Maandag 30
mei 2005
|
11.30u |
Onthaal en
inschrijvingen. |
||
|
13.00u |
Verwelkoming & Plenaire
Startactiviteiten. |
||
|
14.00u |
Keynote lecture 1: Thomas
Reeves - Design-Based Research for Advancing
Educational Technology.
|
||
|
15.00u |
Pauze met koffie/thee. |
||
|
15.30u |
Timeslot 1
bestaande uit 12 parallelsessies: |
||
|
1 |
Trainen/opleiden
zonder drang of dwang? (T. Van Dellen). Integratie
en participatie: Te meten? (E. Plovie) De
rol van individuele en contextuele factoren bij zelfsturing in leerprocessen
(I. Raemdonck). Leergeschiedenisonderzoek
en curriculuminnovaties in het beroepsonderwijs (H. Ritzen). |
||
|
2 |
Symposium – De regionale onderwijsarbeidsmarkt: Onderwijsvacatures nader bekeken: Regionale
verschillen (F.E.M. Berndsen). Regionale verschillen in loopbaanpatronen van
leraren in onderwijs (R. van der Aa). Regionale verschillen in ziekteverzuim in het
basisonderwijs (S. Vrielink). |
||
|
3 |
Symposium – Onderprestatie van scholen: Waarom hebben sommige basisscholen onderprestatie?
(W. van der Grift). Evaluatie onderwijskansenbeleid (G. Ledoux). Kansrijk: Evaluatie van het
School-Ontwikkelings-Project (J. Kuijpers). |
||
|
4 |
Betekenis
van tijdbesteding/leeromgeving voor het aanleren van competenties (C. Meng). Rendement
en duur van promoties in de Nederlandse onderzoekscholen (H. Oost). Op
weg naar valide selectiecriteria voor masteropleidingen (G. Fastré). Inventarisatie
van honoursprogramma in Nederlandse universiteiten (P.J. Van Eijl). |
||
|
5 |
Mentoring
met kwaliteit & werkplekomgevingen voor aanstaande leraren? (J. Geldens). De
docent beeldende vorming als vakdeskundige, didacticus en pedagoog (F.
Haanstra). Zelfonderzoek
als middel van professionalisering van lerarenopleiders (J. van de Groep). Capturing the impact of training teacher coaches (P.
Hennissen). |
||
|
6 |
Symposium – Het leren van docenten van
bètavakken: Veranderen opvattingen/attitudes docenten door
participatie in ontwikkelnetwerk (F. Coenders). Bètaspecifieke kenmerken van een krachtige
leeromgeving voor bètadocenten (T. van der Valk). How to reach more
coherence in science teaching concerning 'Energy' (R. Genseberger). |
||
|
7 |
Bijkomende
designprincipes Cognitieve Theorie van Multimedia Leren? (K. De Westelinck). De
impact van het geven van advies op het gebruik van hulpmiddelen(G.
Clarebout). Ondersteuning
van domein-specifiek redeneren in CSCL (J. Van Drie). De
invloed van groepsgrootte en schooltype in CSCL omgeving (H. van der
Meijden). |
||
|
8 |
Symposium – Selectie van studenten bij de
toelating in het hoger onderwijs: Het gebruik van examenresultaten bij de selectie van
aankomende studenten (A. Béguin). Decentrale selectie voor de studie geneeskunde
aan het Erasmus MC (L.C. Urlings-Strop). De relatie tussen VWO-cijfers en studiesucces
(D.N.M. de Gruijter). |
||
|
9 |
Het
vaststellen en verklaren van het Differentieel Item Functioneren (W. Van den
Noortgate). Differential
Item Functioning en achterhalen van equivalentie (B. Volckaert). Adaptief
sequentieel beheersingstoetsen (H.J. Vos). |
||
|
10 |
Symposium – Witte en zwarte scholen: Lessen
beleidspraktijk in Nederland & Vlaanderen: Stapstenen voor spreiding (P. Huisman en P.
Gramberg). Oorzaken en aanpak van de witte en zwarte scholenproblematiek
(S. Karsten). Ervaringen met het gelijke kansendecreet (F.
Ornelis, B. Steen en P. Mahieu). |
||
|
11 |
Ontwerpen
door niet-ervaren ontwerpers (D. Verstegen). Op
weg naar innovatief ICT-gebruik op de PABO (M. Drenth). Webklassen
en goed gemotiveerde studiekeuze (M.J. van Leijen). |
||
|
12 |
Voorbeeldgestuurd
onderwijs (E. Boltjes) Omgaan
met een interactief leerpakket in het hoger onderwijs (Y. Beetsma). Gender
awareness bij geneeskundestudenten (P. Verdonck). |
||
|
17.15u |
Dagafsluiting met
een verwelkomingsreceptie. |
||
Dinsdag 31 mei
2005
|
8.00u |
Onthaal en
inschrijvingen. |
||
|
9.00u |
Timeslot 2
bestaande uit 12 parallelsessies: |
||
|
1 |
Monitor
Impuls Beroepskolom (W. van Esch). ICT
ondersteuning voor werkplekleren (D. Lockhorst). De
Quick Scan als instrument voor de analyse van de school als leersituatie (M.
van der Klink). |
||
|
2 |
Het
taboe op de harmonisering doorbroken? (K. De Wit). Succes-
en faalfactoren van onderwijsinnovatieprojecten in het Hoger Onderwijs (I.
Wopereis). Bureaucratisering
en schaalgrootte in het onderwijs (L. van de Venne). |
||
|
3 |
Praktijkkennis
van vakleerkrachten muziek in het basisonderwijs (M. Bremmer). Scharniermomenten
in het onderwijs voor 12-19 jarigen (F. Riemersma). Designing instruction for co-operative learning in |
||
|
4 |
Symposium –
Onderwijskundige professionalisering en onderzoek: Knelpunten bij het
samenstellen van een portfolio (R. Klaassen) Epistemologische analyse
als didactische instrument voor bewustwording (T. Niessen). Via een zomercursus
naar kwaliteitsvoller onderwijs? (M. Clement). Onderzoek naar de impact van een jaaropleiding
voor docenten (A. Stes). |
||
|
5 |
Symposium – De
conceptualisering en het meten van cognities van docenten: Concept-maps en
opvattingen van leraren m.b.t. actief en zelfstandig leren (I. Bakkenes). Concepties van begeleiden
en leren lesgeven in SO in Nederland (G. van Ginkel). Taalconcepten in
context (T. Platteel). Perspectieven op zelfstandig leren (H.
Oolbekkink-Marchand). |
||
|
6 |
Analyse
van interacties in probleemgestuurde onderwijsgroepen (A. Pleijers). Leren
informatieproblemen oplossen (S. Brand-Gruwel). Waardering
studenten van wederzijdse afhankelijkheid bij samenwerkend leren (H. van
Keulen). |
||
|
7 |
Auditprocedure
voor het vaststellen van de kwaliteit van onderwijsonderzoek (S. Akkerman). Creatieve
momenten in Narratieve Analyse (J. Bulterman-Bos). De
tacit knowledge van onderwijsonderzoekers (J. Bulterman-Bos). |
||
|
8 |
De
impact van het project 'Pilootscholen Antwerpen' (F. Laevers). Culturele
diversiteit in de thuiservaringen van 3-jarigen (P. Leseman). Trends
in segregatie in het Nederlandse basisonderwijs (P. Jungbluth). |
||
|
9 |
Symposium – De
voorbereiding op het voortgezet onderwijs: Het advies van voortgezet
onderwijs: Is de overadvisering over? (G. Driessen). Cognitieve
voorbereiding in groep 8: Een kwestie van ongelijkheid? (M. Overmaat) Effecten
schoolkeuzeondersteuning bij overgang basis-/voortgezet onderwijs (I. van der
Veen). Effecten advies en bezochte basisschool op het
vierde jaar voortgezet onderwijs (J. Roeleveld). |
||
|
10 |
Anonimiteit/sociale
aanwezigheid in computerondersteunende leergroepen (I. Vandyck). Communicatie
binnen CSCL (E. Koertshuis). On
line tutors onder de loep (M. De Smet). |
||
|
11 |
Symposium – Teaching and learning modeling in
mathematics and science education: Mathematical literacy and teaching modeling (H.
Burkhardt). Modeling and abstraction in mathematics education
(K. Gravemeijer). Can children re-discover fundamental science and
mathematics? (A. DiSessa). Searching for the
origins of students' overreliance on proportionality (W. Van Dooren). |
||
|
12 |
Genderverschillen op vlak van translatie, procedureel rekenen, …
(A. Desoete). Gender,
motivatie en prestaties voor Nederlands en wiskunde (A. Vrught). Jongens
denken alleen maar dat ze beter zijn in techniek dan meisjes (H. van der
Meij). |
||
|
10.45u |
Pauze
met koffie/thee en start posterpresentaties
doorlopend tot 12.30u: |
||
|
·
Welbevinden en functioneren van directies basisonderwijs (G. Hotton). ·
De rol van het directieteam en het middenkader bij gedeeld
leiderschap (H. Hulpia). ·
Beleidsvoerend vermogen in Vlaamse basis- en secundaire
scholen (V. Warmoes). ·
Implementatie van onderzoekscompetentie in het algemeen secundair
onderwijs (I. Flamant). ·
Ontwerpregels voor multiprofessioneel, competentiegericht
onderwijs (I.I. Zitter). ·
Leren op de werkplek van docenten in het Hoger Onderwijs (C.
Hofman). ·
Bevlogenheid en vermoeidheid onder beginnende leerkrachten
(M. Bal). ·
Studerend lezen ter voorbereiding op experimenteel onderzoek
(H. Jonker). ·
Zelfstuderend leren in de lagere school (K. Lombaerts). ·
Invloed sociale omgeving op de (on)tevredenheid met de
leeromgeving (M. Peeters). ·
De ondersteuning van common ground in multidisciplinaire
teams (A. Schurer). ·
Leren door observatie van expertmodellen in multimedia
leeromgevingen (P. Wouters). ·
Mixed methods data analyse in onderzoek naar concepties over
onderwijsveranderingen (V. Donche). ·
De vijfpuntenschaal in onderwijsonderzoek: De regel, maar ook
in regel? (S. De Maeyer). ·
Leerkrachtstijl, betrokkenheid en sociale competentie (F.
Laevers). ·
Kronos: Een instrument voor studietijdmetingen (H.
Schrooten). |
|||
|
11.00u |
VOR- en VFO-ledenvergaderingen, en vanaf 11.30u lunch. |
||
|
12.30u |
Timeslot 3 bestaande
uit 12 parallelsessies: |
||
|
1 |
Symposium –
Rationaliteit en formaliteit van leren in de praktijk van alledag: Werkgerelateerde leervragen
in innovatieve organisaties (A. Hoeve). De invloed van de
arbeidsomgeving op formeel leren bij de Nederlandse politie (A. Doornbos). A-rational
learning processes in a rationalised VET system (C. Poortman). |
||
|
2 |
Intenties
en gedrag van inspecteurs (M. Ehren) Typen
van kwaliteitszorg in scholen en de relatie met externe kwaliteitszorg (N.
Dijkstra). Ervaringen
met vernieuwd onderwijstoezicht (S. Karsten). |
||
|
3 |
Onderzoek naar de kwaliteit van het vak lichamelijke
opvoeding in Vlaanderen (K. Huts). De inzet van ICT in het taalonderwijs aan kleuters (J.
Voogt). |
||
|
4 |
Motivationele
effecten van het 'nieuwe leren' (R. Martens). Een
vergelijking tussen twee versies van een situationaal judgment test (T.
Buyse). Kenniselicitatie
tijdens virtueel teamwerk: Effecten dynamische stimulering (M.
Bitter-Rijpkema). |
||
|
5 |
Veranderingen
in opvattingen van studenten betreffende het beroep van leraar (H.
Slettenhaar). Reflectie
retorisch bezien: Een retorisch onderzoek naar reflectieverslagen (I. Pauw). |
||
|
6 |
Invloed
van de groepssamenstelling op leerlingen in een coöperatieve leersituatie (E.
Denessen). Leren
denken strategieën als onderwijsvernieuwing in de gammavakken (J. van der
Schee). Ervaringen
vierde klassers in 2e (VO) en de relatie met leerstijlkenmerken
(K.D. Könings). |
||
|
7 |
Symposium – Is
schooleffectiviteit een meetbaar concept?: Operationalisering van
het begrip 'schooleffectiviteit' (R. Rymenans). Verschillende
multiniveau-modellen voor de analyse van leerwinst (H. Van Den Bergh). Directe en indirecte effecten van geïntegreerd
leiderschap (S. De Maeyer). |
||
|
8 |
Validiteit
van leerlingpercepties van hun omgeving (P. den Brok). De
scoring van ordeningsvragen (T. Eggen). |
||
|
9 |
Symposium – Tien voor wiskunde?: Attitude voor wiskunde:
Het belang van de klas en de school (M.-C. Opdenakker). Wiskundeattitude en
toetsprestaties in leerjaar 2 van het voortgezet onderwijs (G. Doornekamp). Vlaanderen in TIMMS:
Eerste resultaten (A. Van den Broeck). Sekseverschillen in reken/wiskundeprestaties in
het basisonderwijs (M. Meelissen). |
||
|
10 |
Historische kennis en het contextualiseren van
historische verschijnselen (C. Van Boxtel). Onterecht proportioneel leren (D. De Bock). Natie als (de)constructie in onderwijs en
lerarenopleiding (A. Mottart). |
||
|
11 |
Doen
'echte kerels' er wel toe? (G. Driessen). Feminisering
van het docentenberoep -1945-2000 (M. van Essen). |
||
|
12 |
Een
typologie van sociale en cognitieve competenties (A. Claasen). Praktische
vaardigheidstoetsen voor eindtermen wereldoriëntatie (M. Van Hulle). De
Niet Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test (T.A. van Batenburg). |
||
|
14.15u |
Verplaatsing met
bussen naar het stadscentrum, gecombineerd met koffie/thee in zaal Capitole. |
||
|
15.15u |
Keynote lectures 2 + 3: Andy
DiSessa - Ontological Innovation and the Role of Theory in Design
Experiments.
Hugh
Burkhardt - The Engineering Research Approach to the Improvement of
Practice. |
||
|
17.00u |
Cultureel programma: bezoek stadhuis of stadswandeling. |
||
|
19.30u |
Congres Diner in het Gravensteen. |
||
Woensdag 1
juni 2005
|
8.00u |
Onthaal en
inschrijvingen. |
||
|
9.00u |
Timeslot
4 bestaande uit 11 parallelsessies: |
||
|
1 |
Evaluatie
gebruik en effecten van een zelfevaluatie instrument ZEBO (K. Schildkamp). Invloed
van schoolleiders op de betrokkenheid en prestaties van leerlingen (G. ten
Bruggencate). Het
WSNS-beleid in de praktijk (T.A. Batenburg). De
implementatie van het gelijke onderwijskansendecreet (I. Buvens). |
||
|
2 |
Symposium – Onderwijsvernieuwing in Vlaamse
universitaire onderwijs: Discussianten: N. Vercruysse, J. Lenaerts, G.
Eisendrath en J. Elen. |
||
|
3 |
Belang lerarenopleiding voor beroepsbetrokkenheid en instroom
in het lerarenberoep (I. Rots). Informele leeractiviteiten van docenten op de werkplek
(A. Hoekstra). Bepalen kenmerken de kwaliteit? (R. Doehri-Plomp). Erkennen verworven competenties voor nieuw en zittend
onderwijspersoneel (A. Klaeijsen). |
||
|
4 |
Symposium – Het analyseren en beoordelen van
docentcompetenties: De analyse van kritische beroepssituaties van
docenten door docenten (M. Goes). Het beoordelen van docentcompetenties op basis
van een videodossier (M. Bakker). Het beoordelen van docentopvattingen in
docentportfolio's (M.F. van der Schaaf). |
||
|
5 |
Symposium – Het gebruik van authentieke taken in
voortgezet en hoger onderwijs: Authenticiteit van taken bij het leren oplossen
van klinische problemen (S. Ramaeckers). Authentieke scheikundige praktijken voor een
effectief onderwijsleerproces (A. Bulte). Ondernemerschap aanleren in een virtueel bedrijf
bij informatiekunde (H. ten Berge). |
||
|
6 |
Het
absoluut effect van onderwijs (H. Luyten). Meten
van tweetaligheid in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel (S. Janssens). Evaluatie
van ELO's in de lerarenopleiding (Y. De Jong). Peiling
informatieverwerving en -verwerking in 1e graad A-stroom in het
Vlaams SO (B. Luyten). |
||
|
7 |
Symposium – Doorlopende leerlijnen voor bèta en
techniek: Techniek in het Basisonderwijs (D. Van Dongen). Bètavakken in havo en vwo en de keuze voor
bètastudies (J. Kordes). Herontwerp techniek in de beroepsonderwijskolom
J. Onstenk). |
||
|
8 |
Symposium – Nederland/Vlaanderen: Verschillende
stelsels, vergelijkbare opbrengsten?: Educatief Nederland vergeleken (I. Waterreus). De stand van het toezicht in Nederland en
Vlaanderen (I. de Wolf). Het Nederlands onderwijs in het zicht van de
toekomst (R. Bronneman-Helmers). |
||
|
9 |
Op
zoek naar best practices (J. Roeleveld). Onderzoek
van best practices op Amsterdamse Voorscholen (A. Veen). Het
inspectietoezicht op scholen met veel kansarme leerlingen (I. van der Veen). |
||
|
10 |
Computergebruik
thuis en internetvaardigheid in het voortgezet onderwijs (H. Kuhlemeier). Elektronische
discussiefora: Netiquette versus didactische instructies (K. Dierickx). Self-assessment
en kennisconstructie in asynchrone discussiegroepen (H. Van Keer). |
||
|
11 |
Symposium – ICT-gebruik in bèta-vakken: Een webomgeving voor begripsontwikkeling in het
wiskundeonderwijs (N.C. Verhoef). Met ICT gevoelig maken voor het leren van bètabegrippen
(A.B.H. Bos). Scheikundige begripsontwikkeling door gebruik van
computeranimaties (H.J. Vermaat). |
||
|
10.45u |
Pauze
met koffie/thee en start posterpresentaties
(1e deel): |
||
|
·
Van overheidssturing naar governance: Prestatiesturing (C.
Teelken). ·
Professionalisering op maat van de organisatie (J. Boon). ·
Vertrek en omzwaai in het hoger onderwijs (U. de Jong). ·
Herkennen van risicostudenten in het eerste jaar exacte
wetenschappen (W. Jacquet). ·
Digitale sTUdiekeuzecoach (J. Knoop). ·
Competentiegericht onderwijs voor studenten apotheker (P.
Petit). ·
Onderzoek naar de invloed van de leeromgeving op de
academische vorming (J. Steur). ·
Vormgeven aan competentiegericht leren in de academische
bachelor (I. Tallon). ·
Feedback in het medisch onderwijs: Een overzicht van
relevante variabelen (J.M.M. van de Ridder). ·
Verschillen in leerstijlen van Chinese en Nederlandse
studenten (H. Biemans). ·
Advisering bij het kiezen van leertaken (W. Kicken). ·
Competentieontwikkeling in juridisch redeneren (F.E.R.M.
Nievelstein). ·
Bewegingsopvoeding als curriculaire en extracurriculaire
opdracht (K. De Martelaer). ·
Vorming van basiscompetenties in de intitiële
lerarenopleiding (A. Van Acker). ·
De elektronische leeromgeving als faciliterend medium bij
onderwijsvernieuwing (F.J. Nijland). ·
Towards a framework for
designing ICT-support for reflective learning activities (I.I. Zitter). |
|||
|
11.15u |
Timeslot 5
bestaande uit 12 parallelsessies: |
||
|
1 |
Symposium – Effecten van school- en
onderwijssysteemkenmerken op leerlingprestaties (PISA): De effecten van schoolklimaat, -beleid en
-middelen op leerlingprestaties (A. Visscher). Domeinen van decentralisatie van onderwijsbeleid
(R. Maslowski). Verschillen private en publieke scholen qua
schoolkenmerken en –prestaties (B. Witziers). Relatie tussen selectiviteit, uitgaven per
leerling en opbrengsten onderwijs (H. Luyten). |
||
|
2 |
Symposium – Schoolontwikkeling door
curriculumvernieuwing: Schoolbrede curriculumvernieuwing als hefboom
voor schoolontwikkeling (N. Nieveen). Schoolnabije leerplanontwikkeling: Op zoek naar
balans van vraag en aanbod (J. Krüger). Innovatielessen uit (andere) Nederlandse
schoolpraktijken (J. van den Akker). Leerplanbeleid en schoolpraktijk in Europees
vergelijkend perspectief (W. Kuiper). |
||
|
3 |
Wat beïnvloedt studievoortgang in het hoger onderwijs?
(M. Bruinsma). Zelfinstructie bij trainingen in het hoger onderwijs
(M. Pouwelse). De rol van studieoriëntatie-activiteit in het
studiekeuzeproces van vwo-leerlingen (M. Florijn). Hoe plannen studenten hun leerproces
gespreksvaardigheid? (J.M.M. van de
Ridder). |
||
|
4 |
De
meerwaarde van het leerportfolio als professioneel gericht eindwerk
(W.Meeus). Effecten
van evaluatie op de percepties van studenten betreffende assessment (K.
Struyven). Peer
assessment bij schrijfopdrachten (B. van den Berg). Beoordelen
in competentiegericht onderwijs (E.R. van den Elsen) . |
||
|
5 |
Praktijkkennis
van ervaren docenten op zwarte scholen in VO (P. den Brok). De
morele aspecten van opleidingspraktijken van lerarenopleiders (M. Willemse). Op
weg naar een krachtige leeromgeving? (K.D. Könings). Geïntegreerd
pedagogisch handelen in de klas (J. Onstenk). |
||
|
6 |
Symposium –
Multimedia cases en de wisselwerking theorie/praktijk in de
lerarenopleiding: Coöperatief leren met digitale video in een
hypermedia omgeving (A. Bakx). "De Cd-Rom als expert": Interactie
onderwijspraktijk en vakdidactiek (M. Vervoort). Ontwerprichtlijnen voor verankering
multimediacases in de lerarenopleiding (P. Blijleven). |
||
|
7 |
Onterecht
proportioneel redeneren en aanbieden van schoolse vraagstukken (D. De Bock). Leerconcepties
bij leerlingen op het einde van het basisonderwijs (T. Dang Kim). Veelbelovende
praktijkvarianten adaptief onderwijs in het regulier basisonderwijs (M.
Kooiman). Interactief
voorlezen aan peuters en het verhaalbegrip (S. Peters). |
||
|
8 |
Emancipatie
in een neoliberale maatschappij? (T. De Coster). Effectieve
scholen in Culturele en Kunstzinnig Vorming 1 (M. Damen). Schoolloopbanen
gemodelleerd aan de hand van twee recente cohorten (P. Hustinx). Leerlingstatuten
en schoolconvenanten in functie van veiligheid op school (M. van den
Bogaard). |
||
|
9 |
Symposium – SiBO: Longitudinaal onderzoek in het
basisonderwijs – 3e kleuter: Het SiBO-onderzoek: Doelstellingen en onderzoeksopzet
(F. Maes). Instroomkenmerken en leerwinst van Vlaamse
methodescholen (J.P. Verhaeghe). Observaties in de derde kleuterklas (J. Van
Damme). |
||
|
10 |
Symposium – Werken met een zorgketen in WSNS: Samenwerking en sturing in de
WSNS-samenwerkingsverbanden (L. Sontag). Samen werken aan kwaliteit van leerlingenzorg in
basisscholen (E. Smeets). Monitoren van leerachterstanden of -vorderingen?
(A. van der Hooven-van Doornum). |
||
|
11 |
Effecten visualisatie van participatie tijdens CSCL (L.
Janssen). Leren met simulatie-programma's (E. Van Zele) Analyzing computer-supported graphical discussion (M.
Overdijk). |
||
|
12 |
Effectmeting competentiegericht onderwijs in
afstandsonderwijs (G. Wynants). Meten van metacognitieve vaardigheden bij samenwerkend ontdekkend
leren (A. Walraven). Meten van ontwikkelings- en overdrachtsgerichte
onderwijsopvattingen van leraren (R. Hermans). |
||
|
13.00u |
Lunch en vervolg posterpresentaties. |
||
|
14.00u |
Timeslot 6 bestaande
uit 11 parallelsessies: |
||
|
1 |
Matrix
voor competentiegericht beroepsonderwijs (R. Wesselink). De
identificatie van ondernemerscompetenties in agribusiness (T. Lans). Expertiseontwikkeling
bij recent afgestudeerden in hun eerste baan (J. Dijkstra). |
||
|
2 |
Wat
is er mis met MIS? (E. Branderhorst). Evaluatie
van het experiment modularisering in het secundair onderwijs (H. Op den
Kamp). Het
lange termijn rendement van het Nederlands voortgezet onderwijs (L.
Rekers-Mombarg). |
||
|
3 |
Stimulerende leeromgevingen voor allochtone studenten
(S. Severiens). Persoonlijkheid en leerstijlkenmerken (C. van Bragt) Beoordelingscapaciteiten van studenten bij
peer-feedback (S. Gielen). De moeilijkheidsgraad van toetsen in het hoger
onderwijs (J. Van der Rijt). |
||
|
4 |
Symposium – Portfolio's in het hoger onderwijs: Verzamelen en presenteren van bewijzen van EVC’s
aan studenten (D. Joosten-ten Brinke). Docentportfolio als middel om reflectie te
stimuleren: Illustraties uit een pilot (D. Tigelaar). Effecten competetentiegerichte aanpak op
ontwikkeling van reflectievaardigheden (M. Smits). De validiteit van portfolio beoordelingen: Wat
wordt beoordeeld? (E. Driessen) |
||
|
5 |
Symposium – Leren van elkaar?: (Beginnende)
docenten onderzocht: Analyse van de (collegiale) coachingsdialoog (R.
Zwart). Leren in vakoverstijgende projectgroepen? (J.
Meirink). Intervisie tussen beginnende docenten: (Wat)
leren ze van elkaar? (P. Meijer). |
||
|
6 |
Towards a dynamic model of adaptive task selection
(G. Corbalán Pérez). Percepties
van authentieke assessment en de invloed hiervan op het leergedrag (J.
Gulikers). Kwaliteitscriteria
voor Competentie Assessment Programma's (L.K.J. Baartman). Academic success and learning behavior (J. Ferla). |
||
|
7 |
Symposium – Methodologische uitdagingen voor CSCL
onderzoek: Een onderzoek naar de impact van rollen in
asynchrone discussiegroepen (B. De Wever). CSCL-analyse en negotiatie van common ground (P.
