen van leertaken:

Veilig op weg naar vraaggestuurd onderwijs

 

W. Kicken,  S. Brand-Gruwel en J. van Merriënboer

Open Universiteit Nederland

Wendy.Kicken@ou.nl

 

Synopsis

 

Binnen vraaggestuurd onderwijs speelt studentsturing een belangrijke rol. Echter niet alle studenten blijken even goed in staat te zijn hun individuele leertraject vorm te geven en de voor hen geschikte taken te selecteren. Studenten (met minder voorkennis) hebben vaak inadequate percepties van hun eigen competentieniveau en de leeromgeving verschaft de student vaak te weinig informatie om effectieve keuzes te maken. Binnen het project ‘Learner Control over Task Selection’ wordt dit dilemma tegengegaan door het verschaffen van advies aan de student bij het selecteren van taken. De advisering zal geleidelijk steeds minder directief of sturend worden, terwijl het aantal beschikbare taken, waaruit geselecteerd kan worden, zal toenemen. Studenten kunnen zich op deze wijze veilig ontwikkelen tot zelfgestuurde lerenden en steeds meer controle krijgen over hun eigen leertraject, met als einddoel totale studentcontrole. Tijdens de ORD zal een model gepresenteerd worden dat factoren en strategieën beschrijft die kunnen bijdragen aan optimaal gebruik van studentsturing over taakselectie.

div 06/7/56po

 

 

 

Competentieontwikkeling in juridisch redeneren:

De rol van kennisontwikkeling en ontologische verandering

 

F.E.R.M. Nievelstein, H.P.A. Boshuizen, F.J. Prins & P.C. Slangen

Open Universiteit Nederland, Heerlen

Fleurie.Nievelstein@ou.nl

 

Synopsis

 

Sommige rechtsdomeinen, met name het privaatrecht, zijn zeer moeilijk te leren en te onderwijzen. Bevindingen van expert-gevorderde-beginneling studies suggereren dat de ervaren moeilijkheden worden veroorzaakt door de vereiste kennisstructuur die onlosmakelijk verbonden is met domeinspecifieke redeneervaardigheden. Allereerst brengt juridisch redeneren een aantal moeilijkheden met zich mee omdat vele verschillende principes en rechtsgronden tegelijkertijd in overweging moeten worden genomen . Een volgende moeilijkheid is gerelateerd aan het feit dat  kennisstructuren van beginnende rechtenstudenten nog incompleet zijn en voornamelijk bestaan uit zwakke verbindingen tussen verschillende kennisconcepten. Deze eerste methodologische studie heeft tot doel te onderzoeken op welke manier o.a. de kwaliteit en uitgebreidheid van privaatrechtkennis van deelnemers met verschillende expertiseniveaus verschilt.

div 06/7/40po

 

 

Bewegingsopvoeding als curriculaire en extracurriculaire opdracht

van de brede school

 

K. De Martelaer, P. De Knop, M. Theeboom en S. Leblicq

Vrije Universiteit Brussel

kdmartel@vub.ac.be

 

Synopsis

 

Het doel van deze bijdrage is de functie van de flexibele leerkracht LO (FOLLO) in Vlaanderen en het initiatief van ‘beweegmanagement’ in Nederland te bespreken, uitgaande van ‘good practices’. De evaluatie bestond zowel uit een kwalitatief als een kwantitatief onderzoeksgedeelte. De kinderen die deelnemen aan de extra-curriculaire sportactiviteiten zijn vooral diegenen die positieve ervaringen hebben met de les LO en die zich ook reeds engageren tijdens andere naschoolse activiteiten, vooral schoolsport en sportclub. De participanten, vooral uit het basisonderwijs, zijn duidelijk tevreden over het aanbod, de wijze waarop het werd georganiseerd en de manier van begeleiden. Zij verwachten een gevarieerd aanbod met het accent op initiatie, aansluitend op de schooluren, met een degelijke begeleiding waarbij voldoende tijd is om te oefenen en waarbij de aanpak minder streng is dan tijdens de schooluren. 

div 08/12/166po

 

 

Vorming van basiscompetenties in de initiële lerarenopleiding voor het werken in een inclusieve setting

 

S. Van Acker, G. Van Buynder en I. Van de Putte

KaHo Sint- Lieven, departement Sint-Niklaas

Alexander.vanacker@kahosl.be

 

Synopsis

 

Inclusief onderwijs streeft er naar dat de reguliere school een school kan worden voor alle kinderen.

Dit heeft onmiddellijk consequenties voor de leerkracht van het gewoon onderwijs. Zij moet het namelijk waarmaken om les te geven aan al haar leerlingen, ook de leerling met speciale onderwijsnoden.

Het onderzoek beoogt in eerste instantie na te gaan welke competenties de gewone leerkracht moet verwerven zodat zij binnen een inclusieve setting kan functioneren en of deze competenties worden aangebracht binnen de initiële lerarenopleiding.

We vertrekken dan ook vanuit de ervaringen, belevingen en perspectieven van studenten binnen de lerarenopleiding en leerkrachten die betrokken zijn bij inclusief onderwijs. Via participerende observatie, observatieschema’s, vragenlijsten en semi-gestructureerd interview willen we onze informatie verkrijgen.

Ieder bekomen resultaat kan gebruikt worden ten aanzien van innovaties binnen de eigen lerarenopleiding, zowel naar eigen visie toe als naar concrete uitwerking.

div 08/12/128po

 

 

IT Works?:

De elektronische leeromgeving als faciliterend medium bij onderwijsvernieuwing

 

F.J. Nijland

Universitair Onderwijscentrum Groningen (UOCG)

F.J.Nijland@rug.nl

 

Synopsis

 

De implementatie van een elektronische leeromgeving (ELO) is volgens Muntslag (2001) pas geslaagd als deze structurele wijzigingen in het gedrag van individuen en groepen bewerkstelligt, de zogenaamde derde orde verandering. Toch is gebleken uit evaluaties van eerdere projecten (Pols, 2001, e.a.) dat de implementatie van een ELO alleen niet voldoende is om dit voor elkaar te krijgen. De implementatie van een ELO in combinatie met onderwijsvernieuwing zou echter deze structurele gedragsverandering wel tot stand kunnen brengen. Hierbij is de implementatie van de ELO geen doel op zich, maar werkt deze veeleer faciliterend bij de voorgenomen vernieuwing. De vraag is dan ook in hoeverre implementatie van een ELO in combinatie met onderwijsvernieuwing een succesvolle derde orde verandering kan bewerkstelligen. Het onderzoek hiernaar zal door middel van een poster gepresenteerd worden; feedback is van harte welkom!

div 09/6/215po

 

 

Towards a framework for designing ICT-support for reflective learning activities in competency-based, multiprofessional education:

A literature review

 

I. Zitter

Universiteit Utrecht, IVLOS, Expertisecentrum ICT in het Onderwijs

Ilya.zitter@hvu.nl

 

Synopsis

 

This research aims to result in ‘design knowledge, i.e. knowledge that can be used in designing solutions to problems in the field in question’, in the form of a framework. The framework is expected to be usable for educational designers or teachers with experience in educational design. It should be suitable to assess and/or design effective ICT-support for competency-based, multiprofessional education. It is not the aim to design ‘The Ideal ICT-Support’. The aim is to find guidelines which apply to ICT-support which effectively supports (learning) activities in the above education. The proposed framework will be developed iteratively. The results of the literature review presented here, should support the main research activities which are carried out to develop a first version of the proposed framework.

div 09/6/116po

 

 

é