Beers). Codeerschema voor samenwerkend leren in
asynchrone discussies (J. van der Pol). |
||
|
8 |
Symposium – Flexibilisering van centrale examens: Flexibilisering van centrale examens: Inleiding
en overzicht (A. Béguin). Meting van competenties en vaardigheden bij
centrale examens (P. Sanders). Mogelijkheden tot het gebruik van adaptieve
toetsing bij centrale examens (T. Eggen). Vergelijkbaarheid van de norm bij flexibilisering
van examens in de tijd (A. Béguin). |
||
|
9 |
De
keuze voor een exact profiel door jongens en meisjes in havo en vwo (A. Van
Langen). De
sociale relaties van hoogbegaafde leerlingen en hun klasgenoten in het VO
(M.J.Lubbers). Motivatie
voor school van adolescenten (T. Peetsma). |
||
|
10 |
Symposium – ICT-monitors in Nederland en
Vlaanderen: De PC/KD-bevragingen: Overzicht van de resultaten
over de jaren heen (G. Clarebout). ICT competenties in het Vlaamse basisonderwijs
(J. Tondeur). Verklaringsmodel ICT-implementatie basisonderwijs
getoetst (H. Van Gennip). |
||
|
11 |
Symposium – Bètadidactisch en onderwijskundig
onderzoek: Vaardigheden van
leerlingen bij laboratorium-taken: Een foutenanalyse
(P. Vos). Lange lijn in de
ontwikkeling van onderzoeksvaardigheden wiskunde VO
(M. Witterholt). Het leren
interpreteren van hartgerelateerde grafieken (M. van Eijck). Leren over
fouten: Een voorbeeld van bètadidactisch onderzoek
(M. Goedhart). |
||
|
15.45u |
Einde
met afscheidsborrel. |
||
Keynote 1
Design-Based
Research for Advancing Educational Technology
T.C. Reeves Department of Educational Psychology
and Instructional Technology The Abstract
Traditional
educational research methods provide an insufficient basis for investigating teaching
and learning. This is especially evident in educational technology research
that remains mired in pseudoscientific comparison studies aimed at
determining whether technology-based instruction is better than traditional
classroom methods. Meta-analyses highlight the “no significant differences”
problem pervasive in educational technology research. The recent
proliferation of qualitative investigations has not advanced education
technology much more than the pseudoscientific quantitative comparisons. To make progress, educational technologists
and their collaborators must adopt new methods known variously as
“design-based research,” “design research,” “development research,” “design
experiments,” and “formative research.”
Design-based research protocols require intensive, long-term
collaboration among researchers and practitioners, a commitment to
theory-driven design of prototype learning environments, the testing,
refinement, and retesting of these prototypes in realistic settings over
time, and rigorous multifaceted analyses of observations and outcomes aimed
at yielding design principles that can tested in subsequent cycles of design
research. |
Keynote 2
Ontological Innovation and the Role
of Theory in Design Experiments
A.A. diSessa P. Cobb Abstract
The motivation for this
article is our belief that theory is critically important but currently
underplayed in design research studies. We seek to characterize and
illustrate a genre of theorizing that seem to us strongly synergistic with
design-based research. We begin by drawing contrasts with kinds of theory
that are relevant but, we contend, by themselves inadequate. A central
element of the type of productive design-based theorizing on which we focus
is “ontological innovation,” hypothesizing and developing explanatory
constructs, new categories of things in the world that help explain how it
works. A key criterion to which we adhere when discussing ontological
innovations is that theory must do real design work in generating, selecting
and validating design alternatives at the level at which they are
consequential for learning. Developing and refining an ontological innovation
is challenging and requires the kind of extensive, iterative work that
characterizes design experiments more generally. However, the pay-off in
terms of clarity of focus and explanatory power can be great. We present two
case studies that illustrate the development, refinement, extension, and
instructional application of ontological innovations. |
Keynote 3
|
The Engineering Research Approach to the Improvement
of Practice H. Burkhardt Shell Centre for
Mathematical Education Hugh.Burkhardt@nottingham.ac.uk Abstract
Educational research has
provided interesting and worthwhile insights into learning and teaching, but
it has little direct influence on practice. This paper describes a
rebalancing of research effort that, reflecting other applied fields,
promises to make educational research more useful, more influential – and
better funded. The methodology suggested
gives more emphasis to the research approach characteristic of engineering disciplines. There practical impact is the key measure;
insights, however valuable, are not enough.
The key output is products and processes that are more effective in
helping users achieve their goals. Currently, though the public expects
practical outcomes from research in applied fields, most researchers in
education see such design and development as outside their role – and the
current market for educational materials does not require research evidence
on effectiveness. The paper outlines how this may be changed. The analysis will be illustrated with a
currently important development challenge. Secondary school mathematics
provides valuable skills for careers in certain specialist professions, but
it is an inadequate and inappropriate preparation for most adults for the
mathematical demands of everyday life.
The elements of an engineering research approach to the development of
a curriculum for functional mathematics
are outlined. |
Divisie 1: Bedrijfsopleidingen,
Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie
Timeslot 1 – Parallelsessie 1
Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u
Í
Vier paperpresentaties:
1. Beïnvloedingsgedrag van
trainers/opleiders
2. Integratie en participatie: Te meten?
3. De rol van individuele en contextuele
factoren bij zelfsturing in leerprocessen en loopbaanprocessen van
laaggeschoolde en hoger geschoolde werknemers.
4. Leergeschiedenisonderzoek en curriculuminnovatie
in het beroepsonderwijs
Í
|
Trainen/opleiden
zonder drang of dwang? Th. van Dellen Pedagogiek en Onderwijskunde, Rijksuniversiteit Groningen Synopsis Het beïnvloedingsgedrag van managers, stafmedewerkers en organisatie-adviseurs in veranderingsprocessen is eerder al wel redelijk in kaart gebracht (Bennebroek & Boonstra, 1997). Uiteindelijk houden trainers/opleiders zich ook bezig met verandering van gedrag op individueel en collectief niveau. De opdrachtgevers van open- zowel als incompany trainingen zijn toch vaak de werkgevers of leidinggevenden van de trainees. Dit betekent dat trainers/opleiders natuurlijk nooit vrij zijn van contextuele en situationele invloeden. Kunnen zij dan hun eigen visie op het leren van volwassenen handhaven? Of gebruiken zij – evenals de andere actoren in veranderingsprocessen – bewust of onbewust min of meer specifieke gedragingen? De volgende onderzoeksvragen staan hier centraal: 1. welke vormen van (beinvloedings)gedrag gebruiken trainers/opleiders in opleidingskundige situaties (zowel in open als in-company situaties)? 2. zijn er verschillen tussen trainers/opleiders van verschillende trainingsbureaus als het gaat om dit gedrag? 3. zijn deze verschillen op een of andere wijze te relateren aan de actuele visie van de respectievelijke bureau’s? |
div 01/1/62pa
Í
|
Integratie en participatie:
Te meten? E. Plovie Rijksuniversiteit
Groningen Synopsis In de Nederlandse
context staan de termen sociale activering, maatschappelijke participatie,
actief burgerschap en integratie hoog op de politieke agenda. Vier termen die
niet eenduidig te omschrijven zijn en waar de politiek, de praktijk én de
wetenschap hun vingers aan verbranden (Fermin, 1999). Ze komen echter wel
steeds terug als doelstellingen van lokale projecten. Sinds de jaren ’90
zetten Nederlandse gemeenten in samenwerking met lokale
uitvoeringsorganisaties tal van projecten op om mensen te stimuleren meer
deel te nemen aan de samenleving. Personen met grote afstand tot de
arbeidsmarkt – autochtoon én allochtoon – en allochtone opvoeders die
moeilijkheden hebben met de Nederlandse taal worden als eerste ‘aangepakt’ in
dergelijke projecten. In mijn
proefschrift richt ik mij op dergelijke trajecten die tot stand zijn gekomen
en zich bevinden op de grens van het activerend arbeidsmarktbeleid en het
integratiebeleid. Ik tracht na te gaan hoe deelname aan een project bijdraagt
aan de participatie van individuen aan allerlei sectoren van de samenleving.
Ik zoek daarbij naar antwoorden op vragen als: hoe effectief is een project?
Wat zijn de effecten op langere termijn? Hoe draagt de integrale aanpak (die
via structurele samenwerking op niveau van activiteiten en trajectbegeleiding
tot stand komt) bij aan deze effecten? Welke vormen van leren komen voor? Wat
zijn de mogelijkheden en grenzen van sociale activeringstrajecten? Ik richt mij voorlopig op één casus:
project Voorwerk in Hoogezand-Sappemeer waarbij er met de genoemde doelgroep
trajecten op maat zijn ontwikkeld binnen het kader van een structurele
samenwerking op gemeentelijk niveau. |
div 01/1/141pa
Í
|
De rol van
individuele en contextuele factoren bij zelfsturing in leerprocessen en
loopbaanprocessen van laaggeschoolde en hoger geschoolde werknemers. I. Raemdonck en Martin Valcke Universiteit Gent Jo Thijssen Universiteit Utrecht Synopsis Zelfsturing
in leerprocessen en loopbaanprocessen wordt in toenemende een belangrijke
sleutelcompetentie om met continue veranderingen in werk en loopbaan om te
kunnen gaan. Toch
heeft onderzoek zich tot nu toe voornamelijk gefocust op hoger opgeleiden en
managers. In deze studie wordt het concept zelfsturing bestudeerd voor zowel
laaggeschoolde als hoger geschoolde werknemers. Er werd een vragenlijst
afgenomen bij 942 werknemers uit 157 verschillende organisaties zowel uit de
publieke als private sector. Ten eerste werd de zelfsturing in leerprocessen
en loopbaanprocessen van laaggeschoolde werknemers vergeleken met die van
hoger geschoolde werknemers. Ten tweede, wordt de invloed van individuele en
contextuele condities onderzocht om zo mogelijke verschillen te verklaren en
een eerste theoretisch model te kunnen ontwikkelen. |
div 01/1/182pa
Í
|
Leergeschiedenisonderzoek en curriculuminnovatie in
het beroepsonderwijs: Casus van een Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) H. Ritzen ROC, Twente hritzen@tiscali.nl of hritzen@rocvantwente.nl D. Wildemeersch Katholieke Universiteit
Leuven Synopsis Van 2000 tot en met 2004 hebben het ROC van Twente
en de Radboud Universiteit Nijmegen een curriculuminnovatie voor
laagopgeleide leerlingen van het ROC uitgevoerd. De curriculuminnovatie werd
op basis van een actieonderzoek vormgegeven. Het actieonderzoek werd
ondersteund door een leergeschiedenisonderzoek. Doel van het
leergeschiedenisonderzoek is om informatie te verzamelen over de ervaringen
van de participanten die aan de onderwijsinnovatie hebben deelgenomen. Het
betreft hun individuele en collectieve ervaringen (narratives). Binnen dit
type onderzoek staat het proces centraal. De belangrijkste conclusie is dat
het leergeschiedenisonderzoek een beproefde methode is om alle betrokkenen te
laten reflecteren op hun acties, zodat zij hieruit kunnen leren. Het
leergeschiedenisonderzoek is temidden van andere vormen en instrumenten die
bij een actieonderzoek worden gehanteerd een specifieke methode die in deze
casus heeft bijgedragen tot reflexieve deelname van docenten in de curriculuminnovatie
van het ROC. |
div 01/1/198pa
Divisie 2: Beleid en Organisatie in het Onderwijs
Timeslot 1 – Parallelsessie 2
Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
De regionale
onderwijsarbeidsmarkt: Een verkenning. Relevantie
van regionale verschillen in vacaturevervulling, onderwijsloopbanen
en ziekteverzuim Voorzitter: D. Van Dongen Inspectie Onderwijs, Utrecht Auteurs van de papers: F.E.M. Berndsen, C.T.A. van Bergen en
J.J. van der Wel Regioplan Beleidsonderzoek, Amsterdam R. van der Aa, B. van Hulst, M. Pat en
I. Vossen ECORYS-NEI, Rotterdam S. Vrielink en N. van Kessel ITS, Nijmegen Discussiant: M. Vermeulen Open Universiteit, Nederland Synopsis De situatie op de onderwijsarbeidsmarkt in Nederland is aan sterke
schommelingen onderhevig. Na jaren van lerarentekorten, is de situatie
momenteel min of meer in evenwicht. Tegelijkertijd zijn er sterke
aanwijzingen dat de spanning op de onderwijsarbeidsmarkt de komende jaren
weer zal toenemen. Voor het onderwijs blijft een gericht arbeidsmarkt- en
personeelsbeleid dan ook van groot belang. Uit recent onderzoek weten we dat er ook binnen de onderwijsarbeidsmarkt regionale verschillen zijn in vraag en aanbod. Ontwikkelingen op regionale onderwijsarbeidsmarkten krijgen mede daarom steeds meer aandacht in het beleid. In het symposium willen we uitgebreid stilstaan bij verschillende facetten van de regionale onderwijsarbeidsmarkt. Het symposium richt zich zowel op onderzoekers als op beleidsmedewerkers die zich bezig houden met de onderwijsarbeidsmarkt in Nederland en Vlaanderen. We sluiten het symposium af met een discussie over de relevantie van regionale onderwijsarbeidsmarkten voor een goed arbeidsmarkt– en personeelsbeleid. We willen iedereen van harte uitnodigen om zich in de discussie te mengen. |
div 02/1/189sy
Divisie 3: Curriculum
Timeslot 1 – Parallelsessie 3
Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u
Í
SYMPOSIUM
Í
Onderprestatie van scholen
Voorzitter: W.Meijnen Universiteit Amsterdam Auteurs van de
papers: W.van de Grift Inspectie Onderwijs, Nederland G.Ledoux, M., M.Overmaat en M.Boogaard SCO-Kohnstamm Instituut, Universiteit Amsterdam T.Houtveen en J.Kuijpers Onderwijskunde, Universiteit Utrecht Discussiant: R.Weener Procesmanagement WSNS-OAB Synopsis Er is een groep scholen, met name in de grote steden met een hoge concentratie allochtone leerlingen, waar de gemiddelde prestaties van leerlingen beduidend onder het niveau liggen dat bij de betreffende leerlingen verwacht mag worden. Bovendien is de gemiddelde kwaliteit van deze scholen minder hoog dan op andere scholen. Tegen deze achtergrond is het onderwijskansenbeleid ontwikkeld (OC&W, 2000). In dit symposium staan de oorzaken van onderprestatie en de resultaten van het onderwijskansenbeleid centraal. Bijdrage 1 betreft onderzoek naar de oorzaken van onderprestatie. In bijdrage 2 worden de resultaten gepresenteerd van de schoolspecifieke verbeteringsplannen die in 36 gemeenten op de scholen zijn uitgevoerd. In de derde bijdrage wordt verslag gedaan van de resultaten van een vierjarig schoolverbeteringstraject dat onder begeleiding door 5 onderwijskansenscholen is uitgevoerd. |
div 03/1/130sy
Divisie 4: Hoger Onderwijs
Timeslot 1 – Parallelsessie 4
Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u
Í
Vier paperpresentaties:
1. De betekenis van tijdbesteding en
leeromgeving
voor het aanleren van competenties
2. Rendement en duur van promoties in de
Nederlandse onderzoekscholen
3. Op weg naar valide selectiecriteria
voor masteropleidingen
4. Inventarisatie van honoursprogramma’s
in Nederlandse universiteiten en dimensies bij de vormgeving ervan
Í
|
De
betekenis van tijdbesteding en leeromgeving voor het
aanleren van competenties C. Meng en H. Heijke Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt,
Universiteit Maastricht Synopsis Dit
paper onderzoekt de betekenis van de leeromgeving bij hoger
onderwijsinstituten en de tijdallocatie van studenten over de verschillende studieactiviteiten
voor de effectiviteit waarmee generieke (academische) competenties en
vakkennis aangeleerd worden. Hierbij wordt specifiek gekeken naar de invloed
van zogenaamde ‘activerende leeromgevingen’ zoals probleemgeoriënteerde of
projectgeoriënteerde leeromgevingen. De resultaten laten zien dat zulke
activerende leeromgevingen duidelijk effectiever zijn dan meer traditionele
leeromgevingen in het aanleren van generieke competenties zonder dat zij
minder effectief zijn in het aanleren van vakkennis. Verder laten de analyses
zien dat vooral zelfstudie en aan de studie gerelateerd betaald werk
bevorderlijk zijn voor het aanleren van generieke competenties en dat het
volgen van formeel onderwijs, zelfstudie en aan de studie gerelateerd betaald
werk bevorderlijk is voor het aanleren van vakkennis. |
div 04/1/7pa
Í
|
Rendement
en duur van promoties in de Nederlandse onderzoekscholen H. Oost Universiteit Utrecht , IVLOS, Centrum voor
Academiische Vorming H. Sonneveld Universiteit van Amsterdam, ASSR Synopsis Door
middel van een analyse van erkennings- en hererkenningsaanvragen van
Nederlandse onderzoekscholen is een antwoord gezocht op de vraag, hoe sterk
rendement en duur van promoties in een onderzoekschool samenhangen met het
profiel van die school. De resultaten van het onderzoek wijzen uit dat 75%
van de promovendi in Nederlandse onderzoekscholen de promotie met succes
afrondt en dat een gemiddelde promotie ruim vijf jaar duurt. Een eerste
vergelijking met de completion rates in de Anglo-Amerikaanse wereld
maakt duidelijk dat de Nederlandse onderzoekscholen het in dit opzicht heel
goed doen: het gemelde gemiddelde promotierendement behoort tot de beste van
de wereld. In de bijdrage wordt een relatie gelegd tussen het promotiesucces
van een school en het wetenschapsgebied, de financieringsgrondslag en de
omvang van de school. |
div 04/1/53pa
Í
|
Op weg
naar valide selectiecriteria voor masteropleidingen G. Fastré, M. Segers en W. Gijselaers Universiteit Maastricht Synopsis De
invoering van de BaMa structuur brengt vele veranderingen met zich mee,
waaronder de toenemende heterogeniteit van de instroom in termen van
demografische kenmerken, vooropleiding en beroepservaring. Tegelijk leidt de
groeiende internationale competitie tussen instellingen tot de noodzaak van
Masteropleidingen om zich te profileren als kwalitatief hoogstaande opleidingen.
Tegen deze achtergrond is onderzoek naar voorspellers van studiesucces in
Masteropleidingen van groot belang. Deze paper zal de resultaten van een
studie naar de predictieve validiteit van indicatoren voor de selectie van
high potentials in een internationale masteropleiding beschrijven. Uit de
deelresultaten blijkt dat veelgebruikte selectiecriteria zoals de GMAT en
GRE, TOEFL en IELTS, motivatiebrieven en een Bachelordiploma met hoge GPA,
een lage predictieve waarde voor studiesucces hebben. |
div 04/1/160pa
Í
|
Inventarisatie
van honoursprogramma’s in Nederlandse universiteiten en dimensies bij de
vormgeving ervan P.J. van Eijl, P. van Tilborgh en A. Pilot IVLOS/Universiteit Utrecht M. Wolfensberger Geowetenschappen/Universiteit Utrecht Synopsis In de afgelopen jaren zijn in Nederland aan bijna alle universiteiten honoursprogramma’s ingevoerd. Dit zijn programma’s voor studenten die meer willen en meer kunnen dan het reguliere programma biedt. Soms zijn deze programma’s additioneel aan het reguliere programma, soms zijn ze gedeeltelijk of geheel vervangend voor onderdelen van het reguliere programma. De ontwikkeling van dit soort programma’s verloopt snel: in 1993 startte het eerste programma en tien jaar later waren het er 25. Een inventariserend onderzoek in 2004 geeft zicht op de dimensies bij de positionering en vormgeving van honoursprogramma’s. Een vergelijking wordt gemaakt met kenmerken van een volledig ontwikkeld honoursprogramma zoals opgesteld door de National Collegiate Honors Council (V.S.). |
div 04/1/174pa
Divisie 5: Lerarenopleiding en
Leraarsgedrag
Timeslot 1 – Parallelsessie 5
Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u
Í
Vier paperpresentaties:
1. Mentoring met kwaliteit als krachtig kenmerk van werkplekleeromgevingen voor
aanstaande leraren?
2. De docent beeldende vorming als
vakdeskundige, didacticus en pedagoog
3. Zelfonderzoek als middel voor
professionalsering van lerarenopleiders
4.
Capturing the Impact of Training Teacher Coaches
Í
|
Mentoring met kwaliteit als krachtig kenmerk van
werkplekleeromgevingen voor aanstaande leraren? J. Geldens Pedagogische Hogeschool De Kempel te Helmond H. Popeijus De Kempel en Instituut voor Leraar en School, Radboud Universiteit Nijmegen V. Peters Faculteit der Managementwetenschappen, Radboud Universiteit Nijmegen T. Bergen, Instituut voor Leraar en School, Radboud Universiteit Nijmegen Synopsis Inleiding. In deze ORD-presentatie worden onderzoeksresultaten behandeld van een deelonderzoek naar de kwaliteit van mentoring binnen twee werkplekleeromgevingen voor aanstaande leraren primair onderwijs. Daartoe werden 24 mentoringsgesprekken kwalitatief geanalyseerd op variabelen die te rekenen waren tot de gespreksfasen, de kernactiviteiten en de initiatiefname in het gesprek. Resultaten. De analyseresultaten wezen uit dat in de gesprekken de nadruk ligt op ‘verduidelijking’. De terugblik zowel als de vooruitblik bleken kwalitatief sterk in het gedrang te zijn. Verder lag sterke nadruk op ‘algemene’ feedback en veel minder op verklaren, uitdagen en afstemmen. De gespreksinitiatieven gingen vooral uit van de mentor en bezaten een duidelijk instructieperspectief. Conclusie.
Wanneer scholen voor hun aanstaande leraren een kwalitatief krachtige
werkplekleeromgeving willen inrichten, dan verdient de kwaliteit van
mentoringsgesprekken verbetering. |
div 05/1/35pa
Í
|
De docent beeldende vorming als vakdeskundige,
didacticus en pedagoog F. Haanstra, H. Wagenaar en E. van Strien Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten Synopsis Wat beschouwen docenten beeldende vorming en hun
leerlingen als een geslaagde lespraktijk en wat moet een docent daarvoor kennen
en kunnen? Deze vragen staan centraal in een onderzoek waarbij 20 docenten en
60 leerlingen zijn geïnterviewd. Uitgangspunt vormt de driedeling in
vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische kennis en vaardigheden. De docenten geven aan dat alle drie
onmisbaar zijn voor het docentschap, maar er worden duidelijke verschillen in
accenten gelegd. Die verschillen hebben vooral te maken met het schoolniveau
en de leerlingpopulatie: vmbo docenten zeggen vaker dat het pedagogische het
primaat heeft. Meningen van docenten over het docentschap worden vergeleken
met de meningen van hun leerlingen. Docenten beschrijven hoe hun visie
op de benodigde kennis en vaardigheden is veranderd vanaf het moment dat zij
de opleiding verlieten. Slechts enkele docenten noemen dat de vakinhouden en
de benodigde vakkennis in de loop van de jaren gewijzigd zijn. Dit terwijl er
aanzienlijke veranderingen in de beeldende kunst zelf, maar ook in de
vakkenstructuur en in de verhouding tussen theorie en praktijk in de
beeldende vorming zijn opgetreden. De grootste veranderingen spelen zich af
op het vakdidactische en het pedagogische vlak. Deze veranderingen en de
consequenties ervan voor de docentenopleidingen worden besproken. |
div 05/1/74pa
Í
|
Zelfonderzoek
als middel voor professionalsering van lerarenopleiders J. van de Groep, W. Admiraal, B. Koster en R.-J.
Simons Universiteit Utrecht, Instituut Lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Studievaardigheden (IVLOS) Synopsis In
de paper en de presentatie wordt stilgestaan bij hoe de denkbeelden en
gedachten van lerarenopleiders over professionalisering en werk gemeten zijn.
De methode die beschreven wordt om achter die denkbeelden en gedachten te
komen, maakt gebruik van mogelijke metaforen voor het beroep van
lerarenopleider. Doel van deze methode is om uiteindelijk te kijken of er
o.a. aansluiting is met de methodologie van self-study, ook wel
‘zelfonderzoek’ genoemd Deze methodologie wordt in de literatuur geschikt
bevonden om de professionalisering van lerarenopleiders vorm te geven, maar
de vraag is in welke mate deze methodologie aansluit op hoe (innovatieve)
lerarenopleiders in Nederland over hun professionalisering en werk denken.
Ook ligt de vraag nog open hoe de methodologie van zelfonderzoek verder vorm
te geven middels kwalitatieve onderzoeksmethoden. |
div 05/1/81pa
Í
|
Capturing the
Impact of Training Teacher Coaches F. Crasborn en P.
Hennissen N. Brouwer Synopsis Dit paper presenteert een
exploratief onderzoek naar effecten van een training coachingsvaardigheden en
mogelijke instrumenten om deze op het spoor te komen. De training is gericht
op het leren gebruiken van coachinterventies in tweegesprekken, die reflectie
op praktijkervaringen en concerns van leraren in opleiding stimuleren. De
basis voor de opzet van de training vormt het ALACT-reflectiemodel van
Korthagen. Er zijn gegevens verzameld bij deelnemers van twee trainingsgroepen
op tevredenheids-, leer- en gedragsniveau (Kirkpatrick), aangevuld met het
‘niet-zichtbare’ gedragsniveau (Gaines-Robinson). De dataverzameling vond per
niveau respectievelijk plaats door middel van een satisfactievragenlijst, een
choice of intervention test na de training, audio-opname van coachgesprekken
vóór en na de training, stimulated recall interviews vóór en na de training.
Op alle onderzochte niveaus zijn effecten gevonden en worden voorstellen voor
vervolgonderzoek gedaan. |
div 05/1/122pa
Divisie 5: Lerarenopleiding en
Leraarsgedrag
Timeslot 1 – Parallelsessie 6
Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Het leren
van docenten van bètavakken Voorzitter: A. Pilot Universiteit Utrecht,
IVLOS & Centrum voor Didactiek van Wiskunde en Natuurwetenschappen Auteurs van de papers: F. Coenders, C. Terlouw,
N. Verhoef en S. Dijkstra Universiteit Twente, ELAN Ton van der Valk Universiteit Utrecht,
IVLOS & Centrum voor Didactiek van Wiskunde en Natuurwetenschappen Ineke Frederik TULO, TUDelft Rupert Genseberger &
Inge Lichtenegger Universiteit Utrecht,
IVLOS & Centrum voor Didactiek van Wiskunde en Natuurwetenschappen Discussiant: T. Bergen Instituut voor Leraar en School, Radboud Universiteit Nijmegen Synopsis In de bètavakken in het Voortgezet Onderwijs
vinden belangrijke ontwikkelingen plaats, die zowel inhoud als vormgeving van
onderwijs betreffen. Ministeriële commissies hebben opdracht gekregen
doelstellingen en inhoud te herzien in langlopende innovatieprojecten na een
periode waarin discussies met docenten en andere stakeholders gevoerd werden
over curriculumproblemen en noodzaak om inhoud te actualiseren, meer
betekenisvol te maken en meer samenhang tussen vakken te realiseren. De
betrokkenheid van docenten en hun leerproces is vanaf het begin onderkend en
heeft geresulteerd in het streven ontwikkelgroepen te vormen en hen als
mede-ontwerpers van het programma te zien. In dit kader worden in dit symposium resultaten
gepresenteerd van drie studies naar het leren van docenten in bètavakken.
Centraal staat het leerproces van docenten tijdens het werken aan
onderwijsinnovaties die betrekking hebben op de inhoud van hun vak. |
div 05/2/175sy
Divisie 6: Leren en Instructie
Timeslot 1 – Parallelsessie 7
Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u
Í
Vier paperpresentaties:
1. Zijn er bijkomende designprincipes
nodig om de Cognitieve Theorie van Multimedia Leren uit te breiden?
2. De impact van het geven van advies op
het gebruik van hulpmiddelen
3. Ondersteuning
van domein-specifiek redeneren in CSCL: Effecten van het samen maken van
externe representaties op historisch redeneren
4. De invloed van groepsgrootte en schooltype op het
elaboratiegedrag van leerlingen in een CSCL omgeving
Í
|
Zijn er
bijkomende designprincipes nodig om de Cognitieve Theorie van Multimedia
Leren uit te breiden? K. De Westelinck en M. Valcke Vakgroep Onderwijskunde Universiteit Gent Synopsis De
Cognitieve Multimedia theorie van Mayer (2001a) stelt een aantal principes
voorop waaraan leermaterialen moeten voldoen (met externe grafische
representaties) om studenten een hogere prestatie op retentie- en
transfertoetsen te laten verwerven. Ondanks de steun van empirische
bevindingen is recent onderzoek er niet in geslaagd dezelfde resultaten in
andere kennisdomeinen te bekomen (Cox, 1999; Lowe, 2003; Schnotz &
Bannert, 2003, De Westelinck, K.,
Valcke, M., De Craene, B. & Kirschner, P., 2005). Moeten we dan
niet op zoek op welke manier de CTML-theorie ook in andere kennisdomeinen kan
gelden? Activatie
en collaboratie werden naar voor geschoven als extra aanvullende principes.
Voorliggende onderzoeken trachten aan
te tonen dat het toevoegen van activatie en collaboratie kan leiden tot
betere resultaten op retentie en transfertoetsen wanneer de principes van de
CTML gevolgd worden. |
div 06/1/14pa
Í
|
De impact
van het geven van advies op het gebruik van hulpmiddelen G. Clarebout & J. Elen Centrum voor Instructiepsychologie en –technologie
Katholieke Universiteit Leuven geraldine.clarebout@ped.kuleuven.ac.be Synopsis In
deze bijdrage worden de resultaten gerapporteerd van een quasi-experimentele
studie waarin het effect van het geven van advies op het gebruik van
hulpmiddelen wordt nagegaan. Uit
onderzoek is immer gebleken dat het gebruiken van hulpmiddelen in leeromgevingen
geen evidentie is (zie onder meer Clarebout & Elen, in press). Lerenden
beschikken niet altijd over de nodige metacognitieve vaardigheden om hun
eigen leerproces te reguleren en controleren (Clark, 1991). In lijn met de
resultaten van Lee & Lehman (1993), kan worden verondersteld dat het
geven van advies zal bijdragen tot het (meer adequaat) gebruik van
hulpmiddelen. Deelnemers die advies kregen over het gebruik van de
beschikbare hulpmiddelen in de omgeving werden vergeleken met deelnemers die
in dezelfde omgeving werkten maar zonder advies. De verschillen die gevonden
werden relateren voornamelijk aan de gespendeerde tijd aan de hulpmiddelen
eerder dan het aantal keer dat een hulpmiddel werd gebruikt. |
div 06/1/33pa
Í
|
Ondersteuning van domein-specifiek redeneren in CSCL:
Effecten van het samen maken van externe representaties op historisch
redeneren J.
van Drie, C.van Boxtel & G. Kanselaar Capaciteitsgroep
Onderwijskunde, Universiteit Utrecht Synopsis Computer-ondersteund samenwerkend leren (CSCL)
wordt gezien als een geschikte vorm om kennisconstructie te ontlokken, maar
leidt niet altijd tot de gewenste resultaten. Dit onderzoek richtte zich op
hoe in een CSCL-leeromgeving, redeneren in het domein geschiedenis, ontlokt
en ondersteund kan worden. Onderzocht werd wat de effecten zijn van het samen
maken van een externe representatie op interactieprocessen en leeruitkomsten.
Drie representatievormen (Diagram, Lijst en Matrix) werden met elkaar, en met
een controlegroep, vergeleken. Aan dit onderzoek namen 130 leerlingen uit 5
VWO deel, die in tweetallen een schrijftaak voor het vak geschiedenis maakten
in een CSCL-omgeving. Zowel het leerproces (chat dialoog) als de
leeruitkomsten (gezamenlijk gemaakte representatie en tekst, en individuele
natoets) werden geanalyseerd. De resultaten laten zien dat elke
representatievorm zijn eigen voordelen en beperkingen heeft. |
div 06/1/90pa
Í
|
De invloed
van groepsgrootte en schooltype op het elaboratiegedrag van leerlingen in een
CSCL omgeving H. van der Meijden en S. Veenman Onderwijskunde, Radboud Universiteit Nijmegen Synopsis Het
internet heeft nieuwe mogelijkheden gecreëerd voor samenwerkend leren waarbij
interacties tussen leerlingen plaatsvinden via de computer. Interacties
waarbij leerlingen uitleg geven, argumenteren of uitwerkingen aandragen,
kunnen een bijdrage leveren aan de cognitieve ontwikkeling van de leerling.
In dit onderzoek staat de vraag centraal of groepsgrootte en schooltype
invloed hebben op de participatie en het elaboratiegedrag van leerlingen
tijdens CSCL. Aan de studie namen 198 derde en vierdejaars (14-16 jaar)
leerlingen deel (116 meisjes en 82 jongens) van een grote scholengemeenschap
in Nederland. Uit dit onderzoek blijkt dat tweetallen
meer elaboratiegedrag vertonen dan de drie- en viertallen en dat het
prestatieniveau van de leerlingen (uitgedrukt in schooltype) invloed heeft op
het elaboratiegedrag van de leerlingen. |
div 06/1/205pa
Divisie 7: Methodologie en Evaluatie
Timeslot 1 – Parallelsessie 8
Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Selectie
van studenten bij de toelating in het hoger onderwijs Voorzitter: A.A. Béguin Cito, POK Auteurs van de bijdrages: A.A. Béguin Cito, POK L. C. Urlings-Strop en
T.A.W. Splinter Opleidingsinstituut
Geneeskunde, Erasmus MC, Rotterdam D.N.N. de Gruijter Universiteit Leiden, ICLON M. Yildiz Universiteteit Leiden,
Bestuursbureau J. ’t Hart Universiteit Leiden, ICS Discussiant: W. J. van der Linden Universiteit Twente,
faculteit gedragswetenschappen, afdeling
onderzoeksmethodologie, meetmethoden en data-analyse Synopsis In dit symposium staat centraal de selectie van
studenten bij de toelating in het hoger onderwijs. In de eerste lezing wordt
ingegaan op de bronnen van informatie die gebruikt kunnen worden bij selectie
en de criteria waaraan selectie van aankomende studenten moet voldoen. In de
tweede lezing wordt de decentrale selectie bij de opleiding geneeskunde aan
het Erasmus MC besproken. Hier worden onder andere de resultaten gegeven van
de analyses op de data die verkregen zijn bij de decentrale selectie. In de
derde lezing komt één van de deelprojecten aan bod van de experimenten met
selectie van aankomende studenten aan de universiteit Leiden. In dit
deelproject wordt de relatie onderzocht tussen vooropleidinggegevens en
succes aan de universiteit Leiden. |
div 07/1/114sy
Divisie 7: Methodologie en Evaluatie
Timeslot 1 – Parallelsessie 9
Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Het vaststellen en verklaren van het
differentieel item functioneren (DIF) aan de hand van logistische gemengde
modellen
2. Differential Item Functioning als
methode om de equivalentie tussen computerondersteunde en papieren toetsen te
achterhalen.
3. Adaptief sequentieel beheersingstoetsen onder
gebruikmaking van het Rasch model en Bayesiaanse sequentiële beslissingstheorie
Í
|
Het
vaststellen en verklaren van het differentieel item functioneren (DIF) aan de
hand van logistische gemengde modellen W. Van den Noortgate & P. De Boeck K.U.Leuven, Faculteit Psychologie en Pedagogische
Wetenschappen Wim.VandenNoortgate@kulak.ac.be Synopsis Differentieel
item functioneren (DIF) verwijst naar het fenomeen dat, conditioneel op de
latente vaardigheid, de kans op het succesvol beantwoorden van een specifiek
item kan verschillen van groep tot groep. In de presentatie beschrijven we
logistische gemengde modellen voor DIF, waarbij de items en/of de groepen als
random worden beschouwd. Aan de hand van dergelijke modellen kan men
bijvoorbeeld op een eenvoudige manier nagaan of items globaal genomen
gelijkaardig functioneren in verschillende scholen, zonder dit voor alle
items en voor elk paar scholen afzonderlijk te moeten nagaan. De sterkte van
de modellen ligt echter niet zozeer in het feit dat ze toelaten om op een
economische en eenvormige manier verschillende soorten van DIF te detecteren,
maar vooral in het feit dat ze uitnodigen om te zoeken naar verklaringen voor
DIF, door na te gaan of deze gerelateerd is aan item- of groepskenmerken. De
modellen worden geïllustreerd aan de hand van reële onderwijskundige
onderzoeksgegevens. |
div 07/2/5pa
Í
|
Differential
Item Functioning als methode om de equivalentie tussen computerondersteunde en
papieren toetsen te achterhalen. B. Volckaert Leuvens Instituut voor Onderwijsonderzoek,
Katholieke Universiteit Leuven R. Janssen Leuvens Instituut voor Onderwijsonderzoek,
Katholieke Universiteit Leuven Bartel.Volckaert@ped.kuleuven.ac.be Synopsis Deze
studie gaat in op de vraag of een papieren toets biologie zonder meer
ingewisseld mag worden door haar computerondersteunde variant. Het is immers
goed mogelijk dat een papieren en een overeenkomstige computerondersteunde
toets niet exact dezelfde vaardigheid meten. Doordat we bij deze
vergelijkende studie niet louter stilstaan bij het verschil tussen de
testscores op de beide toetsen, zoals de APA voorschrijft, maar ook het
verschil nagaan op itemniveau op basis van een IRT-gebaseerde DIF-analyse, is
een veel preciezere uitspraak over de vergelijkbaarheid van deze beide
toetsen mogelijk. Op die manier worden immers ook de overeenkomstige discriminatie-
en moelijkheidsparameters met elkaar vergeleken. Op basis van een reeks
vergelijkende analyses aan de hand van het begrippenkader van De Boeck e.a.
(2005) wordt uiteindelijk het meest passende model gekozen en een uitspraak
gedaan over de mate van inwisselbaarheid. |
div 07/2/46pa
Í
|
Adaptief sequentieel
beheersingstoetsen onder gebruikmaking van het Rasch model en Bayesiaanse
sequentiële beslissingstheorie H.J.
Vos en Dr. C.A.W. Glas Universiteit
Twente, Faculteit Gedragswetenschappen Afdeling
Onderzoeksmethodologie, Meetmethoden en Data Analyse Synopsis In deze bijdrage wordt een versie van adaptief sequentieel
beheersingstoetsen (d.w.z. het classificeren van studenten als een 'master/nonmaster'
of doorgaan met toetsen en een ander item of testlet aanbieden) bestudeerd,
waarbij het antwoordgedrag wordt gemodelleerd met behulp van item respons
theorie (IRT). De performance van IRT-gebaseerde adaptieve en adaptieve
sequentiële beheersingstoetsen (AMST) zal worden onderzocht in een aantal
simulatiestudies als een functie van de proportie correcte beslissingen en
het gemiddelde verlies onder gebruikmaking van het Rasch model. Uit de
simulatiestudies bleek dat adaptief sequentieel beheersingstoetsen leidde tot
een aanzienlijke daling van het verlies, welke hoofdzakelijk toe te schrijven
was aan het feit dat er significant minder items hoefden te worden
aangeboden. |
div 07/2/84pa
Divisie 8: Onderwijs en Samenleving
Timeslot 1 – Parallelsessie 10
Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Witte en
zwarte scholen: Lessen
voor de beleidspraktijk in Nederland en Vlaanderen Voorzitter: P. Huisman Onderwijsraad, Nederland p.huisman@onderwijsraad.nl Auteurs van de bijdrages: P. Gramberg Onderwijsraad, Nederland S. Karsten Universiteit Amsterdam F. Ornelis Universiteit Gent B. Steen Auditeur Raad van State, Vlaanderen P. Mahieu Universiteit Antwerpen P. van Avermaet ICO, Vlaanderen Discussant: S. Rutten SARDES, Nederland Synopsis De
problematiek van de etnische en sociaal-culturele segregatie in het
onderwijs, tussen witte en zwarte scholen, is een thema dat in veel onderwijssystemen
in Westerse landen speelt. Het is een boeiende, complexe problematiek op een
raakvlak van een aantal disciplines: onderwijskunde, onderwijsrecht,
onderwijssociologie. In
dit symposium willen we aan de hand van een advies van de Nederlandse Onderwijsraad
ervaringen in Nederland en Vlaanderen uitwisselen. Waar liggen praktische
grenzen? Welk onderzoek toont ons dat spreiding helpt of dat ‘witte’ scholen
beter presteren? Gaat het om onderwijsachterstanden of het gaat om sociale
integratie? Het thema is gekenmerkt door de ‘tragiek van de goede
bedoelingen’: maatregelen die gericht zijn tegen segregatie, hebben soms het
effect dat ze de ‘witte vlucht’ juist versterken. Het symposium bevat een
presentatie van de conclusies en aanbevelingen van het onderwijsraadadvies:
wat leert ons onderzoek naar de ervaringen van Nederlandse gemeenten met
spreidingsbeleid en wat zijn de bandbreedtes voor beleid? Vervolgens is er
een presentatie over een onderzoek naar de segregatiepatronen in het
Amsterdamse basis- en voortgezet onderwijs, met onder meer mogelijke
verklaringen voor de ontstane patronen.
Van Vlaamse zijde is er een
presentatie over de (juridische en empirische) ervaringen met het Gelijke
Kansendecreet. Door referenten (één van Vlaamse zijde, één van
Nederlandse zijde) wordt op deze bijdragen gereageerd. Nadrukkelijk is er
ruimte voor discussie naar aanleiding van de inleidingen en reacties. |
div 08/1/212sy
Divisie 9: ICT en Onderwijs
Timeslot 1 – Parallelsessie 11
Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Ontwerpen door niet-ervaren ontwerpers: twee
empirische studies
2. In transitie: Op weg naar innovatief
ICT-gebruik op de PABO
3. Dragen
webklassen bij tot het kunnen maken van
een goed
gemotiveerde studiekeuze?
Í
|
Ontwerpen door niet-ervaren ontwerpers: twee empirische
studies D. Verstegen TNO Human Factors A. Pilot IVLOS, Universiteit Utrecht Y. Barnard EURISCO International Synopsis Veel onderwijs wordt, zeker in het bedrijfsleven en het hoger onderwijs, ontworpen door docenten of instructeurs. Zij zijn geen professionele onderwijsontwerpers en uit onderzoek blijkt dat zij weinig geneigd zijn om een systematisch ontwerpmethode te gebruiken, dat zij vaak de nodige kennis en ervaring missen en dat de resultaten nogal eens tegenvallen. Eén optie is om de ontwerptaak over te laten aan professionals, maar dat is vaak niet mogelijk omdat zij de nodige domeinkennis missen en te duur zijn. Een andere mogelijkheid is om niet-ervaren ontwerpers beter te ondersteunen. Uit de resultaten twee empirische studies concluderen wij dat ook niet-ervaren ontwerpers een complexe ontwerpopdracht kunnen uitvoeren mits zij voldoende worden ondersteund. We definiëren vier aspecten van de ontwerptaak: het verzamelen van informatie, het oplossen van het ontwerpprobleem, het organiseren en beheersen van het ontwerpproces, en communicatie. Tenslotte merken we op onze niet-ervaren proefpersonen weliswaar zeer acceptabele ontwerpen afleverden, maar dat deze ontwerpen niet innovatief waren. Daarvoor zijn andere maatregelen vereist. We stellen voor om iteratie en creativiteit expliciet te stimuleren op belangrijke momenten, bijvoorbeeld bij het ontwerpen van leeractiviteiten. |
div 09/1/66pa
Í
|
In
transitie: Op weg naar innovatief ICT-gebruik op de PABO M. Drent ITBE, Universiteit Twente Synopsis Al meer dan twintig jaar wordt gewerkt aan de
integratie van informatie- en communicatietechnologie in het onderwijs. De
aandacht is de laatste jaren verschoven van het leren omgaan met ICT naar het
gebruik van ICT ter ondersteuning van het ‘nieuwe leren’; in deze studie
aangeduid met ‘innovatief ICT-gebruik’. Lerarenopleidingen zouden hierin een
voortrekkersrol moeten vervullen. Deze studie toont echter een ander beeld:
slechts een klein deel van de lerarenopleiders laten hun studenten (de
docenten van de toekomst) het ‘goede voorbeeld’ zien. De paper bediscussieert
de volgende vragen: waarom zetten juist deze lerarenopleiders ICT op een
meer innovatieve manier in hun onderwijs in; wat belemmert de meeste
lerarenopleiders om het ‘goede voorbeeld’ te geven en op welke wijze zou het
innovatief ICT-gebruik binnen de lerarenopleidingen gestimuleerd kunnen
worden? |
div 09/1/77pa
Í
|
Dragen webklassen bij tot het kunnen maken van een goed gemotiveerde studiekeuze? M.J. van Leijen Instituut voor Interdisciplinaire Studies,
Universiteit van Amsterdam A. Pilot IVLOS, Universiteit Utrecht Synopsis De Onderwijsraad brengt in het najaar van 2005
een advies uit over hoe instellingen de aansluiting tussen vwo en Hoger
Onderwijs kunnen verbeteren met behulp van ICT. Vooruitlopend op dit advies
zijn diverse instellingen al doende om met behulp van ICT de aansluiting
tussen vwo en HO te verbeteren. Sinds 2001 ontwikkelt de Universiteit van
Amsterdam Webklassen om leerlingen te helpen zich een inhoudelijk beeld te
vormen van de inhoud van een opleiding, de gebruikte werkvormen en de
vaardigheden om de betreffende opleiding succesvol te kunnen doorlopen. Webklassen
zijn on line cursussen waarin scholieren uit 4, 5 en 6 vwo teksten lezen,
opdrachten maken en discussiëren. Ze krijgen feedback van docenten van de
universiteit. In deze paperpresentatie worden Webklassen geanalyseerd met
behulp van het Conversational Framework van Diana Laurillard. |
div 09/1/177pa
Divisie 11: Gender en onderwijsonderzoek
Timeslot 1 – Parallelsessie 12
Maandag 30 mei van 15.30 tot 17.15u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Voorbeeldgestuurd onderwijs: Een
opstap naar abstract denken
2. Omgaan met een interactief
leerpakket in het Hoger Onderwijs:
Verschillen tussen mannen en
vrouwen
3. Gender
awareness bij geneeskundestudenten:
Ontwikkeling
van een meetinstrument
Í
|
Voorbeeldgestuurd
onderwijs: Een opstap naar abstract denken
Noordelijke Hogeschool
Leeuwarden Synopsis
|
div 11/1/2pa
Í
|
Omgaan
met een interactief leerpakket in het Hoger Onderwijs: Verschillen
tussen mannen en vrouwen Y. Beetsma Universitair Onderwijscentrum Groningen / UOCG Rijksuniversiteit Groningen Synopsis Telkens weer wordt vastgesteld dat in het
Nederlandse Hoger Onderwijs vrouwen sneller studeren dan mannen. Zijn deze
verschillen ook terug te vinden op microniveau? Evaluatie van een interactief
leerpakket (met behulp van logfiles) bij twee studierichtingen in het
universitair onderwijs geeft antwoord op deze vraag. Logfiles bevatten
gegevens over tijd besteed aan het leerpakket en antwoordpatronen. Richtlijn
is een model dat gebruikt wordt bij het onderzoek naar schooleffectiviteit
(Creemers, 1994). Studenten lossen in de leeromgeving een wetenschappelijk
probleem op door het ‘virtueel’ uitvoeren van experimenten met proefdieren.
De oplossing van het probleem beschrijven ze online in een aantal korte
essays. Het cijfer op de essays laat geen verschillen zien tussen vrouwen en
mannen. De grotere taalvaardigheid (meer woorden) van vrouwen leidt tot een
beter resultaat. Bovendien zijn
vrouwen bereid meer tijd te investeren dan mannen, zowel in de leeromgeving
als bij het schrijven van essays. |
div 11/1/20pa
Í
|
Gender awareness bij geneeskundestudenten: Ontwikkeling van een meetinstrument P.
Verdonk, H. de Haes, Y. Benschop en T. Lagro-Janssen UMC St
Radboud, Vrouwenstudies Medische Wetenschappen Synopsis Aandacht voor sekse en
gender is belangrijk in het geneeskundeonderwijs. Gender awareness bij
artsen is om vier redenen belangrijk: voor het verkleinen van
sekseverschillen in gezondheid en ziekte, voor kwaliteitsverbetering van de
zorg voor vrouwen én mannen, een goede arts-patiëntrelatie, maar óók voor een
medische cultuur waarin zowel mannelijke als vrouwelijke artsen hun talenten
kunnen ontplooien. Sekse wordt momenteel geïntegreerd in de medische
curricula van alle faculteiten in Nederland. De psychometrische eigenschappen van een
vragenlijst om gender awareness bij geneeskundestudenten te meten blijken
voldoende te zijn. Vinden geneeskundestudenten dat rekening houden met
sekseverschillen ongelijkheid veroorzaakt in de zorg? Zeuren vrouwelijke
patiënten meer? En kennen ze de risico’s van peervormig en appelvormig
overgewicht? In deze presentatie hoort u meer over het instrument alsmede
over de antwoorden van mannelijke en vrouwelijke studenten. |
div 11/1/92pa
Divisie 1: Bedrijfsopleidingen,
Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie
Timeslot 2 – Parallelsessie 1
Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Monitor Impuls Beroepskolom:
Voortgang
2. ICT ondersteuning voor werkplekleren:
netwerkmodellen in het MKB
Í
|
Monitor
Impuls Beroepskolom: Voortgang W. van Esch CINOP Synopsis Het
bereiken van kwalificatiewinst via realisatie van de kolom- en
loopbaangedachte is een kernpunt van het Nederlands beroepsonderwijsbeleid.
Instellingen voor beroepsonderwijs (vmbo, mbo, hbo) krijgen van de overheid
middelen om die gedachte in hun eigen instelling en gelet op hun eigen
situatie vorm te geven en te realiseren. De onderwijssectoren binnen het
beroepsonderwijs (vmbo, mbo, hbo) verschillen in de thematische accenten die
zij leggen bij de realisatie van kolom- en loopbaangedachte. De gedachte is beleidsmatig
wat sterker verankerd in het beleid van ROC’s. Er lijkt een taakverdeling te
ontstaan waarbij mbo-scholen zich meer richten op hun voorland (het vmbo) dan
op het hbo en hogescholen geacht worden het voortouw te nemen bij de
aansluiting met het mbo. Instellingen staan sympathiek tegenover de kolom-
en loopbaangedachte, het ontbreekt ze
evenwel aan een scherp zicht op de resultaten ervan. Er is nog de nodige
winst te behalen bij de realisatie van de kolom- en loopbaangedachte, waarbij
er mede aandacht dient te zijn voor institutionele belemmeringen. |
div 01/2/82pa
Í
|
ICT
ondersteuning voor werkplekleren: netwerkmodellen in het MKB D. Lockhorst, W. Admiraal, M. de Laat en W. Rubens IVLOS, Universiteit Utrecht Synopsis In
een 3-jarig Europees project onderzoeken zeven onderwijsorganisaties in
totaal zeven landen de mogelijkheden van ICT om het leren op de werkplek in
het MKB te ondersteunen. Een goede manier om werkplekleren te faciliteren in
het MKB is de organisatie van leergemeenschappen waarin werknemers samen
werken rond voor hen belangrijke werkgerelateerde problemen en punten. ICT
kan een bruikbaar gereedschap zijn om dergelijke gemeenschappen of netwerken
te ondersteunen en het (informeel) leren op de werkplek te stimuleren,
onafhankelijk van tijd en plaats en afgestemd op individuele behoeften. In de
zeven Europese landen is op verschillende wijzen data verzameld over
werkplekleren en ICT ondersteuning, door gebruik te maken van vragenlijsten,
interviews met werknemers, werkgevers en beleidsmakers en
expertbijeenkomsten. De data wordt geanalyseerd vanuit vier perspectieven: de
mensen, de infrastructuur, het leerproces en kwaliteitzorg. Tijdens de
presentatie zullen de uitkomsten van de analyse aan bod komen en worden
verschillende netwerkmodellen gepresenteerd. |
div 01/2/83pa
Í
De
Quick Scan als instrument voor de analyse van de school als leersituatie
M. van der Klink en P. Vroegop Ruud de Moor Centrum, Open
Universiteit Nederland S. Beek KPC Groep Synopsis De laatste jaren is er een groeiende aandacht voor
het leren van (beginnende) docenten in de werksituatie. In deze presentatie
wordt ingegaan op een project dat tot doel heeft een instrument (met als
titel ‘Quick Scan’) te ontwikkelen waarmee docenten snel inzicht krijgen in
hun werksituatie als leersituatie. Dit instrument is digitaal beschikbaar en
na invulling van de vragen ontvangt de invuller automatische feedback. Naast aandacht voor de ontwikkeling van het instrument zal de meeste
tijd worden besteed aan de resultaten van een evaluatie onder gebruikers die
tot doel had om te achterhalen of het instrument meet wat het beoogd te meten
en om na te gaan of het instrument
leidt tot meer inzicht in hun werksituatie als leersituatie. |
div 01/2/150pa
Divisie 2: Beleid en Organisatie in het Onderwijs
Timeslot 2 - Parallelsessie 2
Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Het taboe op harmonisering doorbroken?
2. Succes- en Faalfactoren van
Onderwijsinnovatieprojecten
3.
Bureaucratisering in het onderwijs
Í
|
Het taboe op harmonisering doorbroken? Hoger onderwijs na ‘Bologna’ in drie Europese
lidstaten K. De Wit, N. Druine, V. Hulpiau en P. Verhesschen Dienst Onderwijsbeleid, K.U.Leuven nathalie.druine@dowb.kuleuven.ac.be Synopsis In deze paper presenteren
we de resultaten van een literatuurstudie die als doel had de impact van de
Bolognaverklaring op het hoger onderwijsbeleid in drie lidstaten (de Vlaamse
en Franse gemeenschap van België, Nederland en Duitsland c.q.
Nordrhein-Westfalen) na te gaan. Aan
de hand van een inhoudsanalyse van beleidsdocumenten en rapporten (o.m. de
voorbereidende documenten voor de Europese top van Bergen in mei 2005) werden
recente ontwikkelingen in vier domeinen: 1. invoering van de
bachelor-masterstructuur, 2. invoering van een flexibel creditsysteem, 3.
studenten- en docentenmobiliteit en 4. kwaliteitszorg bestudeerd. De uitgangsvraag was of empirisch bevestigd
kan worden dat er convergentie plaatsvindt in een aantal subdomeinen van het
hoger onderwijsbeleid, dan wel dat er nog steeds sprake is van relevante
divergentie. |
div 02/2/23pa
Í
|
Succes- en Faalfactoren van
Onderwijsinnovatieprojecten in het
Hoger Onderwijs I. Wopereis, P. Kirschner,
F. Paas en M. Hendriks Open Universiteit
Nederland, Onderwijstechnologisch Expertisecentrum B. Cordewener Stichting SURF, Platform
ICT en Onderwijs Synopsis Het Platform ICT en Onderwijs van de stichting
SURF stimuleert – via cofinanciering - zowel een beter en creatiever gebruik
van ICT binnen het primaire proces van het hoger onderwijs als de vernieuwing
en integratie van ondersteunende processen binnen de onderwijsorganisatie. Om
zicht te krijgen op hoe gefinancierde projecten effectiever opgestart en
uitgevoerd kunnen worden, EN hoe de producten beter opgenomen kunnen worden
in het dagelijkse onderwijs is door het Onderwijstechnologisch
Expertisecentrum van de Open Universiteit Nederland een dieptestudie uitgevoerd
naar succes- en faalfactoren van innovatieprojecten in het hoger onderwijs.
Gebruikmakend van traditionele (literatuurstudie, interviews met
projectleiders) en innovatieve (‘expert group concept mapping’) technieken,
zijn meer dan 200 succes- en faalfactoren gegenereerd (verdeeld over 13
clusters) die de basis vormen voor nieuwe processen en procedures voor
onderwijsinnovatieprojecten. |
div 02/2/148pa
Í
|
Bureaucratisering in het onderwijs L. van de Venne Nederlandse Onderwijsraad Synopsis Toenemende
twijfel over de bureaucratiebeheersing, kostendoelmatigheid en schaalvergroting
in het onderwijs, vormde voor de onderwijsraad aanleiding een verkenning over
dit onderwerp uit te brengen. De raad constateerde dat politici,
onderwijsbestuurders en vakbonden zich steeds vaker mengen in de discussie
over de vraag of het klopt dat een steeds groter aandeel van de euro niet
meer bestemd is voor ‘de handen in de klas’ (het primaire
onderwijsleerproces), maar wordt besteed aan beleid, organisatie, formulieren
en dergelijke (secundaire processen). De
verkenning laat zien dat het onderwerp weerbarstig is. Complicerend daarbij
is dat het onderzoek naar bureaucratisering,
kostendoelmatigheid en schaal in Nederland en ook daarbuiten nog
beperkt is en onderzoek naar de relatie tussen onderwijskwaliteit en
kostenverdeling (effectiviteit) vrijwel ontbreekt. |
div 02/2/149pa
Divisie 3: Curriculum
Timeslot 2 – Parallelsessie 3
Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u
Í
Drie paperpresentaties:
2. Scharniermomenten in het onderwijs voor 12 – 19 jarigen
3. Designing instruction for cooperative learning in
countries with a Confucian Heritage Cultural background: The case of
Í
Praktijkkennis
van vakleerkrachten muziek in het basisonderwijs
M. Bremmer Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten Synopsis Uit de resultaten van het cito peilingsonderzoek ‘Balans van het muziekonderwijs aan het einde van de basisschool 2’ uit 2000 blijkt dat vakleerkrachten muziek nauwelijks muziekmethodes gebruiken maar hun eigen curriculum ontwerpen. Voor het ontwerpen van een curriculum is zowel kennis nodig van inhoud, in dit geval muziek, als onderwijskundige kennis zoals leer- en ontwikkeltheorieën. Maar veel theorieën corresponderen niet met wat (vak)leerkrachten in de praktijk doen en ervaren. Dit gegeven dat de inhoud van formele onderwijstheorieën afwijkt van datgene wat (vak)leerkrachten in de praktijk doen en ervaren heeft de interesse gewekt voor de zogenaamde praktijkkennis: de cognities die aan het handelen van (vak)leerkrachten ten grondslag liggen. In dit onderzoek wordt onderzocht wat de praktijkkennis is over het ontwerpen van een curriculum voor ‘noten leren lezen’ van vakleerkrachten muziek in het basisonderwijs en of deze kennis overeenkomt met bestaande muziekleertheorieën over ‘noten leren lezen’. |
div 03/2/61pa
Í
|
Scharniermomenten in het onderwijs voor 12 – 19 jarigen F.S.J. Riemersma Nederlandse Onderwijsraad Synopsis Overgangen in het onderwijsbestel en naar de
arbeidsmarkt verhinderen voor veel leerlingen een soepele (leer)loopbaan. Dit
thema neemt in belang toe door meer pluriformiteit in de leerlingenpopulatie
en de Europese ambities van kennisintensivering en versterking van de
maatschappelijke samenhang. Via beschrijvingen van “goede praktijken”,
buitenlandse ervaringen en gesprekken met betrokkenen wordt inzicht verkregen
in mogelijke oplossingen. Het gaat daarbij om programmatische oplossingen(
leerstof en methodiek), oplossingen van ondersteunende aard (overdracht van
leerling- en andere informatie) en om randvoorwaarden (wet- en regelgeving,
stimulerende financiering en ambitie afspraken). De bevindingen worden
gebruikt voor advisering door de Onderwijsraad aan de minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap. |
div 03/2/98pa
Í
|
Designing instruction for cooperative learning in
countries with a Confucian Heritage Cultural background: The case of Viet Nam M. Phuong Nguyen
en C. Terlouw University of Twente A.
Pilot Utrecht University Synopsis Cooperative Learning (CL) has a long history of research and
implementation in the West. With the fixed assumption that Asian countries
with collectivist mentality will support CL, this method has been
enthusiastically applied. However, CL was designed for learners/workers in
the West, not the East. Cultural differences are more or less ignored in the
transformation process. The mere copying of CL-Western model could turn in
immediate failure in Confucian Heritage Cultures (CHC) such as |
div 03/2/172pa
Divisie 4: Hoger Onderwijs
Timeslot 2 – Parallelsessie 4
Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Onderwijskundige
professionalisering en onderzoek: Over wat
is en wat komen zal Voorzitter: P. Van Petegem Universiteit Antwerpen, ExpertiseCentrum Hoger
Onderwijs (ECHO) Auteurs van de papers: R. Klaassen en T. Andernach Technische Universiteit Delft T. Niessen, T. Abma; G. Widdershoven; C. van der
Vleuten Universiteit Maastricht, O&O M. Clement, L. Laga, A. Verburgh en K. Waeyters K.U.Leuven, DUO A. Stes, G. Vanthournout, S. Hubers en D. Gijbels Universiteit Antwerpen, ECHO Discussiant: Jan Broeckmans Limburgs Universitair Centrum Synopsis De
opdracht van onderwijskundige diensten die zich bezig houden met
docentenprofessionalisering bestaat voor een groot deel uit het organiseren
van tal van vormingsinitiatieven gericht op de verbetering en vernieuwing van
het onderwijs in brede zin. Voor een docentenprofessionaliseringsdienst in
het hoger onderwijs is (participatie aan) onderzoek vaak essentieel om de geloofwaardigheid
van de dienst in stand te houden. De vraag is echter: aan welk onderzoek moet
worden geparticipeerd en welk onderzoek moet tot de ‘core bussines’ behoren?
In dit symposium presenteert een steekproef van
‘professionaliseringsdiensten’ uit Vlaanderen en Nederland die
onderwijsprofessionalisering in het universitair onderwijs als doel hebben
het onderzoek dat onderdeel uitmaakt van hun dagelijkse activiteiten. Twee
onderzoeksthema’s lijken centraal te staan. Het onderzoek richt zich enerzijds
op het in kaart brengen en trachten te begrijpen van de moeilijkheden die docenten ervaren tijdens een
professionaliseringstraject en anderzijds op het nagaan van de impact van de
professionaliseringsinitiatieven zelf. In de discussie staat de vraag centraal
welke thema’s op de toekomstige onderzoeksagenda moeten staan. |
div 04/2/112sy
Divisie 5: Lerarenopleiding en
Leraarsgedrag
Timeslot 2 – Parallelsessie 5
Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Over de
conceptualisering en het meten van cognities van docenten in het
voortgezet onderwijs Voorzitter: T. Wubbels Universiteit Utrecht, Onderwijskunde Auteurs van de papers: I. Bakkenes, G. van Ginkel, T. Platteel en H.
Oolbekkink-Marchand Universiteit Leiden, ICLON Discussiant: E. Denessen Radboud Universiteit Nijmegen, Onderwijs en Educatie Synopsis Dit
symposium laat de diversiteit in onderzoek naar kennis en opvattingen van
docenten in het voortgezet onderwijs zien. Alle bijdragen aan dit symposium
hebben betrekking op docenten in (voornamelijk) het voortgezet onderwijs. De
onderzoeken verschillen echter in de manier waarop gekeken wordt naar kennis
en/of opvattingen van docenten en in gebruikte meetinstrumenten. Alle
deelnemers hebben zelf een instrument ontwikkeld of gaan deze ontwikkelen om
cognities te meten. Tijdens het symposium wordt ingegaan op de
verschillende termen die worden
gebruikt (tacit-knowledge, pedagogical content knowledge, perspectieven,
concepties en opvattingen) en op hun betekenis. Daarnaast willen we ingaan op
de vertaling van deze conceptualiseringen naar meetinstrumenten. Daarbij gaan
we in op de verschillen en overeenkomsten en de bruikbaarheid van de
verschillende instrumenten. |
div 05/3/156sy
Divisie 6: Leren en Instructie
Timeslot 2 – Parallelsessie 6
Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Analyse
van interacties in probleemgestuurde onderwijsgroepen:
Resultaten
van een processtudie
2. Leren Informatieproblemen oplossen:
Het
effect van het werken met authentieke taken
Í
|
Analyse
van interacties in probleemgestuurde onderwijsgroepen: Resultaten
van een processtudie A. Visschers-Pleijers, D. Dolmans, B. de Leng, I.
Wolfhagen & C. van der Vleuten Universiteit Maastricht, Capaciteitsgroep
Onderwijsontwikkeling en -research Synopsis Samenwerkend
leren wordt steeds vaker ingezet als middel om het leren van studenten te
bevorderen. Probleemgestuurd onderwijs is hier een voorbeeld van. Er zijn nog
weinig studies uitgevoerd naar wat er precies gebeurt in de onderwijsgroepen In deze presentatie wordt verslag gedaan
van de resultaten van een observatiestudie in PGO, waarin de verbale
interactie van studenten in een aantal onderwijsgroepen is geanalyseerd. Voor
het analyseschema werd gebruikt gemaakt van onderwijskundige literatuur over
samenwerkend leren in face-to-face settings. Resultaten laten zien dat de
studenten sterk taakgericht bezig waren en dat ze relatief veel tijd
besteedden aan cumulatief redeneren, grotendeels gekenmerkt door presentatie
van feitelijke informatie en het aanvullen daarvan. Het bespreken van
inhoudelijke tegenstrijdigheden (conflicten) kwam veel minder voor. De
bevindingen leiden tot een aantal praktische implicaties voor studenten en
tutoren. |
div 06/2/80pa
Í
|
Leren Informatieproblemen
oplossen: Het effect van het werken
met authentieke taken S. Brand-Gruwel en I.
Wopereis Open Universiteit
Nederland, Onderwijstechnologisch Expertisecentrum Synopsis Het oplossen van informatieproblemen, waarbij
studenten zelf informatie moeten zoeken, beoordelen en verwerken, is een
complexe vaardigheid waarin instructie dient te worden gegeven. In deze
studie is binnen het opleidingscurriculum van een tweedegraads lerarenopleiding
Nederlands instructie in de vaardigheid ‘Informatieproblemen oplossen’
geïntegreerd. De onderzoeksvraag luid: wat is het effect van geïntegreerde
instructie op de wijze waarop studenten informatieproblemen oplossen? Aan het
onderzoek namen 15 studenten deel. De effecten zijn door middel door een voor- en
nameting bepaald. Studenten kregen tijdens deze metingen een
informatieprobleem voorgelegd met de vraag deze taak hardopdenkend uit te
voeren. De
resultaten laten onder meer zien dat de experimentele studenten na de
instructie percentueel meer tijd besteedden aan het definiëren van het
probleem en het verwerken van informatie en bronnen en informatie vaker
beoordeelden. |
div 06/2/110pa
Í
Waardering van studenten van wederzijdse
afhankelijkheid bij samenwerkend leren: De jigsaw-werkvorm
H. van Keulen IVLOS Universiteit Utrecht Andries Koster Farmaceutische Wetenschappen Universiteit Utrecht Synopsis Welke
werkvorm is aan te raden wanneer studenten zich een uitgebreid en sterk
samenhangend kennisnetwerk moeten eigen maken? De ‘jigsaw’-benadering is een
vorm van samenwerkend en taakverdelend leren, waarbij elke student individueel
een deel van de informatie zoekt, vindt en selecteert opdat de groep een
grotere, complexe opdracht kan maken. In een onderzoek bij de faculteit
Farmaceutische Wetenschappen van de Universiteit Utrecht (NL) blijkt deze
werkvorm tot hardwerkende studenten met uitstekende resultaten te leiden.
Tegelijk is de waardering van studenten voor met name de wederzijdse
afhankelijkheid in dit proces erg laag: ze zijn onzeker over de kwaliteit van
het werk van hun medestudenten, en de motivatie om de eigen taak grondig uit
te voeren wortelt in de angst ontmaskert te worden als meelifter. Wat moeten
we hier van vinden? Weegt het resultaat het zwaarst en verdient deze vorm het
om breder ingezet te worden? Of is het middel erger dan de kwaal? |
div 06/2/113pa
Divisie 7: Methodologie en Evaluatie
Timeslot 2 – Parallelsessie 7
Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Een auditprocedure voor het vaststellen van de kwaliteit
van onderwijsonderzoek
2. Creatieve momenten in Narratieve Analyse
3. De tacit
knowledge van onderwijsonderzoekers
Í
|
Een auditprocedure voor het vaststellen van de
kwaliteit van onderwijsonderzoek S. Akkerman, W. Admiraal,
M. Brekelmans en H. Oost IVLOS Universiteit Utrecht Synopsis De kwaliteit van
onderwijsonderzoek is een thema dat veel aandacht verdient. Extra complex is de
situatie van onderzoek waarin gebruik wordt gemaakt van ingewikkelde,
dikwijls kwalitatieve onderzoeksmethoden, die veel interpretatie van de
onderzoeker vereisen. Het is dan vaak een onmogelijke opgave voor de
onderzoeker om zelf de kwaliteit van alle aspecten van het onderzoek vast te
stellen. Ondanks de recente opgang van dit type complex kwalitatief
onderzoek, blijft de aandacht voor de kwaliteit van het onderzoek beperkt. In
dit paper zal worden ingegaan op een manier om de kwaliteit van complex, kwalitatief
onderzoek op een systematische wijze te waarborgen en vast te stellen. Deze
systematiek heeft de vorm van een auditprocedure, die aan de hand van twee
studies is ontwikkeld en geëvalueerd. |
div 07/3/12pa
Í
|
Creatieve momenten in Narratieve
Analyse J. Bulterman-Bos Vrije
Universiteit Amsterdam, Faculteit Psychologie en Pedagogiek Synopsis Wetenschappelijk
onderzoek is een creatief gebeuren, waarbij de ervaringskennis van de
onderzoeker een onmiskenbare rol speelt. Creativiteit is onder andere nodig
voor het verzamelen en interpreteren van data. Dit wordt geïllustreerd aan de
hand van een onlangs afgerond proefschrift waarbij gebruik gemaakt is van Narratieve
Analyse. Bij de manier waarop semi-gestructureerde interviews tot stand
komen, speelt de persoonlijkheid van de interviewer een rol. De data die deze
interviews opleveren vormen een myriade van gegevens, waarin duizenden
verbanden te leggen zouden zijn. Het is aan de onderzoeker om zodanig naar de
interviews te kijken dat er patronen ontdekt worden die relevant zijn voor de
pedagogische praktijk. De onderzoeker moet dus verstand van die
pedagogische praktijk hebben — en degenen die het onderzoek beoordelen ook. |
div 07/3/167pa
Í
|
De tacit knowledge van onderwijsonderzoekers J. Bulterman-Bos Vrije
Universiteit Amsterdam, Faculteit Psychologie en Pedagogiek Synopsis De
constatering van de natuurwetenschapper en filosoof Michael Polanyi dat
wetenschap niet alleen op expliciete kennis, maar ook op tacit knowledge
berust, heeft consequenties voor de praktijk van de onderwijswetenschap.
Polanyi stelt dat ontdekkingen niet door louter rationaliteit tot stand
komen. Door ervaring met het object van onderzoek, ontwikkelen intelligente
onderzoekers bepaalde intuïties, die tot vruchtbare interpretaties van de
werkelijkheid kunnen leiden. Onderzoek begint dus niet met een hypothese,
maar met intensieve ervaring met het object van onderzoek waardoor de
onderzoeker gevoeligheid voor het object van onderzoek ontwikkelt. Dit proces
is niet alleen cognitief, maar ook lichamelijk. Deze conclusie stelt aan de
onderwijswetenschap de vraag of zij niet veel te winnen heeft bij een
klinische traditie, zoals die bijvoorbeeld ook in de medische wetenschap
bestaat. Het antwoord op deze vraag wordt nader uitgewerkt aan de hand van de
onderzoekstraditie over verwachtingen van leraren. |
div 07/3/168pa
Divisie 8: Onderwijs en Samenleving
Timeslot 2 – Parallelsessie 8
Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u
Í
Vier paperpresentaties:
1. De effectiviteit van de
GOK-indicatoren in het Vlaamse onderwijs
2. De impact van het project
‘Pilootscholen Antwerpen’:
Een procesgerichte analyse van
onderwijskwaliteit in 16 basisscholen met een overwegende migrantenpopulatie
3. Culturele diversiteit in de thuiservaringen van
3-jarigen met taal, geletterdheid en rekenactiviteiten
4. Trends in segregatie in het
Nederlandse Basisonderwijs
naar Sociale Klasse zowel als Kleur
1994-2002
Í
|
De
effectiviteit van de GOK-indicatoren in het Vlaamse onderwijs T. Reynders Steunpunt LOA, cel SiBO / HIVA
KULeuven I. Nicaise HIVA KULeuven Tineke.Reynders@hiva.kuleuven.ac.be Synopsis In
deze bijdrage wordt de effectiviteit van de GOK-indicatoren onderzocht. Deze
indicatoren werden naar aanleiding van het Decreet betreffende Gelijke
Onderwijskansen-I van 28 juni 2002 opgesteld om kansarme kinderen in het
onderwijs te detecteren. De effectiviteit van deze GOK-criteria wordt
nagegaan aan de hand van twee vragen. Enerzijds onderzoeken we of de
GOK-indicatoren ook effectief de groep kinderen met de laagste SES aanduidt
en bereikt. Ten tweede bekijken we of de GOK-indicatoren daadwerkelijk de lage
‘presteerders’ (op zowel cognitieve als sociaal-emotionele kenmerken)
aangeven. Voor beide vragen maken we gebruik van de SiBO-data, meerbepaald
gegevens uit de startgroep derde kleuterklas. Deze gegevens werden
voornamelijk verzameld in het schooljaar 2002-2003, het jaar dat het
GOK-decreet van start ging. |
div 08/2/75pa
Í
|
De impact
van het project ‘Pilootscholen Antwerpen’: Een
procesgerichte analyse van onderwijskwaliteit in 16 basisscholen met een
overwegende migrantenpopulatie F. Laevers en B. Declercq Expertisecentrum Ervaringsgericht Onderwijs -
K.U.Leuven Ferre.laevers@ped.kuleuven.ac.be Synopsis In
het kader van het project Pilootscholen Antwerpen werden 16 basisscholen met
een gemiddelde populatie van 73% niet-Belgen begeleid met de bedoeling dat
‘meer scholen zich profileren als een aantrekkelijke buurtschool’. Het
evaluatie-onderzoek doet een uitspraak over de kwaliteit van het geboden
onderwijs en levert schoolportretten af als basis voor het plannen van
verbeteracties. De data-verzameling behelst (1) een meting in elke klas van
‘betrokkenheid’ – intrinsiek gemotiveerde activiteit – [d.m.v. een
‘scanningprocedure’] en een registratie van factoren in de aanpak die betrokkenheid
bepalen, (2) een peiling naar de mate waarin leerlingen zich ‘goed voelen’ en
hoe boeiend zij de vakken vinden [d.m.v. de bevragingset ‘Wat vind ik van
mijn school?’], (3) een schriftelijke enquête waarin leerkrachten hun
welbevinden en betrokkenheid in kaart brengen in relatie tot diverse aspecten
van het schoolleven en (4) registratie van de door hen gepercipieerde
sterktes en zwaktes van de school [d.m.v. de vragenlijst ‘Globale Analyse’]. |
div 08/2/178pa
Í
|
Culturele diversiteit in de thuiservaringen van
3-jarigen met taal, geletterdheid en rekenactiviteiten A.Y. Mayo, A.F. Scheele, M.H. Messer, P.P.M.
Leseman Universiteit Utrecht, Afdeling Orthopedagogiek Synopsis Tijdens de presentatie wordt verslag gedaan van
de eerste resultaten van een onderzoek onder 180 Nederlandse, Marokkaans-
Nederlandse en Turks-Nederlandse gezinnen met 3-jarige kinderen naar
informele taal, ontluikende geletterdheid en ontluikende rekenvaardigheden in
de thuiscontext. Een gedetailleerde vragenlijst is ontwikkeld om het
voorkomen en de frequentie van deze activiteiten te onderzoeken. Hierbij zijn
verschillende genres van gesproken en gedrukte taal en verschillende soorten
informele rekenactiviteiten onderscheiden. De data zijn d.m.v. persoonlijke
interviews verzameld waarbij ook gegevens over de achtergrond van de opvoeder
zijn verkregen, zoals opleiding, sociaal-economische status en
opvoedingsstijl. De eerste resultaten laten duidelijke sociaaleconomische en
culturele verschillen zien in de wijze waarop gezinnen de informele
leeractiviteiten van hun kinderen tijdens de voorschoolse jaren vormgeven.
Deze verschillen correleren sterk met de ontluikende vaardigheden van de
kinderen op het gebied van taal, geletterdheid en rekenen. |
div 08/2/202pa
Í
|
Trends in
segregatie in het Nederlandse Basisonderwijs naar
Sociale Klasse zowel als Kleur 1994-2002 P. Jungbluth Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen (ITS)
- Radboud Universiteit Nijmegen Synopsis Aan
de hand van o.a. CBS-cijfers en een vijftal PRIMA-cohort-onderzoeken worden
segregatietrends geanalyseerd in het Nederlandse basisonderwijs, zowel naar
etniciteit als naar sociale klasse: A. hoe
verandert de samenstelling van de populatie als geheel (polarisering kansarm
– kansrijk) en B. verandert
de populariteit van de diverse typen basisscholen waarop één bepaalde
bevolkingsgroep domineert (sociaal-etnische homogenisering / reconstructie
standenbestel)? De resultaten
roepen onder andere de volgende beleidsvragen op: C. worden
autochtoon-kansarme leerlingen niet dramatisch benadeeld in de huidige en zo
dadelijk voorgestelde wegingen in het achterstandsbeleid en D. kan
de overheid voor kansarmen wel compenseren wat de kansrijken voor hun eigen
kinderen elders realiseren? (presentatie
af 270505 op www.pauljungbluth.nl ) |
div 08/2/214pa
Divisie 8: Onderwijs en Samenleving
Timeslot 2 – Parallelsessie 9
Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
De voorbereiding
op het voortgezet onderwijs Voorzitter: E. van Gessele NWO Auteurs van de papers: G. Driessen ITS - Radboud Universiteit Nijmegen M. Overmaat, I. van der Veen en J. Roeleveld SCO-Kohnstamm Instituut - Universiteit van Amsterdam Discussiant: H. Luyten Universiteit Twente Synopsis De overgang van
basis- naar voortgezet onderwijs is een cruciale fase in de schoolloopbaan van
kinderen. Na 8 of meer jaar basisonderwijs wordt middels een afsluitende
toets en advies de balans opgemaakt van wat een leerling geleerd heeft en
bepaald welk het meest geschikte vervolgtraject is. In dit symposium wordt op
basis van gegevens die in 2002/03 zijn verzameld bij het cohortonderzoek
Primair Onderwijs (PRIMA) deze overgang vanuit verschillende perspectieven
belicht. Thema’s zijn onder meer: Hoe komen de adviezen tot stand, wat is
daarbij de rol van leerkrachten en ouders? Welke steun bieden basisscholen
ouders en kinderen bij de keuze voor een school voor voortgezet onderwijs? Op
welke wijze bereiden basisscholen in cognitieve zin hun leerlingen voor op
het voortgezet onderwijs? Maken ze daarin onderscheid tussen verschillende
groepen leerlingen? Wat is de voorspellende waarde van de adviezen voor het
succes in het voortgezet onderwijs? Is er ook een samenhang tussen kenmerken
van basisscholen en de schoolloopbanen van kinderen in het voortgezet
onderwijs? |
div 08/3/76sy
Divisie 9: ICT en Onderwijs
Timeslot 2 – Parallelsessie 10
Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Anonimiteit en sociale aanwezigheid
in computerondersteunde
samenwerkende leergroepen
(work-in-progress)
2. Communicatie binnen CSCL
3. On line tutors onder de loep:
Een analyse van tutorbijdragen binnen
asynchrone discussiegroepen
Í
|
Anonimiteit
en sociale aanwezigheid in computerondersteunde samenwerkende
leergroepen (Work-in-progress) I. Vandyck en K. Kreijns Open Universiteit Nederland/Ruud de Moor Centrum Synopsis Door
de komst van ICT gaan steeds meer onderwijsinstellingen ertoe over deze technologische
middelen in te zetten bij hun onderwijs. ICT laat toe tijd- en
plaatsonafhankelijk te leren waardoor grotere groepen van studenten
bereikbaar zijn. Het Ruud de Moor Centrum, dat een onderdeel is van de Open
Universiteit Nederland beoogt van meet af aan ICT in te zetten bij de
leerprocessen van lerarenopleiders en begeleiders van onderwijsgevenden.
Juist het op afstand in groepen samenwerkend leren (CSCL) levert een nieuwe
categorie van typische problemen op door het wegvallen van alle non-verbale
communicatie. Dit paper is sociaal-psychologisch van aard en gericht op
groepsdynamische processen in CSCL. We onderzoeken de relaties tussen sociale
aanwezigheid, sociale context, awareness informatie, anonimiteit en
identificeerbaarheid, alsmede hun effecten op relatievorming, groepscohesie,
identiteitsontwikkeling, sociale invloed, het ontwikkelen van vertrouwen
enz., en op de leeruitkomsten. |
div 09/2/43pa
Í
|
Communicatie
binnen CSCL E. Koertshuis en E. van den Berg Hs. Edith Stein/OCT Synopsis Het
onderzoek zoals gepresenteerd in het paper, heeft plaatsgevonden binnen een
ontwerpgerichte onderzoeksbenadering. Een bestaand onderwijsaanbod is
herontworpen, waarbij het aantal contacturen is gehalveerd en een digitale
leeromgeving is ingericht om samenwerkend leren op afstand te faciliteren.
Het onderzoek richt zich op de communicatie die zich op afstand afspeelt
tussen de lerenden. Er is t.b.v. het onderzoek een onderscheid gemaakt tussen
communicatie op conceptueel, procedureel en interpersoonlijk niveau. Uit het
onderzoek blijkt verrassend genoeg,
dat lerenden in een blended vormgegeven onderwijsarrangement, binnen de
digitale leeromgeving, verhoudingsgewijs veel communiceren op conceptueel
niveau. Verder blijkt uit het onderzoek dat wanneer de docent/onderzoeker
zich in de communicatie mengt, de omvang, diepgang, en participatiegraad van
de studenten toeneemt. Of dit alles leidt tot (hoogwaardige)
kennisconstructie is de vraag. |
div 09/2/120pa
Í
|
On line
tutors onder de loep: Een
analyse van tutorbijdragen binnen asynchrone discussiegroepen M. De Smet, B. De Wever, M. Valcke en H. Van Keer Universiteit Gent, Vakgroep Onderwijskunde Synopsis Dit
onderzoek koppelt cross-age peer tutoring aan CSCL binnen de context van
academisch hoger onderwijs. CSCL (Computer Supported Collaborative Learning)
wordt gezien als een uitstekend hulpmiddel om samen te leren en reflectie uit
te lokken. Daarbij is niet het samenwerken op zich bepalend voor
kennisconstructie, maar wel de soort onderlinge communicatie en de bijhorende
sturing van on line leerprocessen. Vanuit die optiek worden transcripten uit
asynchrone discussiegroepen onderworpen aan codeerschema’s, waarbij alle
aandacht gaat naar het in kaart brengen van tutorgedrag. Meer concreet richt
het onderzoek zich op de begeleidingsactiviteiten waarbij zowel organisatorische, (meta)cognitieve
als sociale vaardigheden nodig zijn om leerprocessen in
samenwerkingscontexten te ondersteunen.
Ondanks het feit dat er patronen te onderscheiden vallen in tutorgedrag,
sluit deze studie aan bij eerder onderzoek dat aangeeft dat begeleidingsactiviteiten
contextspecifiek en tutorafhankelijk zijn. |
div 09/2/193pa
Divisie 10: Vakdidactiek
Timeslot 2 – Parallelsessie 11
Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Teaching and learning modeling in mathematics and
science education Voorzitter: L. Verschaffel Center for Instructional
Psychology and Technology, University of Leuven, Belgium, lieven.verschaffel@ped.kuleuven.ac.be Auteurs van de papers: H. Burkhardt Shell Centre for
Mathematical Education, K. Gravemeijer Freudenthal Institute &
Dep. Of Educational Research, A. DiSessa W. Van Dooren1 2, D. De Bock1
3 D. Janssens4 en L. Verschaffel1 1 Center for
Instructional Psychology and Technology, 2 Research
Assistant of the Fund for Scientific Research – 3 European 4 Departement of
Mathematics, Discussant: B. Greer Synopsis Applications and modeling
have been, and continue to be, a central theme in mathematics (and science)
education. This is not at all surprising, since very many questions and
problems concerning human learning and teaching of mathematics affect, and
are affected by, relations between mathematics and the real world. This
symposium brings together four papers (one by H. Burkhardt, one by K.
Gravemeijer, one by A. DiSessa, and one by W. Van Dooren et al.), followed by
a discussion (by B. Greer), dealing
with different aspects of teaching and learning modeling in mathematics and
science, which are both of a great theoretical and practical importance, such
as: the tension between teaching models and teaching modeling, the
relationship between modeling and abstraction in mathematics education, the
question if, while being involved in modeling activities, children can
re-discover fundamental mathematics and science, and the tension between
teaching for routine versus adaptive modeling expertise in mathematics and science education. |
div 10/1/185sy
Divisie 11: Gender en onderwijsonderzoek
Timeslot 2 – Parallelsessie 12
Dinsdag 31 mei van 9.00 tot 10.45u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Gender verschillen op vlak van translatie, procedureel
rekenen, wiskundig modelleren en oproepen van rekenfeiten
2. Gender, motivatie en
prestaties voor Nederlands en wiskunde
Í
|
Gender
verschillen op vlak van translatie, procedureel rekenen, wiskundig modelleren
en oproepen van rekenfeiten A. Desoete Ugent,
Arteveldehogeschool, SIG Synopsis
Reeds geruime tijd is men gefascineerd door gender verschillen op vlak van rekenen. In deze studies willen we nagaan hoe het zit met die verschillen inVlaanderen. Het eerste doel was na te gaan of jongens sneller en accurater zijn op vlak van het oproepen van rekenfeiten (computational fluency hypothese). Verder willen we nagaan of er geslachtsgebonden verschillen zijn op vlak van translatie, wiskundig modeleren, eenvoudig procedureel rekenen en complexere procedurele rekentaken. De studie vond plaats in 15 lagere scholen en 15 scholen in het secundair onderwijs in Vlaanderen. De studie toont aan dat gender verschillen vooral duidelijk zijn in het begin en op het eind van de lagere school en dat die ongelijkheid verder gaat in het secundair onderwijs. Meisjes lijken ‘trage starters’, die hun achterstand tijdelijk inhalen in het 4de leerjaar van de lagere school. |
div 11/2 /3pa
Í
|
Gender, motivatie en prestaties voor Nederlands en
wiskunde A. Vrugt, F. J. Oort en L.
Waardenburg Afdeling Psychologie,
Faculteit Maatschappij- en Gedragswetenschappen, Universiteit Amsterdam Synopsis Volgens het ‘selective goal pattern’ bepaalt de situatie welke prestatiedoelen adaptief zijn, en zullen studenten het doel nastreven dat voor hen het meest relevant is in een bepaalde situatie. Uitgangspunt van het onderhavige onderzoek is dat taakkenmerken, zoals kenmerken van de vakken Nederlands en wiskunde, taakstereotypen activeren die in samenspel met gender stereotypen bepalend zijn voor de prestatiedoelen die door mannen en vrouwen worden nagestreefd. Onderzocht is of consistentie tussen taak- en genderstereotypen – bij vrouwelijke scholieren en Nederlands en bij mannelijke scholieren en wiskunde – een motivationeel pad activeert dat beheersingsgerichte doelen als startpunt heeft. En of inconsistentie – bij vrouwelijke scholieren en wiskunde en mannelijke scholieren en Nederlands – de aanzet geeft tot een motivationeel pad dat begint met uitkomstgerichte doelen. |
div 11/2/39pa
Í
Jongens denken alleen maar dat ze beter zijn in techniek dan meisjesH. van der Meij Faculteit Educational Design, Media &
Management, Universiteit Twente Synopsis In
dit onderzoek is voor, tijdens, en na afloop van een lessenserie over
techniek gekeken naar verschillen tussen jongens en meisjes. Meisjes
presteerden beter dan jongens op een kennistoets na afloop. Jongens schatten
hun eigen competentie hoger in dan meisjes. Jongens waardeerden na afloop
groepswerk meer omdat dit hen in staat stelde te interacteren. Op
moment van schrijven vinden analyses plaats die zich richten op de vraag of
er sekse verschillen zijn in de e-mail communicatie die plaatsvond tijdens
het project. |
div 11/2/88pa
Divisie 1: Bedrijfsopleidingen,
Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie
Timeslot 3 – Parallelsessie 1
Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Rationaliteit
en formaliteit van leren in de praktijk van alledag Voorzitter: L.F.M. Nieuwenhuis Universiteit Twente, GW-CBB/Stoas-Research A. Hoeve, A.K. Jager en K.Mittendorff en L.F.M.
Nieuwenhuis Stoas Research, Universiteit Wageningen A. Doornbos CPS C. Poortman Universteit Twente M. van Woerkom Universiteit Tilburg Discussiant: J. Onstenk Cinop-EC Synopsis Leren
op de werkplek mag zich verheugen in een toenemende belangstelling vanuit het
wetenschappelijk onderzoek. Door de Onderwijsraad en intermediaire
organisaties als Cinop en Colo worden onderzoekers uitgedaagd om de
beschikbare kennis op dit terrein te bundelen. Ondersteund door een aantal
hoogleraren (onder meer Nijhof in Twente, Simons in Utrecht, van der Sanden
in Eindhoven/Tilburg), is er de laatste jaren een gestage stroom aan
proefschriften op dit terrein ontstaan.
Het door NWO gefinancierde aandachtsgebied “het leerpotentieel van de
werkplek”, onder leiding van Nijhof in Twente, geeft aan vier AIO’s en twee
postdocs de ruimte om diverse aspecten van leren op de werkplek te
onderzoeken. In dit symposium zijn vier van die projecten bijeengebracht rond
de vraagstelling in hoeverre leren in alledaagse situaties kan worden
begrepen vanuit rationele of formele interventies. We zijn geneigd om leren
te verstaan vanuit een seriële rationaliteit (Nieuwenhuis, 2004; Nieuwenhuis
& van Woerkom, i.b.), waarin leren gericht is op de voorbereiding op
handelen. Leren op de werkplek verloopt echter veelal parallel aan
werkprocessen, en is in veel gevallen niet of slechte gedeeltelijk rationeel
georganiseerd.. Ook bij het formele karakter van leerwerkprocessen kunnen vraagtekens
worden gezet: curriculumvoorschriften worden alleen aangetroffen in het kader
van beroepsopleidende trajecten. Leren op de werkplek is dus vaak informeel
en a-rationeel, waardoor het lastig is om uitspraken te doen over de
effectiviteit van leerprocessen. Aan
de hand van drie onderzoeksprojecten wordt deze problematiek in het symposium
verder uitgewerkt. Aimee Hoeve en AnnetJager (in sasmenwerking met Kariene
Mittendorff en Loek Nieuwenhuis) presenteren een paper over leervragen binnen
bedrijven als gevolg van routineveranderingen in het kader van veranderings-
en innovatieprocessen en mogelijke ondersteuning daarvan door
onderwijsinstellingen. Cindy
Poortman en Marianne van Woerkom gaan in op a-rationaliteit van informele
leerprocessen binnen een formeel beroepsopleidend traject, aan de hand van
observatie- en interviewgegevens over leerlingen in verzorgingstehuizen. Anja
Doornbos presenteert gegevens over informele leerprocessen van
politie-agenten in functie. In
elk van de projecten komt aan de orde in hoeverre leerprocessen die niet
formeel zijn georganiseerd en/of geen rationeel karakter hebben, een bijdrage
leveren aan de ontwikkeling van het vakmanschap van de lerenden en de
flexibiliteit van de werkorganisaties. Dit zou moeten leiden tot een verdieping
van het inzicht in alledaagse leerprocessen en de relevante condities
waaronder dat plaats vindt. Aan Jeroen Onstenk tenslotte de uitdaging om de
ontwikkelde perspectieven van commentaar te voorzien. |
div 01/3/51pa
Divisie 2: Beleid en Organisatie in het Onderwijs
Timeslot 3 – Parallelsessie 2
Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Intenties
en gedrag van inspecteurs:
Zijn er
systematische verschillen in typen inspecteurs?
2. Typen van kwaliteitszorg in scholen
en de relatie met
externe kwaliteitszorg
3. Ervaringen met vernieuwd onderwijstoezicht
Í
|
Intenties en gedrag van inspecteurs: Zijn er systematische verschillen in typen inspecteurs? M.C.M. Ehren Universiteit Twente, faculteit Gedragswetenschappen,
afdeling Onderwijsorganisatie en management I.F. de Wolf Inspectie van het Onderwijs en Universiteit van
Amsterdam F.J.G. Janssens Inspectie van het Onderwijs en Universiteit Twente Synopsis Deze presentatie gaat in op drie vragen, namelijk a) bestaat er een
onderscheid in sturende en terughoudende inspecteurs? b) is er een samenhang
tussen intenties en gedrag van inspecteurs tijdens het schoolbezoek? en c)
verschillen sturende en terughoudende inspecteurs in de beoordeling die zij
aan scholen geven? Voor het onderzoek hebben 54 (58%) inspecteurs primair
onderwijs een enquête over hun intenties en gedrag tijdens schoolbezoeken
ingevuld. Analyses van de
antwoorden tonen aan dat er een onderscheid bestaat tussen sturende en
terughoudende inspecteurs, zowel in intenties als gedrag. Inspecteurs verschillen in alle werkwijzen
die tijdens het bezoek worden uitgevoerd, behalve de wijze waarop zij
informatie over de school verzamelen.Intenties hangen echter alleen samen met gedrag dat bestaat uit het geven
van verbetersuggesties tijdens het schoolbezoek. Om te toetsen of de
verschillen in intenties en gedrag resulteren in andere beoordelingen, hebben
we tenslotte onderzocht of de oordelen van scholen, die de afgelopen twee
jaren door de inspecteurs zijn bezocht, systematisch verschillen tussen de
twee typen inspecteurs. Dat blijkt niet of nauwelijks het geval te zijn. De
enige uitzondering hierop is het oordeel over toetsing, hierover oordelen
sturende inspecteurs iets strenger. |
div 02/3/28pa
Í
|
Typen van
kwaliteitszorg in scholen en de relatie met externe
kwaliteitszorg N. Dijkstra & R. Hofman GION/Rijksuniversiteit
Groningen Synopsis De presentatie richt zich op bevindingen van
onderzoek naar kwaliteitszorg in het Nederlands basisonderwijs. Informatie van
939 schoolleiders leidt via clusteranalyse tot een classificatie van scholen
naar vier typen van kwaliteitszorg. Resultaten tonen aan dat de
kwaliteitszorgtypen onderling onder meer verschillen op managementprofiel,
kenmerken van het gehanteerde kwaliteitszorgsysteem, en kwaliteit van het
onderwijsproces. Discrepantieanalyse toont aan dat in beperkte mate sprake is
van een verschillen tussen de externe (‘objectieve’) oordeel van de inspectie
en de (‘subjectieve) mening van de scholen over de stand van zaken van
kwaliteitszorg op de onderzochte basisscholen. Tenslotte biedt een analyse
van ‘best-practice’ scholen inzicht in stimulerende en belemmerende factoren
en verklaringen, waar scholen die een succesvol integraal
kwaliteitszorgsysteem willen ontwikkelen, baat bij kunnen hebben. |
div 02/3/59pa
Í
|
Ervaringen met vernieuwd onderwijstoezicht S. Karsten, G. Ledoux, Y. Emmelot en A. Vermeulen SCO-Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam Synopsis De groeiende behoefte aan
inzicht in kwaliteit valt samen met een trend die al een aantal jaren in het
onderwijs zichtbaar is: minder overheidsregels, meer ruimte voor eigen beleid
en verantwoordelijkheid van scholen. Deze ontwikkeling heeft in Nederland
geleid tot een nieuwe wet op het onderwijstoezicht (WOT), die op 1 september
2002 van kracht is geworden. In de WOT staat dat een school zelf
verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het door haar gegeven onderwijs;
dus ook voor de manier waarop de kwaliteit wordt gemeten en geëvalueerd. De
inspectie moet in haar toezicht daarbij zoveel mogelijk aansluiten. In ons
onderzoek is gepeild wat scholen en instellingen vinden van de nieuwe werkwijze
van de inspectie sinds de invoering van de WOT. De ervaringen met een recent
PKO op de school vormden daarvoor het uitgangspunt. Door middel van
interviews, panelgesprekken en surveys is een schat aan gegevens geschapen
waaruit rijkelijk geput kan worden. |
div 02/3/131pa
Divisie 3: Curriculum
Timeslot 3 – Parallelsessie 3
Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u
Í
Twee paperpresentaties:
2. De inzet
van ICT in het taalonderwijs aan kleuters
Í
Onderzoek
naar de kwaliteit van het vak lichamelijke opvoeding
in
Vlaanderen
K. Huts, P. De Knop, M.
Theeboom en K. De Martelaer Vrije Universiteit
Brussel, Faculteit LK Synopsis Het uit de bedrijfswereld overgewaaide fenomeen
‘kwaliteitszorg’ staat vandaag de dag hoog op de agenda van de Vlaamse
onderwijsinstellingen. Het bevorderen van kwaliteitszorg en het verhogen van
het kwaliteitsbewustzijn worden door menig auteur ook als cruciaal beschouwd
voor de overleving van het vak lichamelijke opvoeding. Het doel van dit
onderzoeksproject is een analyse van de ‘totale kwaliteit’ van het vak
lichamelijke opvoeding in het Vlaams secundair onderwijs. Deze paper geeft
een beschrijving van de product, maatschappelijke en gebruikerskwaliteit van
dit schoolvak en bespreekt hoe de proceskwaliteit momenteel geregistreerd
wordt. |
div 03/3/45pa
Í
|
De inzet van ICT in het taalonderwijs aan kleuters J. Voogt, S. McKenney en C. van Puffelen Universiteit Twente, Faculteit Gedragswetenschappen,
Curriculum Synopsis PictoPal is een electronische leeromgeving ter
ondersteuning van onderwijs in voorbereidend lezen en schrijven voor 4-6
jarigen. Kleuters gebruiken PictoPal om zelf te ‘lezen’ en te ‘schrijven’. De
activiteiten vinden plaats op de computer en in de klas. PictoPal bevat kant
en klare activiteiten, maar docenten kunnen ook bestaande activiteiten
aanpassen of zelf activiteiten ontwikkelen. Docenten kunnen activiteiten in
PictoPal dus koppelen aan thema’s die in de klas aan de orde zijn. In het
kader van de ontwikkeling van PictoPal is een deelonderzoek verricht naar de
effecten van het programma op jonge kinderen. In deze deelstudie staat de
volgende onderzoeksvraag centraal: In
hoeverre kan PictoPal bijdragen aan het stimuleren van beginnende
geletterdheid in groep 1 en 2? |
div 03/3/108pa
Divisie 4: Hoger Onderwijs
Timeslot 3 – Parallelsessie 4
Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Motivationele effecten van het
‘nieuwe leren’:
De invloed van autonomie
2. Een vergelijking tussen de geschreven
en video-gebaseerde versie van een situational judgment test bij selectie in het
hoger onderwijs
3.
Effects of dynamic knowledge elicitation support on virtual team learning
Í
|
Motivationele
effecten van het ‘nieuwe leren’: De invloed
van autonomie R. Martens Universiteit leiden, Afdeling Onderwijsstudies T. Bastiaens Open Universiteit Nederland, Onderwijstechnologisch
Expertisecentrum Synopsis Onderwijs
wordt op grote schaal geïnnoveerd. Opmerkelijk is dat het hierbij gewenste student
gedrag sterke overeenkomsten vertoont met wat Ryan & Deci (2000)
intrinsic motivation noemen (Martens, Gulikers, & Bastiaens, 2004).
Intrinsieke motivatie lijkt daarmee een cruciaal kantelpunt bij het creëren
van succesvolle onderwijsinnovaties. Dit paper richt zich op één van de
aspecten die aldus Ryan & Deci cruciaal zijn om intrinsieke motivatie in
stand te houden: controle of autonomie door studenten. Als een leeromgeving
sterk sturend is, waarbij studenten weinig controle hebben en er sprake is
van veel extrinsieke beloningen dan verstoort dit de intrinsieke motivatie.
Het is niet voor niets dat in vrijwel alle onderwijs innovatieve
leeromgevingen meer controle en autonomie aan studenten wordt gegeven. De
vraag is echter welk soort autonomie het beste werkt en wanneer gebrek aan
controle ontaardt in anarchie of in geen enkele vorm van leren. In dit paper
zullen verschillende vormen van autonomie experimenteel getoetst worden in
een context van hoger onderwijs. |
div 04/3/8pa
Í
|
Een vergelijking
tussen de geschreven en video-gebaseerde versie van een situational judgment
test bij selectie in het hoger onderwijs T. Buyse en F. Lievens Universiteit Gent Synopsis De laatste jaren worden video-based situational judgment tests (SJT’s) steeds vaker gebruikt bij selectie van personeels maar ook in onderwijskundige settings maken SJT’s opgang. Tot nu toe heeft geen enkele studie onderzocht of er een verschil is in de predictieve validiteit van verschillende aanbiedingsvormen van SJT’s (met gelijke inhoud). Dit is een belangrijke vraag omdat video-based SJT’s opmerkelijk duurder zijn qua ontwikkeling en afname dan geschreven SJT’s. Daarom onderzoekt deze studie of een video-gebaseerde SJT tot betere voorspellingen leidt dan dezelfde SJT in geschreven vorm. |
div 04/3/72pa
Í
|
Kenniselicitatie tijdens
virtueel teamwerk effecten van dynamische stimulering M. Bitter-Rijpkema en
W. Jochems Onderwijstechnologisch
expertisecentrum (OTEC), Open Universiteit Nederland R. Martens Rijks Universiteit
Leiden Synopsis Samenwerken en leren in virtuele teams wordt
steeds belangrijker in de beroepspraktijk en in het hoger onderwijs. Echter
het integreren van aanwezige relevante individuele inzichten in de teamkennis
voor de collectieve teamprestatie blijkt problematisch. Ervaringen met
enkelvoudige stimulering van kenniselicitatie bij welomschreven taken stemt
hoopgevend. In deze presentatie wordt de ontwikkeling en het testen van een
nieuwe instrumentering beschreven. De ondersteuning van kenniselictatie en
ontwikkeling is gericht op dynamische ondersteuning van teams die virtueel,
complexe slecht gedefinieerde problemen moeten oplossen. In deze presentatie
wordt ingegaan op de theoretische fundering een nieuwe instrumentatie.
Beschreven wordt de onderzoeksopzet en resultaten van het experiment waarin
de dynamische ondersteuning,, vormgegeven middels actieve stimulering en
ondersteunende functionaliteiten in Ace forum, beproeft is. Vervolgens gaan
we na hoe de gevonden positieve effecten ten aanzien van procesverloop,
kennisontwikkeling en motivatie te interpreteren zijn. En tenslotte
analyseren we welke consequenties deze resultaten hebben voor het gebruik de
methode en instrumenten in de onderwijspraktijk als ook voor verder vervolg
onderzoek. |
div 04/3/211pa
Divisie 5: Lerarenopleiding en
Leraarsgedrag
Timeslot 3 – Parallelsessie 5
Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u
Í
Twee paperpresentaties:
1. Veranderingen in opvattingen van
studenten betreffende
het beroep van leraar
Í
|
Veranderingen
in opvattingen van studenten betreffende het beroep
van leraar H.K. Slettenhaar Universiteit Twente, Faculteit Gedragswetenschappen,
Instituut ELAN Synopsis Het
constructivisme heeft als uitgangspunt dat lerenden zelf hun kennis- en vaardighedenbestand opbouwen (b.v. Jonassen,
1992). Vertaald naar (constructivistisch) opleiden houdt dat in dat
studenten, uitgelokt en gestuurd door opleidingsactiviteiten, zelf hun
kennis- en vaardighedenbestand opbouwen. Het onderzochte programma beoogt dat
te realiseren door middel van activerende werkvormen. Om als opleider goed te
kunnen sturen is er inzicht nodig in de (individuele) leerprocessen
(cognitieve ontwikkeling) van de studenten. Als eerste stap in het onderzoek
daarnaar is onderzocht of en hoe de opvattingen van studenten veranderen gedurende
het volgen van het vak Onderwijskunde 1. In de workshop worden de resultaten
van dat onderzoek gepresenteerd. |
div 05/4/161pa
Í
Reflectie
retorisch bezien:
Een
retorisch onderzoek naar reflectieverslagen
I. Pauw Katholieke Pabo Zwolle Studenten aan lerarenopleidingen schrijven veel reflectieve teksten met als doel te leren. Toch twijfel ik, ervaren docent aan een pabo, aan de leerwaarde van deze teksten en in het bijzonder aan de leerwaarde van de reflectieve activiteit die in deze teksten besloten ligt. Ook studenten zelf twijfelen daaraan; ze geven aan reflectieverslagen te schrijven voor docenten en omdat het moet en niet voor zichzelf. Mijn onderzoeksvraag is: Aan welke eisen dienen reflectie verslagen te voldoen? Een preliminair antwoord is: 1. ze moeten inhoudelijk reflecteren 2. ze moeten voldoen aan het genre-theoretische concept van verslag, dat zich manifesteert in opbouw en taalgebruik. Een afgeleide vraag is: voldoen de zogenaamde reflectieverslagen aan die eisen? Aan de hand van een vijftal reflectieverslagen van studenten zal ik laten zien wat reflectieverslagen reflecteren en aanbevelingen geven voor de didactiek van het schrijven ervan. |
div 05/4/183pa
Divisie 6: Leren en Instructie
Timeslot 3 – Parallelsessie 6
Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u
Í
Drie paperpresentaties:
1. De invloed van
de groepssamenstelling op de participatie en
het
elaboratiegedrag van leerlingen in een coöperatieve leersituatie
2. Leren denken strategieën als
succesvolle onderwijsvernieuwing in de gammavakken
3. Ervaringen van vierde klassers in de Tweede Fase (VO) en de relatie met
leerstijlkenmerken
Í
|
De invloed van de groepssamenstelling op de
participatie en het elaboratiegedrag van leerlingen in een coöperatieve
leersituatie E. Denessen en S. Veenman Radboud Universiteit Nijmegen Synopsis In dit
onderzoek wordt nagegaan of de samenstelling van de coöperatieve leergroep, in
termen van schoolse leerprestaties en geslacht, invloed heeft op het
participatie- en uitleg- of elaboratiegedrag en de leerprestaties van de
leerlingen. Aan de studie namen 48
leerlingen van de zeven basisscholen deel (groep 8). Een hoog presterende leerlingen
werd aselect gekoppeld aan een gemiddeld presterende leerling en een
gemiddeld presterende leerling aan een laag presterende leerling. Aan de
duo’s werd een rekentoets voorgelegd. Het samenwerkingsproces werd op video
vastgelegd en geanalyseerd. De voornaamste
bevinding was dat leerlingen met het hoogste prestatieniveau in het duo meer
participeerden, meer (correcte) uitleg gaven en meer presteerden op de
rekentoets dan leerlingen met het laagste prestatieniveau in het duo; ofwel:
“de rijken werden rijken en de armen werden armer”. |
div 06/3/9pa
Í
|
Leren
denken strategieën als succesvolle onderwijsvernieuwing in de gammavakken J. van der Schee Onderwijscentrum Vrije Universiteit Amsterdam L. Vankan Instituut voor Leraar en School – Radboud Universiteit
Nijmegen Synopsis Hoewel
de meeste Nederlandse docenten en leerlingen voorstanders zijn van het idee van
actief en zelfstandig leren, laat de uitvoering in de dagelijkse praktijk van
het voortgezet onderwijs nog wel eens te wensen over. Het lesboek ‘Leren
denken met aardrijkskunde’ dat gebaseerd is op ideeën van de Engelsman Leat
valt goed bij leerlingen en docenten. Het biedt docenten zicht op hoe
leerlingen denken. Leerlingen worden erdoor gemotiveerd en uitgedaagd tot
nadenken. Het biedt een goede vorm voor datgene waarvoor leerlingen naar
school willen komen, namelijk aantrekkelijke lessen waarin zij samen met
medeleerlingen en de docent stukjes van de puzzel die de wereld om ons heen
is, leren duiden, ordenen en bediscussiëren. De klas als ‘learning
community’, waarbij transfer van kennis en metacognitie een belangrijke rol
spelen. In dit paper wordt ingegaan op leerlingen ook beter leren denken aan
de hand van dit nieuwe lesmateriaal. |
div 06/3/15pa
Í
|
Ervaringen van vierde klassers in de Tweede Fase
(VO) en de relatie met leerstijlkenmerken K.D. Könings, S. Brand-Gruwel
en Jeroen J.G. van Merriënboer Open Universiteit
Nederland, Onderwijstechnologisch Expertisecentrum Synopsis Hoe leerlingen een leeromgeving ervaren, is
bepalend voor hun leergedrag en de uiteindelijke leerprestaties. Het is
daarom belangrijk om zicht te hebben op deze ervaringen van leerlingen. In
deze studie zijn de ervaringen, wensen en tevredenheid van 4e
klassers (VO) gemeten, als ook hun leerstijl. Uit de resultaten blijkt dat
leerlingen het onderwijs slechts ten dele ervaren als een krachtige
leeromgeving. Verder blijkt dat ze wel een krachtige leeromgeving wensen en
met een aantal aspecten van de leeromgeving duidelijk ontevreden zijn. Er
blijkt een opmerkelijke samenhang te zijn met leerstijlkenmerken: wenselijke
leerstijlkenmerken (zoals persoonlijk geïnteresseerde leeroriëntatie) dragen
bij aan hoge ervaringscores en tevredenheidscores. Onwenselijke
leerstijlkenmerken (zoals stuurloos leergedrag) dragen bij aan lage ervaringscores
en tevredenheidscores. Implicaties van deze resultaten zullen worden
besproken. |
div 06/3/101pa
Divisie 7: Methodologie en Evaluatie
Timeslot 3 – Parallelsessie 7
Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Is schooleffectiviteit een meetbaar concept? Reflecties over verschillende keuzes bij
schooleffectiviteitsonderzoek Voorzitter: P. Van Petegem Universiteit Antwerpen, Instituut voor Onderwijs- en Informatiewetenschappen Auteurs van de
papers: R. Rymenans Universiteit
Antwerpen, Instituut voor Onderwijs- en Informatiewetenschappen H. van den Bergh Universiteit Utrecht, UiL OTS S. De Maeyer Universiteit Antwerpen, Instituut voor Onderwijs- en Informatiewetenschappen Discussiant: H. Luyten Universiteit Twente, Afdeling Onderwijsorganisatie en -management Synopsis Onderzoek naar schooleffectiviteit
gaat, zoals elk onderzoek, gepaard met een hele reeks keuzes die gemaakt
moeten worden. Het zijn deze keuzes die het onderwerp uitmaken van dit
symposium. We gaan na aan welke methodologische vereisten
schooleffectiviteitsonderzoek moet voldoen om aan de hand van de bevindingen
generaliseerbare uitspraken te kunnen doen over kenmerken van effectieve
scholen. Vanuit drie verschillende invalshoeken wordt gereflecteerd over de
methodologische keuzes in effectiviteitsonderzoek en hun gevolgen voor de
resultaten. De eerste bijdrage zoomt in op de keuze van de afhankelijke
variabelen. Bijdrage 2 staat stil bij de wijze waarop longitudinale data in
schooleffectiviteitsonderzoek het best gemodelleerd worden. De derde bijdrage
behandelt de veronderstelde relaties tussen schoolkenmerken en
leerlingprestaties en de invloed daarvan op de bevindingen. |
div 07/4/165sy
Divisie 7: Methodologie en Evaluatie
Timeslot 3 – Parallelsessie 8
Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u
Í
Drie paperpresentaties:
1.
Validiteit van leerlingpercepties van hun leeromgeving
2. Een kwestie van volgorde: De scoring van ordeningsvragen
Í
|
Validiteit
van leerlingpercepties van hun leeromgeving P. den Brok en M. Brekelmans IVLOS, Universiteit Utrecht T. Wubbels Instituut voor Pedagogiek en Onderwijskunde,
Universiteit Utrecht Synopsis In onderzoek naar de percepties van leerlingen van hun leeromgeving krijgt men te maken met een meerniveau-situatie (leerling, klas, docent, school). Deze meerniveau-situatie heeft consequenties voor de wijze waarop variabelen geconceptualiseerd kunnen worden (gericht op individuele leerlingen of op de hele groep), op de operationalisatie van variabelen (gaat men uit van individuele of klaspercepties) en op de analyse van gegevens (gebruikt men traditionele analyses of meerniveau analyses). In dit onderzoek bestuderen we de percepties van leerlingen van het interpersoonlijk gedrag van hun docenten. Dit gedrag kan beschreven worden met een circumplex model waarin twee dimensies centraal staan, namelijk invloed en nabijheid. Leerlingpercepties werden geoperationaliseerd met behulp van de Vragenlijst Interpersoonlijk Leraarsgedrag. De validiteit van de leerlingpercepties is vastgesteld met behulp van zowel traditionele als meerniveau structurele modelanalyses. Uit de resultaten blijkt dat een meerniveau-analyse noodzakelijk is om modelfit aan te kunnen tonen. |
div 07/5/55pa
Í
|
Een kwestie van volgorde: De scoring van
ordeningsvragen T. Eggen en T. Lampe Cito Synopsis Ordeningsvragen zijn vragen, waarbij kandidaten
een aantal objecten in een bepaalde volgorde moeten zetten. Deze volgorde kan
gebaseerd zijn op verschillende ordeningsprincipes, zoals bijvoorbeeld
chronologisch. Ordeningsvragen is een van de vraagtypen die door de
eenvoudige toepassing ervan in computertoetsen aan populariteit wint.
Onderzocht is welke verschillende methoden voor de scoring van de
antwoordpatronen op ordeningsvragen er zijn en welke methode de hoogste
betrouwbaarheid geeft. Een vijftal verschillende scoringsmethoden zijn gespecificeerd en
onderzocht. Vier polytome en de dichotome scoringsmethode. Bij verschillende
verdelingen van kennisniveaus in de populatie geeft een van onderzochte
polytome scoringsmethodes steeds de hoogste betrouwbaarheid. |
div 07/5/162pa
Divisie 8: Onderwijs en Samenleving
Timeslot 3 – Parallelsessie 9
Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Tien voor
wiskunde?: Op zoek naar
succesfactoren voor wiskundeprestaties in
Vlaanderen en Nederland Voorzitter: J. Van Damme K.U.Leuven, Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –Evaluatie K. Tj. Bos Inspectie Onderwijs, Zwolle Auteurs van de
papers: M.-C. Opdenakker, A. van den Broeck en J. Van Damme
K.U.Leuven, Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –Evaluatie B.G. Doornekamp
Universiteit Twente, Fac. Gedragswetenschappen A. van den Broeck en J. Van Damme K.U.Leuven, Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –Evaluatie M.R.M. Meelissen
Universiteit
Twente, Fac. Gedragswetenschappen Discussiant: K. Tj. Bos Inspectie Onderwijs, Zwolle J. Van Damme K.U.Leuven, Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –Evaluatie Synopsis Vlaamse en Nederlandse
leerlingen zijn goed in wiskunde. Zo goed zelfs dat beide landen in de
internationale top tien staan van de best presterende landen. Dezelfde
leerlingen vinden wiskunde echter niet erg interessant en weinig relevant.
Daarom staat Vlaanderen laag en Nederland zelfs helemaal onderaan op de
internationale ranglijst voor de waardering van wiskunde. Dit blijkt uit
TIMSS-2003 (Trends in International
Mathematics and Science Study); een internationaal vergelijkend
onderzoek waarin wereldwijd 10- en 14-jarige leerlingen getoetst zijn op
hun kennis van de exacte vakken. Verder verzamelt TIMSS informatie over de
getoetste leerlingen, leraren, scholen en de dagelijkse onderwijspraktijk.
In dit symposium wordt bediscussieerd in hoeverre school-, klas- en
leerlingkenmerken—en in het bijzonder wiskundeattitude—bijdragen tot
het succes van het Vlaamse en Nederlandse wiskundeonderwijs. |
div 08/5/87sy
Divisie 10: Vakdidactiek
Timeslot 3 – Parallelsessie 10
Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Historische kennis en het contextualiseren
van historische verschijnselen: een expert-novietenstudie
2. Onterecht proportioneel redeneren:
Een literatuuronderzoek vanuit een conceptueel
perspectief
3. Natie als (de)constructie in
onderwijs en lerarenopleiding
Í
|
Historische
kennis en het contextualiseren van historische verschijnselen: een
expert-novietenstudie C. van Boxtel Universiteit van Amsterdam, Instituut voor de Lerarenopleiding J. van Drie Universiteit Utrecht, Onderwijskunde Synopsis Een historisch of hedendaags
verschijnsel in een historische context kunnen plaatsen is een belangrijke
leeropbrengst van het geschiedenisonderwijs. Er is echter nog weinig bekend
over hoe leerlingen een historische context opbouwen en welke historische
kennis en kennisstructuren het contextualiseren faciliteren dan wel
belemmeren. In een expert-novieten studie is onderzocht welke historische
kennis en kennisstructuren gebruikt worden bij het contextualiseren. Aan het
onderzoek namen tien leerlingen van 3 vmbo (novices), tien leerlingen van 5
vwo (intermediates) en zes geschiedenisleraren (experts) deel. Zij werkten aan een drie
contextualiseringstaken. De deelnemers werkten samen in tweetallen en moesten
op basis van hun voorkennis beredeneren met welke historische ontwikkeling en
periode een aantal voorgelegde bronnen te maken had. De verschillen tussen
experts en novieten zijn met behulp van de onderscheiden categorieën
kwantitatief en kwalitatief beschreven. Uit de analyses blijkt dat experts en
beginners van elkaar verschillen in de soort historische kennis die gebruikt
wordt bij het opbouwen van een historische context. De kennisstructuren die
experts gebruiken zijn uitgebreider, gedetailleerder en coherenter, zijn in
sterkere mate multidimensionaal en bevatten meer causale relaties. Novieten
maken gebruik van een eenvoudig chronologisch referentiekader en gebruiken
daarnaast ook een 'vooruitgangsschema': het verloop van de geschiedenis
opgevat als vooruitgang. |
div 10/2/58pa
Í
|
Onterecht proportioneel redeneren: Een literatuuronderzoek vanuit een conceptueel
perspectief D. De Bock 1 2,
W. Van Dooren 1 3, D. Janssens 4 en L.
Verschaffel 1 1 Centrum voor
Instructiepsychologie en –Technologie (CIP&T), K.U.Leuven,
2 EHSAL – Europese
Hogeschool Brussel en 3Aspirant van het Fonds
voor Wetenschappelijk Onderzoek (F.W.O.) – Vlaanderen 4 Departement Wiskunde,
K.U.Leuven Synopsis We onderwerpen
de verschillende uitingen van “onterecht proportioneel redeneren” door
leerlingen aan een conceptuele analyse met als doel een beter begrip te
krijgen van de universaliteit en diversiteit van dit fenomeen. Voor elke
uiting gaan we na welke eigenschappen van proportionele relaties onterecht
aangewend worden en geven we een bondig overzicht van de empirische
kennisbasis betreffende de gemaakte fout. We analyseren ook de psychologische
en onderwijskundige elementen die verantwoordelijk lijken voor het ontstaan
en het voortbestaan van dit fenomeen. We tonen aan dat de belangrijkste
verklaringselementen te vinden zijn in (1) het sterk intuïtieve karakter van
lineaire modellen en hun bruikbaarheid in het dagelijkse leven, (2) enkele
praktijken in het (wiskunde)onderwijs en (3) elementen die gerelateerd zijn
aan de specifieke wiskundige of wetenschappelijke context waarin de
proportionele fout zich voordoet. |
div 10/2/213pa
Í
|
Natie als
(de)constructie in onderwijs en lerarenopleiding A. Mottart, R. Soetaert & I. Verdoodt Universiteit Gent - Vakgroep Onderwijskunde Synopsis Vandaag
stellen we vast dat concepten als nationale identiteit en nationale cultuur
geproblematiseerd worden in de openbaarheid en in de wetenschappelijke
literatuur. Deze ontwikkkelingen zijn bijzonder betekenisvol voor het
onderwijs. Immers, het tradionele onderwijs in het Westen sluit aan bij de
19de eeuwse invulling en missie van natievorming en is daardoor van oudsher
sterk gericht op de 'vaderlandse' geschiedenis en op sterk nationaal
geïnspireerde historische en literaire overzichten - de canon. Vanaf de jaren
zestig in de vorige eeuw kwamen aanzetten tot correcties op die canon vanuit
disciplines als gender studies, cultural studies, new historicism... Tot
vandaag zijn fricties voelbaar binnen het curriculum tussen die correcties en
de tradionele invulling van de canon. Voor leraren - en dat is niet anders voor
leraren-in-opeiding - zorgen die voor een bron van spanning die hun
functioneren onder druk zet of op zijn minst complexer maakt. We
presenteren u een kwalitatief onderzoek waarin wij de (de)constructie van de
nationale cultuur als inhoud van het curriculum in het onderwijs in vraag stellen.
Meer specifiek spitst onze onderzoeksvraag zich toe op het curriculum van de
Academische Initiële Lerarenopleiding (leraren talen, geschiedenis, kunst). |
div 10/2/216pa
Divisie 11: Gender en onderwijsonderzoek
Timeslot 3 – Parallelsessie 11
Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u
Í
Twee paperpresentaties:
1. Doen ‘echte kerels’ er wel toe?:
Effecten van het geslacht van leerkrachten op de prestaties, de houding en het gedrag
van leerlingen
2. Feminisering
van het docentenberoep (1945-2000):
Mythe
versus historische empirie
Í
|
Doen
‘echte kerels’ er wel toe? Effecten
van het geslacht van leerkrachten op de prestaties, de houding en het gedrag
van leerlingen G. Driessen ITS - Radboud Universiteit Nijmegen Synopsis Het aantal vrouwelijke leerkrachten op basisscholen
neemt gestaag toe. Het idee leeft dat door deze feminisering van het onderwijs
jongens mannelijke rolmodellen moeten missen. Daardoor zouden jongens het in
het onderwijs slechter zijn gaan doen dan meisjes. Of dat ook werkelijk zo
is, is echter onbekend. Met behulp van gegevens uit het PRIMA-cohortonderzoek
is nagegaan in hoeverre er effecten zijn van het geslacht van de
leerkrachten. Op de eerste plaats bleek dat vrouwelijke leerkrachten
nauwelijks verschilden van hun mannelijke collega’s wat betreft hun
achtergronden, werkomstandigheden en werkwijze. Op de tweede plaats verschilden
de prestaties van jongens en meisjes niet significant. Wel scoorden meisjes
wat hoger op welbevinden, werkhouding en sociaal gedrag. Op de derde plaats
konden er geen effecten worden aangetoond van het geslacht van de
leerkrachten op de prestaties, houdingen en gedrag van de leerlingen. Meer
mannen voor de klas leidt niet tot betere prestaties en gunstiger gedrag bij
jongens (en ook niet bij meisjes). |
div 11/3/48pa
Í
|
Feminisering van het docentenberoep (1945-2000): Mythe versus historische empirie M.
van Essen en G. Timmerman Rijksuniversiteit
Groningen, afdeling Pedagogiek en Genderstudies Synopsis Het onderwijs feminiseert,
dat wil zeggen het aandeel vrouwen voor de klas neemt disproportioneel toe,
ook in het voortgezet onderwijs. Aan deze ontwikkeling worden tenminste twee
negatieve gevolgen toegeschreven, die elkaar versterken. *) Feminisering leidt tot statusverlaging van het beroep
(de zogenaamde Wet van Sullerot). *) Feminisering leidt tot
beroepsinhoudelijke veranderingen zoals een ander didactisch-pedagogisch
concept. In dit didactisch-pedagogisch concept staat de leerling centraal (in
plaats van de lesstof), gaat het minder om kennis(overdracht) dan om
vaardigheden en is samenwerking belangrijker dan prestatie en competitie. Dit
zou deprofessionalisering van het lerarenberoep in de hand werken, wat
dan weer nadeling is voor de status. Zo ontstaat een spiraal naar omlaag. Het
paper zal laten zien dat hierbij sprake is van mythevorming die niet bestand
is tegen de historische empirie |
div 11/3/91pa
Divisie 12: Onderzoeksinstrumenten en
meten
Timeslot 3 – Parallelsessie 12
Dinsdag 31 mei van 12.30 tot 14.15u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Een typologie van sociale en cognitieve competenties
2. Praktische vaardigheidstoetsen voor eindtermen
wereldoriëntatie (domein natuur) uit het Vlaamse basisonderwijs
3. De Niet Schoolse Cognitieve
Capaciteiten Test (NSCCT)
Í
|
Een typologie van sociale en cognitieve competenties A. Claassen en L. Mulder ITS
Radboud Universiteit Synopsis Bij het PRIMA-cohortonderzoek was de aandacht tot
dusver vooral gericht op het vaststellen van leerachterstanden bij de
autochtone en allochtone achterstandsleerlingen. Sociale
competenties van leerlingen hebben
minder aandacht gekregen, hoewel de data daarover wel relevante informatie
bevatten. Door de toegenomen aandacht – met name ook bij beleidsmakers – voor
sociale competenties van leerlingen is het relevant deze gegevens geschikt te
maken voor toekomstig beleidsgericht onderzoek. In dit paper wordt een
typologie voorgesteld met behulp waarvan beschreven kan worden hoe sociale en
cognitieve competenties bij afzonderlijke leerlingen in onderlinge combinatie
voorkomen. Dat maakt het onder meer
mogelijk om in het kader van
beleidsgericht onderzoek leerlingen te identificeren bij wie
cognitieve en sociale competenties niet parallel lopen. |
div 12/1/97pa
Í
|
Praktische
vaardigheidstoetsen voor eindtermen wereldoriëntatie (domein natuur) uit het
Vlaamse basisonderwijs M. Van Hulle, R. Janssen en C. Vanderschaeve Leuvens Instituut Voor Onderwijsonderzoek,
Katholieke Universiteit Leuven M. Crauwels Academische Lerarenopleiding Biologie, Katholieke
Universiteit Leuven may.vanhulle@ped.kuleuven.ac.be Synopsis Binnen
het Vlaamse basisonderwijs kunnen een aantal eindtermen over het domein natuur
binnen het vak wereldoriëntatie op basis van een inhoudsanalyse onder de
noemer onderzoeks-vaardigheden geplaatst worden. Een peiling naar de
beheersing van deze eindtermen lijkt het meest gebaat met praktische
vaardigheidstoetsen. Praktische
opdrachten kunnen op een redelijk betrouwbare manier leerlingverschillen in
kaart brengen. Uit factoranalyses blijkt dat deze praktische opdrachten meer
een beroep doen op taalvaardigheid dan wiskundig denken. Ze vormen dus geen
eigen aparte vaardigheidsdimensie. |
div 12/1/136pa
Í
|
De Niet
Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test (NSCCT) Th.A.van Batenburg en M.P.C. van der Werf GION/Rijksuniversiteit Groningen Synopsis De Niet Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test (NSCCT) is een
klassieke algemene intelligentie tests die verbale-, numerieke- en
ruimtelijke items bevat voor groep 4, 6, en 8 van de basisschool. Door zijn
klassikale afname en korte afnameduur van een uur is de test geschikt om in
de schoolpraktijk te gebruiken. De NSCCT is bedoeld om leerkrachten op de
basisscholen objectieve “second opinion” te geven over de niet-schoolse
capaciteiten van hun leerlingen. Leraren willen weten hoe goed hun leerlingen
op en buiten de school om kunnen leren. Daarmee kunnen ze leerlingen opsporen
die onder hun niveau presteren en daar iets aan doen. In groep 8 kan de test
tevens worden gebruikt bij het schooladvies. De NSCCT is onlangs genormeerd
en op zijn psychometrische kwaliteiten onderzocht. De test is door het Cotan
op alle kriteria voldoende tot goed beoordeeld. De resultaten van het
psychometrische onderzoek naar de betrouwbaarheid en prediktieve validiteit
en de test zelf worden op de ORD gepresenteerd. |
div 12/1/204pa
Divisie 2: Beleid en
Organisatie in het Onderwijs
Timeslot 4 – Parallelsessie 1
Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u
Í
Vier paperpresentaties:
1. De evaluatie van het gebruik en de
effecten van een zelfevaluatie instrument: ZEBO
2. De invloed
van schoolleiders in het voortgezet onderwijs op de betrokkenheid en prestaties
van leerlingen
3. Het
WSNS-beleid in de praktijk
4. De
implementatie van het gelijke onderwijskansendecreet
Hoe scholen beleid in praktijk omzetten
Í
|
De
evaluatie van het gebruik en de effecten van een zelfevaluatie instrument:
ZEBO K. Schildkamp M.A. Hendriks Universiteit Twente Synopsis Scholen
zijn steeds meer zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs.
ZEBO (ZelfEvaluatie BasisOnderwijs) is een zelfevaluatie-instrument dat
basisscholen kunnen gebruiken om de kwaliteit van hun onderwijs op het niveau
van zowel de klassen als de school te evalueren en te verbeteren. In 2002 is
er aan de Universiteit Twente een onderzoek gestart naar het gebruik en de
effecten van ZEBO onder 70 Nederlandse Basisscholen. Tijdens de presentatie
op de ORD2005 zal ingegaan worden op de resultaten van dit onderzoek. Hoe
hebben scholen ZEBO gebruikt en wat zijn de effecten van het gebruik (o.a. op
de leerprestaties van leerlingen)? Waarom is het een aantal scholen wel
gelukt om de resultaten van ZEBO te gebruiken om de kwaliteit van het
onderwijs te verbeteren waar andere scholen dit niet gelukt is? Wat kan
scholen helpen om het gebruik van een zelfevaluatie-instrument zo effectief
mogelijk te maken? |
div 02/4/36pa
Í
|
De invloed van schoolleiders in het voortgezet onderwijs
op de betrokkenheid en prestaties van leerlingen G. ten Bruggencate en B.
Witziers Universiteit Twente, Faculteit
Gedragswetenschappen, afdeling Onderwijsorganisatie
en –management F. Geijsel Universiteit van Amsterdam, SCO-Kohnstamm
Instituut, Instituut voor de Lerarenopleiding (ILO) Synopsis Welke invloed hebben schoolleiders op de
onderwijsresultaten? Om uit te zoeken wat precies de effecten zijn van
onderwijskundige sturing door schoolleiders, is een grootschalig onderzoek
opgezet, waaraan door 100 scholen voor voortgezet onderwijs in Nederland werd
meegewerkt. Verondersteld wordt dat schoolleiders door gerichte activiteiten
en gedragingen een zodanige onderwijsorganisatie en –cultuur weten te
scheppen dat vervolgens de uitvoering van het onderwijs, de leerprestaties en
de schoolbeleving van leerlingen zullen verbeteren. De eerste uitkomsten van
het onderzoek wijzen erop dat er twee typen schoolleiders te onderscheiden
zijn: aan de ene kant schoolleiders die er vooral op gericht zijn om de
schoolorganisatie goed te laten draaien en aan de andere kant schoolleiders
die steeds streven naar een goede afstemming op de buitenwereld. In het voorjaar
van 2005 komen meer resultaten ter beschikking, bijvoorbeeld over de
samenhang tussen schoolleiderskenmerken en de schoolcultuur en
–organisatie. |
div 02/4/118pa
Í
|
Het WSNS-beleid in de praktijk Th.A.van Batenburg GION Rijksuniversiteit Groningen Synopsis Het “Weer Samen Naar School“-beleid wil het
aantal leerlingen in het speciale basisonderwijs (SbaO) verminderen. Wanneer
de deelnamepercentages aan het SbaO dalen komen er middelen bij het
samenwerkingsverband van scholen (SWV) vrij, die gebruikt kunnen worden voor
de opvang van zorgleerlingen in het basisonderwijs. Uiteindelijk is 3.8% van
de middelen beschikbaar voor zorgleerlingen. Het SWV is bij de verdeling
hiervan niet meer afhankelijk van het aantal leerlingen op het SbaO. Er
worden drie groepen van vijf SWV’s onderscheiden: de onsuccesvolle (stijgende
deelnamepercentages), de neutrale (stabiele deelnamepercentages) en de
succesvolle groep (dalende deelnamepercentages). Middels interviews is
onderzocht wat de verschillen zijn tussen deze drie groepen: hoe
verschillende actoren (coördinator, schooldirecteuren van BaO en SbaO en
interne begeleiders in het BaO) binnen het SWV denken over het WSNS-beleid en
hoe het door hen is geïmplementeerd.. WSNS is een succesvolle maatregel om de
kosten te beheersen. Het grijpt in op boven school- en klasniveau met name
door nascholing van leerkrachten en de aanstelling van interne begeleiders.
De invloed op het primaire proces van onderwijs in de klas is gering. |
div 02/4/69pa
Í
|
De
implementatie van het gelijke onderwijskansendecreet Hoe
scholen beleid in praktijk omzetten I. Buvens Ina en J.C. Verhoeven K.U.Leuven, Centrum voor Onderwijssociologie J. Vanhoof en P. Van Petegem Universiteit Antwerpen, onderzoeksgroep EduBROn Synopsis In
2002 werd in Vlaanderen het gelijke onderwijskansenbeleid (GOK) ingevoerd.
Hierdoor kregen heel wat scholen extra uren om aan gelijke onderwijskansen te
werken. De manier waarop zij concreet met die GOK-uren omgingen, konden zij
zelf invullen. Hiertoe kregen zij de nodige beleidsruimte. Daarnaast waren er
een aantal stappen die iedere GOK-school moest doorlopen. In de paper gaan we
na hoe het GOK-beleid in de scholen onthaald werd en hoe het werd
geïmplementeerd. Uit deze bespreking zullen zowel knelpunten als
succesfactoren naar voren komen, die ons in staat stellen een aantal
mogelijke beleidslijnen voor de toekomst te formuleren. |
div 02/4/207pa
Divisie 4: Hoger
Onderwijs
Timeslot 4 – Parallelsessie 2
Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u
Í
SYMPOSIUM
Í
Onderwijsvernieuwing in het Vlaamse
universitaire onderwijs
Voorzitter: W. Jochems Open Universiteit
Nederland Discussianten: N. Vercruysse Departement Onderwijs van de Ministerie Vlaamse Gemeenschap J. Lenaerts Universiteit Gent G. Eisendrath Vrije Universteit Gent J. Elen Katholieke Universiteit Leuven Synopsis
De Vlaamse Minister voor Onderwijs en Vorming
heeft het afgelopen decennium verschillende initiatieven genomen om
onderwijsvernieuwing aan de Vlaamse universiteiten te bevorderen. Daarbij is
onderwijsvernieuwing steeds meer verknoopt geworden met het onderwijsbeleid
van de instelling. Dat roept vragen op. Wie is er eigenlijk verantwoordelijk
voor universitaire onderwijsvernieuwing en hebben alle betrokkenen hun rol
goed gespeeld? Waar ligt de regie en hoe die vorm te geven? Is het effectief
om vernieuwing aan instellingsbeleid te koppelen en beklijft zo’n
vernieuwing? Heeft onderwijsresearch hierin enige rol gespeeld en hoe komt
dat? In de vorm van een paneldiscussie zullen een
vijftal deskundigen die in verschillende rollen en met uiteenlopende
verantwoordelijkheden hierbij betrokken waren, deze en ander vragen op
beknopte wijze trachten te beantwoorden en de discussie aangaan met de zaal. |
div 04/4/19sy
Divisie 5: Lerarenopleiding
en Leraarsgedrag
Timeslot 4 – Parallelsessie 3
Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u
Í
Vier paperpresentaties:
1. Het belang van de lerarenopleiding
voor de beroepsbetrokkenheid en de instroom in het lerarenberoep van de
afgestudeerden
2. Informele leeractiviteiten van
docenten op de werkplek
4. Het erkennen van verworven competenties voor nieuw en
zittend onderwijspersoneel: Een nulmeting
Í
|
Het belang
van de lerarenopleiding voor de beroepsbetrokkenheid en de instroom in het
lerarenberoep van de afgestudeerden I. Rots Vakgroep Onderwijs
Universiteit Gent Synopsis Deze studie wil inzicht geven in de relatie tussen
de lerarenopleiding en de instroom in het lerarenberoep (eerste job) van de
afgestudeerden. Voorspellende variabelen verwijzen naar de lerarenopleiding,
de integratie in het lerarenberoep en de betrokkenheid bij het lerarenberoep.
De samenhang tussen deze factoren en de eerste jobkeuze (al dan niet
lerarenberoep) wordt onderzocht. Daarnaast worden de interrelaties tussen de
voorspellende variabelen bestudeerd. De resultaten geven aan dat betrokkenheid bij het
lerarenberoep één van de belangrijkste antecedenten is van instroom in het
lerarenberoep. Verder blijkt betrokkenheid direct gerelateerd aan de mate
waarin mentoren hun rol als beoordelaar hebben opgenomen. Andere variabelen
(o.a. ondersteuning door lectoren/docenten; type lerarenopleiding) zijn
indirect gerelateerd aan betrokkenheid, hun invloed verloopt via de
doelmatigheidsbeleving en de professionele oriëntatie van de afgestudeerde. |
div 05/5/11pa
Í
|
Informele leeractiviteiten
van docenten op de werkplek A. Hoekstra, M. Brekelmans en F. Korthagen Universiteit Utrecht (UU), Instituut voor
lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Studievaardigheden (IVLOS).
afdeling: wetenschappelijk onderzoek
(WO) D. Beijaard Universiteit Leiden, Interfacultair Centrum voor
Lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Nascholing (ICLON) Synopsis In
deze paper wordt ingegaan op een onderzoek naar de informele leeractiviteiten
van ervaren middelbare school docenten binnen de context van de invoering van
de Tweede Fase. De term “informeel leren” refereert in deze studie aan “het
leren in en van de dagelijkse werkpraktijk, dat niet georganiseerd wordt door
externe actoren”. In het onderzoek worden 33 middelbare school docenten over
een periode van 14 maanden gevolgd. Alle docenten is gevraagd een digitaal
logboek in te vullen, waarin zij voor hen belangrijke leerervaringen
rapporteren. Om daarnaast ook zicht te krijgen op leerprocessen waarvan de
docenten zelf zich minder bewust zijn, worden zes van deze 33 docenten
intensief gevolgd. Gedurende een schooljaar wordt iedere zes weken een van
hun lessen op video opgenomen en zij worden na de les geïnterviewd aan de hand
van deze opname. Tijdens de paperpresentatie zullen wij onze analyse van
informele leeractiviteiten aan de hand van data illustreren. |
div 05/5/157pa
Í
Bepalen
kenmerken de kwaliteit?:
Onderzoek
naar het verband tussen de kenmerken van het onderwijspersoneel en de
kwaliteit van het onderwijsleerproces
R. Doehri-Plomp en M.
Klerks Inspectie van het
Onderwijs Synopsis Het lerarenberoep verandert snel van karakter,
niet alleen door de eisen die aan de inhoud van het beroep worden gesteld,
maar ook door degenen die het beroep vervullen. Denk hierbij aan vergrijzing
en feminisering van de beroepsgroep, en aan de verscheidenheid in
(opleidings)achtergrond. In de meeste
studies waar kenmerken van leraren centraal staan, wordt gekeken naar het
effect op het gedrag en leerprestaties van leerlingen. In deze exploratieve
studie onderzoeken wij juist of er een verband kan worden gelegd tussen de
kenmerken van het onderwijspersoneel en de kwaliteit van het
onderwijsleerproces. In de eerste deelstudie geven wij antwoord op de vraag
of er een relatie bestaat tussen de personeelssamenstelling van een school en
het oordeel van de Inspectie van het Onderwijs over de kwaliteit van de
school. In de tweede deelstudie gaat het om het verband tussen de
achtergrondkenmerken van een leraar, zoals geslacht, ervaring en bevoegdheid, en de oordelen van de inspectie
over de kwaliteit van het lesgeven. |
div 05/5/164pa
Í
|
Het
erkennen van verworven competenties voor nieuw en zittend onderwijspersoneel:
Een nulmeting A.
Klaeijsen Kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt a.klaeijsen@kenniscentrum-ba.nl
C.
van Osch Cinop Synopsis Eén van de ambities van het Nederlandse Ministerie
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is dat in 2007 opleidingsinstituten
en onderwijsinstellingen over instrumenten beschikken op basis waarvan elke
(toekomstige) beroepsbeoefenaar kan aantonen over welke competenties hij/zij
beschikt. Het erkennen van verworven competenties (EVC) van
onderwijspersoneel speelt een belangrijke rol in deze ontwikkeling. In opdracht van het Ministerie is een nulmeting verricht naar het feitelijk gebruik van EVC door lerarenopleidingen en onderwijsinstellingen anno 2005. De nulmeting laat zien wat er op EVC-gebied gebeurt en wat de positie van EVC is in de samenwerking tussen de opleidingen en onderwijsinstellingen. Deze en andere bevindingen worden in het paper gepresenteerd. |
div 05/5/199pa
Divisie 5: Lerarenopleiding
en Leraarsgedrag
Timeslot 4 – Parallelsessie 4
Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Het
analyseren en beoordelen van docentcompetenties Voorzitter: D. Beijaard ICLON, Universiteit Leiden Auteurs van de papers: M. Goes en M. van der Klink Ruud de Moor Centrum, Open
Universiteit Nederland D. Sluijsmans en T. van
GOG OTEC, Open Universiteit
Nederland M. Dreesen Ruud de Moor Centrum, Open
Universiteit Nederland & Fontys Lerarenopleiding Sittard M. Bakker en D. Beijaard ICLON, Universiteit Leiden E. Roelofs CITO-groep Arnhem M.F. van der Schaaf en
K.M. Stokking Capaciteitsgroep
Onderwijskunde, Fac. Sociale Wetenschappen, Universiteit Utrecht N. Verloop ICLON, Universiteit Leiden Discussiant: M. Brekelmans, IVLOS, Universiteit
Utrecht Synopsis De grootste verandering in de assessment van
(beginnende) docenten is de verschuiving van een test-cultuur naar een
assessment-cultuur. Een betere aansluiting tussen instructie, leren en
toetsing en een sterk toenemende aandacht voor formatieve assessment, waarbij
de nadruk ligt op het verbeteren van leerprocessen van aanstaande docenten en
minder op het ‘afrekenen’, zijn kenmerken van de nieuwe assessment-cultuur
die tevens zijn ingegeven door moderne opvattingen over het docentschap.
Daarnaast zijn assessments tegenwoordig sterk gekoppeld aan de competenties
die aan een startende docent worden gesteld. Ook dit stelt nieuwe eisen aan
de assessment. De behoefte aan meer inzicht en richtlijnen omtrent het
beoordelen van docentcompetenties blijft echter bestaan. Hoe kom je nu
bijvoorbeeld tot een goede vertaling van competenties naar beroepssituaties?
En hoe kunnen docenten demonstreren dat ze bepaalde competenties beheersen?
Cruciale vraag is vervolgens hoe je tot een gevalideerde en betrouwbare
beoordeling kunt komen van een competentie. In het voorgestelde symposium
worden drie projecten gepresenteerd die mogelijk antwoorden bieden op bovenstaande
vragen rondom de analyse en beoordeling van kritische beroepssituaties als
ook de validiteit van deze beoordeling. |
div 05/6/89sy
Divisie 6: Leren en
Instructie
Timeslot 4 – Parallelsessie 5
Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Het
gebruik van authentieke taken in de vormgeving van
onderwijs in VO en HO Voorzitter: A. Pilot IVLOS & Chemiedidactiek / Universiteit Utrecht Auteurs van de papers: S. Ramaekers IVLOS / Universiteit Utrecht A. Bulte Centrum Didactiek Wiskunde & Natuurwetenschappen
Universiteit Utrecht & Onderwijscentrum, Vrije Universiteit H. ten Berge IVLOS / Universiteit Utrecht Discussiant: J. van den Akker Universiteit Twente, Fac. Gedragswetenschappen In
toenemende mate worden in het voortgezet en hoger onderwijs levensechte
situaties en problemen gebruikt als startpunt voor het verwerven van kennis,
inzichten en competenties. Wanneer zorgvuldig geselecteerd en voor onderwijs
vormgegeven kunnen authentieke problemen krachtige leersituaties oproepen die
als uitdagend worden ervaren. Vooral afstemming van de taak (mate van
complexiteit, authenticiteit, etc) op het probleemoplossend vermogen van de
leerling c.q. student, is daarbij van belang. In dit symposium presenteren we
de eerste resultaten van drie studies in het voortgezet en hoger onderwijs
naar condities waaronder het gebruik van authentieke taken resulteert in
zinvolle en efficiënte leeractiviteiten. Daarbij zullen we ingaan op de
overeenkomsten en domeinspecifieke verschillen voor wat betreft een werkzame
vormgeving van authentieke taken en de vertaling van vraagstukken uit de
handelingspraktijk naar de onderwijspraktijk. |
div 06/4/173sy
Divisie 7: Methodologie
en Evaluatie
Timeslot 4 – Parallelsessie 6
Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u
Í
Vier paperpresentaties:
1. Het absoluut effect van onderwijs
2. Meten van Tweetaligheid in het
Nederlandstalig Onderwijs in Brussel: Methodologische aspecten van een
longitudinaal onderzoek
3. Evaluatie van elektronische leeromgevingen
(ELO’s) in de lerarenopleiding: Een ontwerp van een instrument om de aansturing
van het leerproces in ELO’s te evalueren
4. Peiling informatieverwerving en –verwerking
in de eerste graad van de A-stroom in het Vlaamse
secundair onderwijs
Í
|
Het
absoluut effect van onderwijs H. Luyten Universiteit Twente Synopsis De
bijdrage laat zien hoe multilevel-analyse gecombineerd kan worden met het regression-discontinuity
design. Met multilevel-analyse worden relative schooleffecten in kaart
gebracht (verschillen tussen scholen), terwijl regression-discontinuity het
mogelijk maakt om het absolute effect van onderwijs (wel of geen onderwijs)
te bepalen. Een combinatie van beide methoden levert een schatting op van het
absolute effect, maar ook van de mate waarin scholen in dit opzicht van
elkaar verschillen. De onderzochte data-set bevat testscores in twee
opeenvolgende leerjaren. Per leerjaar wordt het effect van leeftijd op
leerprestaties berekend. Als er sprake is van een onderwijseffect, zal een
discontinuïteit worden vastgesteld tussen de oudste leerlingen in het laagste
leerjaar en de jongste in het hoogste leerjaar. Deze discontinuïteit geeft het
effect van een jaar onderwijs weer. Behalve duidelijke effecten van onderwijs
laten de analyses ook grote verschillen tussen scholen zien. |
div 07/6/17pa
Í
|
Meten van
Tweetaligheid in het Nederlandstalig Onderwijs in Brussel: Methodologische
aspecten van een longitudinaal onderzoek A. Housen, S. Janssens, M. Pierrard & L. Van
Mensel Vrije Universiteit Brussel Synopsis In het officieel tweetalige Brussels Hoofdstedelijke Gewest bestaan er
twee parallelle onderwijsnetten, een Franstalig en een Nederlandstalig, die
onafhankelijk van elkaar functioneren. Toegang tot beide netten is vrij
ongeacht de taalachtergrond van de leerling. Vele Franstalige ouders sturen
hun kinderen naar het Nederlandstalig Onderwijs in Brussel (NoB) om op deze
manier de ontwikkeling van tweetaligheid (Frans-Nederlands) bij hun kinderen
optimaal te stimuleren. Als gevolg van deze toestroom van Franstalige
leerlingen in het NoB is er een specifieke leercontext ontstaan, die we
ongestructureerd immersieonderwijs noemen. In
een vorig cross-sectioneel onderzoek werd zowel de taalvaardigheid van
dominant Nederlandstalige en dominant Franstalige leerlingen in beide talen
onderzocht als hun attitudes en motivaties t.o.v het Frans en het Nederlands.
In deze presentatie bespreken we de resultaten van een longitudinaal
vervolgonderzoek dat de ontwikkeling van de taalvaardigheid bij Franstalige
en Nederlandstalige leerlingen over een periode van 3 opeenvolgende
schooljaren heeft bestudeerd. In het bijzonder bespreken we de ontwikkeling
van accuraatheid en complexiteit met de parameter vlotheid als covariant. Om
de verzamelde longitudinale gegevens te analyseren gebruikten we een Repeated
Measures Manova procedure. Verder besteden we aandacht aan een aantal
methodologische aspecten van dit longitudinale onderzoeksdesign en gaan we na
in welke mate het cross-sectionele onderzoek en het longitudinale onderzoek
hetzelfde beeld geven. |
div 07/6/27pa
Í
|
Evaluatie
van elektronische leeromgevingen (ELO’s) in de lerarenopleiding: Een ontwerp
van een instrument om de aansturing van het leerproces in ELO’s te evalueren Y. de Jong, I. Lam en W. Admiraal IVLOS – Expertisecentrum ICT in het Onderwijs,
Universiteit Utrecht Synopsis In
een Europees project met als doel modellen en instrumenten te ontwikkelen
voor evaluatie van e-learning is door zeven partners samengewerkt. IVLOS
heeft hierbinnen gewerkt aan een ontwerp van een instrument om het didactisch
gebruik van elektronische leeromgevingen (ELO’s) binnen de lerarenopleiding
te evalueren. Op basis van de sociaal constructivistische ideeën van Jonassen
e.a. en de functies die een docent als moderator in de ELO kan hebben
(gebaseerd op Paulsen), zijn we gekomen tot een matrix met 12 cellen. Aan de
hand van een analyse van cursussen van de IVLOS lerarenopleiding hebben we
deze matrix gevuld. Dit leidde uiteindelijk tot een observatie instrument om
het didactisch gebruik van elektronische leeromgevingen binnen de
lerarenopleiding te evalueren. Tijdens
de presentatie zullen we onze onderzoeksaanpak om tot dit instrument te komen
en het instrument zelf toelichten. Tevens doen we verslag van onze laatste
bevindingen bij het gebruik van dit instrument. |
div 07/6/68pa
Í
|
Peiling informatieverwerving en –verwerking in de eerste graad van de A-stroom in het Vlaamse
secundair onderwijs B. Luyten, R. Janssen, D. Van Nijlen en J. Van Damme Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –evaluatie
K.U. Leuven Barbara.Luyten@ped.kuleuven.ac.be
Synopsis Op
vraag van de Vlaamse overheid werd op 19 mei 2004 een peiling uitgevoerd naar
de beheersing van de eindtermen over informatieverwerving en –verwerking in
de 1ste graad van de A-stroom van het secundair onderwijs. Aan de peiling
namen 5772 tweedejaars uit 122 scholen deel. Zij maakten toetsen over het
raadplegen van (a) referentiewerken, (b) tabellen en grafieken en (c)
plannen, tekeningen en kaarten. Uit de resultaten blijkt dat meer dan
driekwart van de leerlingen op het einde van de 1ste graad in voldoende mate
referentiewerken kunnen raadplegen. Voor het raadplegen van tabellen en
grafieken en het raadplegen van plannen, tekeningen en kaarten behaalt
respectievelijk 50 en 57% van de leerlingen het minimumniveau. De prestatie-verschillen
weerspiegelen vooral verschillen op het niveau van de leerlingen zelf. De
verschillen tussen klassen en scholen zijn voornamelijk terug te brengen tot
verschillen in basisoptie. |
div 07/6/191pa
Divisie 8: Onderwijs en
Samenleving
Timeslot 4 – Parallelsessie 7
Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Doorlopende
leerlijnen voor bèta en techniek Voorzitter: D. Van Dongen Inspectie Onderwijs
Nederland Auteurs van de papers: J. Kordes en D. van Dongen Inspectie Onderwijs Nederland J. Onstenk Hogeschool InHolland/Cinop Discussiant: P. Boerman Platform Beta Techniek,
Den Haag Synopsis In het verlengde van de EU-afspraken in 2000 in Lissabon
willen de Europese lidstaten fors investeren om Europa de meest concurrerende
kenniseconomie ter wereld te laten worden, waarbij Nederland binnen de EU een
toppositie wil innemen. Daarom is in 2003 het Deltaplan bèta en techniek
(OCW, 2003) uitgebracht waarin de ministeries van OCW, EZ en SZW gezamenlijke
initiatieven aankondigen die moeten leiden tot een substantiële groei van het
aantal bèta’s en technici. In het onderwijs worden in de hele onderwijskolom
activiteiten ondernomen. Grondgedachte van het symposium is dat deze het
meest effectief zijn als er in toenemende mate doorlopende leerlijnen
ontstaan die geleidelijk van vakken of interessegebieden overgaan in reële en
aantrekkelijke beroeps- en loopbaanmogelijkheden. In het symposium wordt ingegaan
op techniek in het basisonderwijs, de bètavakken in havo/vwo en de keuzes
voor bètastudies en het herontwerp techniek in de beroepskolom vmbo/mbo/hbo. |
div 08/6/138sy
Divisie 8: Onderwijs en
Samenleving
Timeslot 4 – Parallelsessie 8
Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Nederland
en Vlaanderen: Verschillende
stelsels, vergelijkbare opbrengsten? Voorzitter: N. van den Berg Onderwijsraad, Nederland Auteurs van de papers: I. Waterreus en N. van den Berg Onderwijsraad, Nederland I. de Wolf Inspectie van het Onderwijs, Nederland R. Vanotterdijk Inspectie Onderwijs, Vlaanderen R. Bronneman-Helmers Sociaal en Cultureel Planbureau, Nederland Discussianten: J. Perquy Vlaamse Onderwijsraad R. Standaert Dienst voor Onderwijsontwikkeling, Vlaanderen /
Universiteit Gent Synopsis Ondanks
verschillen in de inrichting van het onderwijs behalen Nederland en
Vlaanderen beide goede resultaten bij internationale toetsen zoals PISA.
Stelselverschillen zijn bijvoorbeeld: Nederland geeft per student meer uit
aan hoger onderwijs, Vlaanderen meer aan voortgezet onderwijs; Nederlandse
leraren in het funderend onderwijs moeten relatief harder werken voor
hetzelfde salaris; in Nederland hebben leerlingen meer lesuren dan in
Vlaanderen; Vlaamse leerlingen hebben meer computers tot hun beschikking, hun
leraren echter minder dan hun Nederlandse collega’s. In
dit symposium worden het Nederlands en Vlaamse onderwijs vergeleken met
elkaar en met dat in andere Europese landen. Na een overall beeld wordt
ingezoomd op een belangrijk stelselverschil tussen Nederland en Vlaanderen:
het onderwijstoezicht. Vervolgens komt de betekenis van maatschappelijke
ontwikkelingen in Nederland en Europa voor de toekomst van het onderwijs aan
bod. Tot slot geven twee referenten de aftrap voor de zaaldiscussie. Wat
kunnen Nederland en Vlaanderen van elkaar leren? |
div 08/7/139sy
Divisie 8: Onderwijs en Samenleving
Timeslot 4 – Parallelsessie 9
Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Op zoek naar best practices:
Opbrengsten van Amsterdamse Voorscholen
2. Onderzoek van best practices op Amsterdamse Voorscholen
3. Gelijke monniken, gelijke kappen?
Het inspectietoezicht op scholen met veel kansarme leerlingen
Í
|
Op zoek
naar best practices: Opbrengsten
van Amsterdamse Voorscholen J. Roeleveld en A. Veen SCO-Kohnstamm Instituut, Universiteit van Anmsterdam Synopsis In dit eerste kwantitatieve deelonderzoek wordt met multi-level analyses nagegaan of er Amsterdamse Voorscholen zijn, waar goede leerlingprestaties worden behaald, vergeleken met de landelijke steekproef van het PRIMA-cohortonderzoek, waarbij gecontroleerd is voor de sociale en etnische herkomst van de leerlingen. In het onderzoek is ook nagegaan of deze Voorscholen in het algemeen beter of slechter ‘presteren’ dan landelijk. Ook kon voor een deel van de leerlingen worden nagegaan of intensieve deelname van de leerlingen aan het volledige VVE-traject vanaf de peuterspeelzaal positieve effecten heeft op de leerlingprestaties. In de volgende paper worden
uitkomsten van nader kwalitief onderzoek bij vijf op deze wijze geselecteerde
‘best pratices’ Voorscholen gepresenteerd. |
div 08/4/63pa
Í
|
Onderzoek
van best practices op Amsterdamse
Voorscholen
SCO-Kohnstamm Instituut, Universiteit van Anmsterdam Synopsis Het kwalitatieve deelonderzoek dat
we hier presenteren sluit aan op het kwantitatieve deelonderzoek,
gepresenteerd door Roeleveld en Veen eerder in deze sessie. Dit deel
resulteerde in een keuze van zes voorscholen waar leerlingen relatief goed
bleken te presteren. Het kwalitatieve deel behelst een dieptestudie naar deze
zes voorscholen. Een voorschool is een samenwerkingsverband tussen een
peuterspeelzaal en de eerste twee groepen van een basisschool, waar door een
gezamenlijk pedagogisch programma wordt geprobeerd kinderen uit anderstalige
groepen een vliegende start te geven bij intrede in het basisonderwijs. Aan
de hand van relevante criteria zijn interview- en observatiegegevens van de
zes gekozen voorscholen geanalyseerd. Conclusies zullen worden getrokken over
1) de mate waarin de voorscholen aan de verwachtingen voldoen; 2) de speciale
moeilijkheden die ze ondervinden, en 3) de goede oplossingen die op
verschillende voorscholen worden gerealiseerd. |
div 08/4/64pa
Í
|
Gelijke monniken, gelijke kappen?: Het inspectietoezicht op scholen met veel kansarme
leerlingen I. van der Veen en G. Ledoux SCO-Kohnstamm Instituut,
Universiteit van Amsterdam Synopsis In Nederland houden inspecteurs van het
onderwijs bij het uitvoeren van hun toezichtstaak zoveel mogelijk rekening
met de omgeving waarin de school staat, vanuit het besef dat de omgeving een
belangrijke factor kan zijn voor het functioneren van de school. In de
feitelijke beoordeling van de kwaliteit
van de school worden omgevingskenmerken echter slechts op één
onderdeel expliciet meegenomen: bij het oordeel over de ‘opbrengsten’
(gemiddelde leerprestaties van de leerlingen) wordt gecorrigeerd voor het
leerlingenpubliek van de school. Uit inspectierapporten blijkt echter dat scholen met veel leerlingen uit
achterstandsgroepen (kansarme leerlingen) ook een grotere kans hebben op een
negatief oordeel op andere kwaliteitsaspecten, zoals de leertijd, zorg en
begeleiding van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Vooral ‘zwarte’
scholen in de grote steden behoren relatief vaak tot de scholen die van de
inspectie het oordeel ‘zwak’ tot ‘zeer zwak’ krijgen. We gaan nader in op de
achtergronden hiervan aan de hand van een onderzoek naar de relatie tussen
schoolkwaliteit en omgevingskenmerken in Utrecht, dat is uitgevoerd in
opdracht van de inspectie. |
div 08/4/104pa
Divisie 9: ICT en
Onderwijs
Timeslot 4 – Parallelsessie 10
Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Computergebruik thuis en internetvaardigheid
in het voortgezet onderwijs
2. Elektronische discussiefora:
Netiquette versus didactische instructies
3. Self-assessment en kennisconstructie
in asynchrone discussiegroepen
Í
|
Computergebruik
thuis en internetvaardigheid in het
voortgezet onderwijs H. Kuhlemeier en B. Hemker SCO-Kohnstamm Instituut, Universiteit van Anmsterdam Synopsis Het vermoeden bestaat dat leerlingen hun digitale
vaardigheden vooral verwerven via spontaan en zelfgestuurd leren buiten de
school. Naar het effect van het computergebruik in de thuissituatie op de
digitale vaardigheden is nog weinig onderzoek gedaan. In deze presentatie
brengen wij de internetvaardigheid van leerlingen in het voortgezet onderwijs
in verband met het bezit en gebruik van de computer en internet in de
thuissituatie. Daarbij wordt ook ingegaan op verschillen tussen leerlingen
met een verschillende achtergrond. Het bezit en gebruik van de computer,
internet en e-mail in de thuissituatie blijkt een aanzienlijke bijdrage te
leveren aan de vaardigheid in het gebruik van het internet en de computer
voor school (rekening houdend met diverse achtergrondkenmerken van de
leerlingen). Bij de intrede in het voortgezet onderwijs blijken de
internetvaardigheden van leerlingen sterk uiteen te lopen. Leerlingen in de
basis- en kaderberoepsgerichte leerweg en allochtone leerlingen blijven
achter bij respectievelijk havo/vwo-leerlingen en autochtone leerlingen. Dit
geldt niet alleen voor het bezit en gebruik van het internet en de computer
in de thuissituatie, maar ook voor de vaardigheid in voor school relevante
ict-toepassingen. Van een digitale ‘gender gap’ op het gebied van de gemeten
internetvaardigheden lijkt nauwelijks sprake. |
div 09/3/10pa
Í
|
Elektronische
discussiefora: Netiquette versus didactische instructies K. Dierickx K.U.Leuven, Interfacultair centrum
voor Biomedische ethiek en recht N. Totté K.U.Leuven, Monitoraat Wetenschappen A. Deketelaere K.U.Leuven,
Dienst Onderwijs Geneeskunde H. Buelens K.U.Leuven, Dienst Universitair Onderwijs /
Informatie & CommunicatieTechnologie in het Onderwijs Herman.Buelens@duo.kuleuven.ac.be Synopsis Onderzoek
heeft aangetoond dat op elektronische discussiefora die worden voorafgegaan
door ‘didactische’ instructies meer inhoudelijke diepgang wordt gerealiseerd
dan opj discussiefora waarbij zulk een introductie ontbreekt. In
de literatuur wordt echter ook gesuggereerd dat kwaliteitsvolle discussies op
elektronische fora meer kans op slagen hebben indien de deelnemers de
‘netiquette’ regels kennen en volgen. In
deze bijdrage wordt op basis van onderzoeksgegevens beargumenteerd dat het
voorafgaandelijk aanbieden van netiquette instructies juist een inhoudelijke
diepgang op elektronische discussiefora kan belemmeren. |
div 09/3/169pa
Í
|
Self-assessment
en kennisconstructie in asynchrone discussiegroepen H. Van Keer, B. De Wever en M. Valcke Universiteit Gent, Vakgroep Onderwijskunde Synopsis Recente
leer- en instructiebenaderingen beklemtonen het belang van interactie tussen
lerenden voor het opbouwen van kennis en wijzen op de effectiviteit van
samenwerkend leren op een waaier van leeruitkomsten. Computerondersteund
samenwerkend leren (CSCL) wordt daarbij beschouwd als een veelbelovende
leeromgeving. Dergelijke werkvormen kunnen echter niet los gezien worden van
alternatieve assessmentvormen. In dit onderzoek bij 273 eerstejaarsstudenten
Pedagogische Wetenschappen focussen we in het bijzonder op self-assessment,
wat kan worden beschouwd als een manier om studenten de rol van actieve
deelnemer in hun eigen leerproces te laten opnemen. Deze studie richt zich op
twee onderzoeksvragen: (1) zijn studenten via self-assesment in staat hun
bijdragen in asynchrone discussiegroepen accuraat te evalueren; en (2) oefent
self-assessment een positieve invloed uit op het proces van kennisconstructie.
Meer bepaald wordt verondersteld dat studenten doorheen opeenvolgende
self-assessmentprocedures evolueren naar meer realistische evaluaties.
Rekening houdend met het feit dat self-assessment in de literatuur wordt
beschouwd als een manier om het leren van studenten te ondersteunen en te
bevorderen, wordt verder verondersteld dat het proces van sociale
onderhandeling en kennisconstructie positief wordt beïnvloed en bijgesteld in
opeenvolgende discussiesessies. |
div 09/3/187pa
Divisie 10: Vakdidactiek
Timeslot 4 – Parallelsessie 11
Woensdag 1 juni van 9.00 tot 10.45u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
ICT-gebruik in bètavakken Voorzitter: C.
Terlouw Universiteit
Twente, Faculteits Gedragswetenschappen, Instituut ELAN Auteurs
van de papers: N. C.
Verhoef, C. Terlouw en F. G. M. Coenders Universiteit
Twente, Faculteits Gedragswetenschappen, Instituut ELAN H. J.
Vermaat1, S. Dijkstra2, H.
Kramers-Pals1 en C. Terlouw1 1
Universiteit Twente, Faculteits Gedragswetenschappen, Instituut ELAN 2
Universiteit Twente, Fac. Gedragswetenschappen, Afd. Instructietehnologie A. B.
H. Bos1 2 en C. Terlouw1 1
Universiteit Twente, Faculteits Gedragswetenschappen, Instituut ELAN 2 Etty Hillesum, College Discussiant: M.
Goedhart Rijksuniversiteit
Groningen Synopsis Welk leerdoel in bètavakken
als scheikunde, wiskunde, en grensgebieden tussen bèta-vakken wordt het best
gediend door welke ICT-applicatie? Het gaat hierbij bijvoorbeeld om
leerdoelen als het kunnen werken met abstracte begrippen, het begrijpen van
dynamische processen en complexe interacties, en het experimenteren en
onderzoek doen met ICT-applicaties als informatiesystemen, interactieve
websites, publicatie tools, hulpmiddelen voor visualisering, simulaties, en
‘graphing tools’. De volgende vragen staan op het symposium centraal: (1)
Worden de leerdoelen van de betreffende bètavakken bereikt en wat is daarbij
de bijdrage van ICT? (2) Welke kenmerken van een bepaalde ICT-applicatie
vormen een potentiële meerwaarde en hoe kan het effect ervan worden verhoogd?
en (3) Welke factoren bevorderen dat een meerwaarde van ICT wordt
gerealiseerd in de praktijk van het onderwijs? |
div 10/3/121sy
Divisie 2: Beleid en
Organisatie in het Onderwijs
Timeslot 5 – Parallelsessie 1
Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
De effecten van school- en onderwijssysteemkenmerken op leerlingprestaties: Een analyse van de PISA dataset Voorzitter: A. Visscher Universiteit Twente,
Faculteit Gedragswetenschappen, Afdeling Onderwijsorganisatie en –management Auteurs van de
papers: A. Visscher, R.
Maslowski, B. Witziers en H. Luyten Universiteit
Twente, Faculteit Gedragswetenschappen, Afdeling
Onderwijsorganisatie en –management Discussiant: P. Van Petegem Universiteit Antwerpen Synopsis In dit symposium worden de resultaten gepresenteerd van secundaire
analyses die in opdracht van de OESO zijn uitgevoerd op de PISA-2000 dataset
(224.000 leerlingen). Daarbij worden de volgende vragen beantwoord: 1. In
hoeverre kunnen verschillen in leerlingprestaties verklaard worden door
verschillen in de kenmerken van scholen? 2. In welke mate is er in de
PISA-landen sprake van schoolautonomie binnen een viertal domeinen, en in
hoeverre hangen de eventuele verschillen samen met verschillen in
taalprestaties? 3. Verschillen private en publieke scholen qua
leerlingkenmerken, financiën en schoolklimaat, en de door hen gerealiseerde leerlingprestaties?
4. Bieden kenmerken van onderwijssystemen (qua leerlingenselectie en uitgaven
per leerling) een verklaring voor de verschillen in onderwijsopbrengsten
tussen OESO-landen? |
div 02/5/137sy
Divisie 3: Curriculum
Timeslot 5 – Parallelsessie 2
Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u
Í
SYMPOSIUM
Í
Schoolontwikkeling
door curriculumvernieuwing
Voorzitter:
W. Kuiper Universiteit Twente Auteurs van de papers: N. Nieveen, A. Handelzalts en
J. van den Akker Universiteit Twente S. Homminga Bonhoeffer College, Enschede J. Krüger, H. Hooghoff SLO, Nederland J. van den Akker en N. Nieveen Universiteit Twente W. Kuiper en J. van den Akker Universiteit Twente Discussiant:
A. Aelterman, Universiteit Gent Synopsis Het
leerplanbeleid in Nederland wordt gekenmerkt door een groeiende autonomie
voor scholen. De overheid is voornemens nieuwe landelijke leerplankaders
(kerndoelen) vast te stellen voor het basisonderwijs en de onderbouw van het
voortgezet onderwijs die minder gedetailleerd zijn uitgewerkt dan voorheen en
die bovendien nog slechts een deel van de beschikbare tijd bestrijken.
Scholen krijgen meer en meer vrijheid een eigen (vernieuwings)koers te varen
en zich inhoudelijk te profileren. De beschikbare speelruimte is tegelijk ook
begrensd. Scholen zullen immers landelijk vastgestelde kerndoelen moeten zien
te realiseren en zullen verantwoording moeten afleggen van de wijze waarop de
‘vrijheid in gebondenheid’ wordt ingevuld. Daarmee is in een notendop de
context geschetst van de vier papers die deel uitmaken van dit symposium. De
bijdragen hebben als gemeenschappelijk vertrekpunt dat duurzame en effectieve
onderwijsvernieuwing op schoolniveau onder meer een wisselwerking vereist
tussen curriculum-, docent- en schoolontwikkeling. |
div 03/4/196sy
Divisie 4: Hoger Onderwijs
Timeslot 5 – Parallelsessie 3
Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u
Í
Vier paperpresentaties:
1. Wat beïnvloedt studievoortgang in het hoger
onderwijs?:
Een survival analyse met hoger onderwijs data
2. Zelfinstructie bij trainingen
gespreksvoering in het hoger onderwijs
4. Hoe plannen tweedejaars geneeskundestudenten hun
leerproces
binnen het gespreksvaardigheidsonderwijs?
Í
|
Wat beïnvloedt studievoortgang in het hoger onderwijs?:
Een survival analyse met hoger onderwijs data M. Bruinsma & E.
Jansen UOCG Synopsis In deze paper is met behulp van een survival analyse gekeken naar de vraag wanneer de kans op uitval of voortgang in het hoger onderwijs het grootst. Ongeveer 600 eerstejaarsstudenten, verdeeld over vier opleidingen, zijn gedurende twee jaar gevolgd. Er zijn gegevens verzameld over onder andere leeftijd, sekse en studiemotivatie. De afhankelijke variabele was de tijd tot het behalen van een eerstejaarsdiploma. Uit de analyses blijkt dat 69% van de studenten hun eerstejaarsdiploma niet binnen 12 maanden heeft behaald. De analyses laten verder zien dat studenten van de tweede opleiding de grootste kans hebben om hun propedeuse diploma binnen 12 maanden te halen. Daarnaast blijken vrouwelijke studenten, jongere studenten en studenten met een hoger eindexamencijfer de grootste kans te hebben om hun diploma binnen 12 maanden te halen. |
div 04/5/60pa
Í
|
Zelfinstructie
bij trainingen gespreksvoering in het hoger onderwijs M. Pouwelse Open Universiteit Nederland Synopsis
Bij
de Open Universiteit Nederland wordt veel onderwijs uitsluitend digitaal
gegeven. Bij het aanleren van gespreksvaardigheden is face to face contact
tussen de studenten echter gewenst. Daarom is bij deze vorm van onderwijs
gekozen voor een vorm van zelfinstructie, waarbij studenten grote delen van
het practicum zonder hulp van een docent volgen. Om na te gaan of die
training even effectief is als volledig door docenten begeleide trainingen is
een quasi experimenteel experiment uitgevoerd: speciaal voor het onderzoek
werd de helft van de trainingen in 2000 en 2001 volledig begeleid door
docenten van de Open universiteit. Daaruit bleek dat de studenten uit de
zelfinstructie groepen net zo goed presteerden als de studenten in de
volledig begeleide groepen. Ook op andere kenmerken, zoals hun self-efficacy,
het vertrouwen om de gespreksvaardigheden in de toekomst succesvol toe te
passen, verschilden studenten uit beide groepen niet van elkaar. De
zelfinstructie methode is dus zeer effectief. |
div 04/5/94pa
Í
De
rol van een studieoriëntatie-activiteit in het studiekeuzeproces
van
vwo-leerlingen
M.E. Florijn, A. Blume, C. Terlouw Universiteit Twente, Faculteit Gedragswetenschappen,
Instituut ELAN Synopsis Op
welke wijze kan het hoger onderwijs een bijdrage leveren aan het
studiekeuzeproces van vwo-leerlingen? In het kader van de loopbaanoriëntatie
en begeleiding 2 (LOB2) zijn op de Universiteit Twente zogenaamde
“LOB2-modules”, ontwikkeld voor vwo-5 en -6 scholieren. Een LOB2-module
betreft een inhoudelijke en verdiepende oriëntatieactiviteit, gekoppeld aan
een specifieke opleiding. Een LOB2-module dient een goede afspiegeling te
zijn van de betreffende opleiding, opdat de leerling kennismaakt met zaken
als: vakinhoud, niveau, sfeer, tempo en beroepsveld. Uiteindelijk doel is om
de leerling aan te zetten tot het maken van een (her-) overweging in het
studiekeuzeproces. Uitgevoerd evaluatieonderzoek gaat in op de vraag òf, en
in welke mate, het volgen van een LOB2-module daadwerkelijk een bijdrage
levert aan het studiekeuzeproces. |
div 04/5/159pa
Í
|
Hoe plannen tweedejaars geneeskundestudenten hun
leerproces binnen het gespreksvaardigheidsonderwijs? J.M.M. van de Ridder & F.J.M. Grosfeld Onderwijsinstituut Universitair Medisch Centrum
Utrecht Synopsis Constructivisitsch
onderwijs heeft gevolgen voor de rollen van de docent en de student. De
docent is vaak een facilitator van het leerproces. De docent steunt en stuurt
de student, zodat die steeds meer de verantwoordelijkheid voor de eigen
ontwikkeling en het leerproces overneemt. Wanneer de docent zicht heeft op de
leerprocessen van de student kan de mate van sturing en steun daarop worden
afgestemd. Binnen het gespreksvaardigheidsonderwijs van de opleiding
Geneeskunde is onderzocht hoe studenten (n=281) hun leerproces plannen: hoe
bepalen studenten leerdoelen, welke leerstappen formuleren ze om die
leerdoelen te bereiken, en in hoeverre spelen de resultaten van de
gespreksvaardigheidstoets uit het voorgaande jaar hierbij een rol. De
discussie is gericht op de informatie die de docent uit deze resultaten kan
afleiden om de studenten steun en sturing te bieden. |
div 04/5/171pa
Divisie 4: Hoger Onderwijs
Timeslot 5 – Parallelsessie 4
Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u
Í
Vier paperpresentaties:
1. De meerwaarde van het leerportfolio
als professioneel gericht eindwerk voor de ‘Bachelor in onderwijs’
2. De effecten van de evaluatie-ervaring
op de percepties van studenten betreffende assessment
3. Peer assessment bij
schrijfopdrachten:
Interacties tussen studenten in het
universitaire onderwijs
4. Beoordeling
in competentiegericht onderwijs:
Een praktische toepassing in het hoger
onderwijs
Í
|
De
meerwaarde van het leerportfolio als professioneel gericht eindwerk voor de
‘Bachelor in onderwijs’ W. Meeus en L. Van Looy Vrije Universiteit
Brussel, Lerarenopleiding P. Van Petegem Universiteit Antwerpen,
Lerarenopleiding Synopsis In vele bacheloropleidingen wordt er van de
studenten en eindwerk gevraagd dat dikwijls een surrogaat is van de thesis of
meesterproef in aanverwante masteropleidingen. Uitgangspunt van het onderzoek
is dat er voor de professionele bachelors nood is aan een eindwerkmodel dat
beter aansluit bij de finaliteit van deze opleidingen. Voor de
lerarenopleidingen in de hogescholen werd een leerportfolio ontwikkeld als
professioneel gericht eindwerkmodel. In het leerportfolio werken de studenten aan een
persoonlijk leerpunt als leraar en worden zij beoordeeld op hun
zelfstandigheid, planningsvaardigheden en reflectievermogen. Met het
evaluatief onderzoek gaan we de eventuele meerwaarde na van het leerportfolio
tegenover het gangbare eindwerkmodel, met name de literatuurstudie met
praktische verwerking. We onderzoeken zowel het leerrendement bij de
studenten als de voldoening bij de studenten en de promotoren. |
div 04/6/25pa
Í
|
De
effecten van de evaluatie-ervaring op de percepties van studenten betreffende
assessment K. Struyven, F. Dochy en S. Janssens Centrum voor Opleidingsdidactiek, KULeuven Katrien.struyven@ped.kuleuven.ac.be
Synopsis Onbekende
evaluatievormen zijn vaak onbeminde methodes. Wanneer echter de ervaring van
studenten met een bepaalde evaluatievorm toeneemt, nemen deze negatieve
gevoelens vaak af (Van den berg & Vandenberghe, 1999). Dat was ook de
redenering die vooropgesteld werd bij de uitwerking van het onderzoek. Via
een pretest/posttest design werd nagegaan of de verwachting van en nadien de
ervaring met een bepaalde evaluatievorm effecten had op de percepties van
studenten, meer bepaald de voorkeuren die studenten hebben ten aanzien van
evaluatie. Vier evaluatievormen werden vergeleken, met name de
meerkeuzetoets, het casusgebaseerde examen, peer/coöperatieve assessment en
portfolio assessment. De resultaten tonen aan dat de vier evaluatievormen in
dit onderzoek, hoewel in verschillende mate,
alle vier profiteerden van de ervaring door studenten. D.w.z
aanvankelijk stonden studenten inderdaad niet positief tegenover de
verwachte, nog onbekende, evaluatievorm. Naargelang de ervaring toeneemt en
na de concrete ervaring van het examen, veranderen de voorkeuren van
studenten voor die evaluatievorm significant. Een voorwaarde is echter dat de
ervaringen positief van aard zijn en dat bijgevolg de geschiktheid van de
evaluatievorm congruent is met de percepties van de studenten. |
div 04/6/52pa
Í
|
Peer
assessment bij schrijfopdrachten: Interacties
tussen studenten in het universitaire onderwijs I. van den Berg, W. Admiraal en A. Pilot Interfacultair Instituut voor Lerarenopleiding,
Onderwijsontwikkeling en Studievaardigheden, (IVLOS), Universiteit Utrecht Synopsis De
effectiviteit van peer assessment staat of valt met de kwaliteit van de
feedback die de studenten elkaar geven. Niet alleen de aard van de feedback
is hierbij van belang, maar ook de manier waarop deze wordt overgebracht. Op
basis van Lockhart & Ng (1995) worden leerzame en minder leerzame
interactiepatronen onderscheiden bij het geven van mondelinge peer feedback op
schrijfproducten. In het onderhavige onderzoek, uitgevoerd in de context van
universitair schrijfonderwijs, zijn de interactiepatronen van studenten die
elkaar van feedback voorzien in kaart gebracht. Onderzocht is in hoeverre
deze interactiepatronen gerelateerd zijn aan het gebruikte onderwijsontwerp
van peer assessment. Op basis hiervan worden uitspraken geformuleerd over een
optimaal ontwerp van peer assessment in het universitaire (schrijf)onderwijs. |
div 04/6/85pa
Í
|
Beoordeling
in competentiegericht onderwijs: Een
praktische toepassing in het hoger onderwijs E. R. van den Elsen, H.J.A. Biemans, R. Wesselink en
M. Mulder Wageningen UR, Leerstoelgroep Educatie en
Competentie Studies Synopsis Het
wordt steeds duidelijker: nieuwe vormen van leren, vragen ook om andere
manieren van waarderen en beoordelen van deelnemers in het hoger onderwijs.
In deze bijdrage worden de beoordelingsarrangementen van twee opleidingsvarianten
in het Hoger Agrarisch Onderwijs onder de loep genomen. Deze arrangementen
worden geëvalueerd aan de hand van indicatoren van competentiegerichte
beoordeling, die uit theoretische studie en uit expertconsultatie verkregen
zijn. Besproken wordt met welke specifieke knelpunten, de instellingen bij de
ontwikkeling en implementatie van competentiegerichte
beoordelingsarrangementen te maken kregen. Tevens wordt stilgestaan bij de
wijze waarop de deelnemende instellingen werken aan de optimalisering van de
beoordelingssituatie op hun opleiding. Thema’s
die besproken worden zijn onder andere: het ontwikkelen van proeven van
bekwaamheid, het realiseren van een individuele leerweg, peerassessment en
het geïntegreerd beoordelen van kennis, vaardigheden en gedrag. |
div 04/6/180pa
Divisie 5: Lerarenopleiding en
Leraarsgedrag
Timeslot 5 – Parallelsessie 5
Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u
Í
Vier paperpresentaties:
1. Praktijkkennis van ervaren docenten
op zwarte scholen
in het voortgezet onderwijs
2. De morele aspecten van
opleidingspraktijken van lerarenopleiders
3. Op weg naar een krachtige leeromgeving?
Ervaringen en wensen van docenten met de Tweede Fase
4. Geïntegreerd
pedagogisch handelen in de klas
Í
|
Praktijkkennis
van ervaren docenten op zwarte scholen in het
voortgezet onderwijs P. den Brok IVLOS, Universiteit Utrecht & Hogeschool van Utrecht M. Hajer en J. Patist Hogeschool van Utrecht Synopsis Steeds meer scholen in Nederland en elders in Europa krijgen te maken met een grotere culturele diversiteit van hun leerlingenpopulatie. De verkleuring van scholen leidt niet zelden tot problemen voor docenten en schoolleiding, en kan in uitzonderlijke gevallen leiden tot sluiting van de school. In dit onderzoek wordt de praktijkkennis bestudeerd van docenten (en schoolleiders) van twee scholen voor voortgezet onderwijs die recentelijk hun deuren moesten sluiten als gevolg van deze veranderingsprocessen. Via een delphi-onderzoek werden de bevindingen uit interviews met enkele sleutelfiguren uit de scholen voorgelegd aan een bredere groep docenten middels een semi-gestructureerde vragenlijst. De uitkomsten van het onderzoek laten zien dat er op de beide scholen een uitgebreide praktijkkennis onder docenten bestaat. Docenten waren het opvallend eens over problemen en effectieve strategieën om met die problemen om te gaan. De gerapporteerde kennis had betrekking op diverse terreinen, zoals didactiek, pedagogisch klimaat en omgang met ouders en omgeving. Tenslotte bleek er een grote samenhang te bestaan in de praktijkkennis van docenten over deze terreinen heen. Een belangrijk concept daarbij bleek contact (tussen leerlingen, tussen docent en leerlingen, tussen docent en schoolleiding, etc.). De resultaten van het onderzoek zijn bruikbaar in de professionele ontwikkeling van docenten (in opleiding) en de advisering van scholen die zich in vergelijkbare processen van verandering bevinden. |
div 05/7/50pa
Í
|
De morele
aspecten van opleidingspraktijken van lerarenopleiders M. Willemse, M. Lunenberg en J. Beishuizen Onderwijscentrum VU Fred Korthagen IVLOS UU Synopsis Hoewel
de toenemende maatschappelijke en wetenschappelijke aandacht voor het morele
in het onderwijs ook betrekking heeft op de wijze waarop lerarenopleiders
aanstaande leraren voorbereiden op de pedagogische aspecten van hun beroep,
blijkt hier nog weinig onderzoek naar gedaan te zijn. In deze
paperpresentatie rapporteren we over een studie naar de morele aspecten van
praktijken van lerarenopleiders. We hebben 54 lerarenopleiders gevraagd om de
waarden te benoemen die zij belangrijk vinden bij de voorbereiding van
aanstaande leraren op de pedagogische aspecten van het leraarschap. Tevens
hebben negen lerarenopleiders in een vervolgtraject gereflecteerd op de wijze
waarop zij hun waarde in hun opleidingspraktijk vormgeven. Tenslotte hebben
we bij deze negen opleiders video-opnames gemaakt van een bijeenkomst met
studenten. De resultaten uit deze studie lijken uit te wijzen dat de
voorbereiding van aanstaande leraren op het pedagogische veelal een
individuele aangelegenheid van opleiders is waarbij de persoon van de
opleider een belangrijke rol speelt.
Tevens lijken de opleiders te worstelen met het vinden van een goede morele
taal om hun praktijken te beschrijven. |
div 05/7/65pa
Í
|
Op weg naar een krachtige leeromgeving? Ervaringen en wensen van docenten met de Tweede Fase K.D. Könings, S.
Brand-Gruwel en J.J.G. van Merriënboer Open Universiteit Nederland,
Onderwijstechnologisch Expertisecentrum Synopsis De implementatie van onderwijsvernieuwingen zoals
de Tweede Fase ligt in handen van docenten. Hun ervaringen hebben directe
invloed op de vormgeving van het onderwijs. In deze studie zijn de ervaringen
van docenten, hun wensen en hun (on)tevredenheid gemeten, als ook hun
doceerstijl. Uit de resultaten blijkt dat docenten het onderwijs in de Tweede
Fase grotendeels als een krachtige leeromgeving ervaren. Ze vinden bijna alle
gemeten aspecten ook wenselijk in het onderwijs, m.u.v. differentiatie en
productief leren. Docenten zijn het meest ontevreden op de schalen boeiende
leerstof, interactie, integratie en zelfstandig leren. Ze wensen dit meer in
het onderwijs dan ze ervaren. Verder blijkt dat de doceerstijl ‘conceptuele
verandering/leerling gericht’ bijdraagt aan hoge ervaringscores en
wensscores. De doceerstijl ‘informatie transmissie/docent gericht’ draagt bij
aan lage ervaringscores en wensscores. Tijdens de presentatie wordt ingegaan
op mogelijke verklaringen en implicaties. |
div 05/7/99pa
Í
|
Geïntegreerd
pedagogisch handelen in de klas H. Thijssen en J. Onstenk Hogeschool INHOLLAND, Haarlem/Alkmaar Synopsis Het
lectoraat ‘Geïntegreerd Pedagogisch Handelen in de grootstedelijke
samenleving’ aan Hogeschool INHOLLAND voert onderzoek uit naar de kwaliteit
van het directe pedagogisch handelen van de leerkracht in de klas. Het
onderzoek is gericht op wat de leerkracht in zijn eigen communicatieve en
pedagogische handelen kan veranderen zodat hij of zij meer ruimte geeft aan
eigen-aardigheden (talenten, problemen) van leerlingen en het hen zo
gemakkelijker maakt om binnen de onderwijssetting te functioneren. Er staan
twee onderzoeksvragen centraal. Ten eerste de vraag welke pedagogische,
didactische en organisatorische competenties van de leerkracht bijdragen tot
een veilig en uitdagend leerklimaat. Ten tweede de vraag of en hoe het
mogelijk is om het pedagogisch handelen van leerkrachten te veranderen? Het
onderzoek loopt van september 2004 tot september 2006. Het paper presenteert
de probleemanalyse, het theoretisch kader en de analyse-instrumenten. |
div 05/7/151pa
Divisie 5: Lerarenopleiding en
Leraarsgedrag
Timeslot 5 – Parallelsessie 6
Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Multimedia cases: naar een betere wisselwerking
tussen theorie en praktijk in de lerarenopleiding Voorzitter: E. van den Berg Hogeschool Edith Stein, Universiteit Twente
Auteurs van de
papers:
Fontys Hogescholen E. van den Berg Universiteit Twente & Hogeschool Edith Stein / OCT A. Thijs en P. Blijleven Universiteit Twente C. Kemmeren Hogeschool Edith Stein / OCT M. Vervoort Hogeschool Edith Stein Discussiant: D. Beijaard Universiteit Leiden, ICLON Synopsis In dit symposium staat een
drietal ontwerpgerichte onderzoeken naar de inbedding van multimedia cases in
het pabo-curriculum centraal. Een multimedia-casus is te omschrijven als een
leeromgeving waarin video-opnamen van een realistische praktijksituatie
worden verdiept en verbreed met behulp van relevante theorieën die via
diverse media wordt gepresenteerd en binnen één computersysteem eenvoudig en
snel toegankelijk is. Multimediacases maken de onderwijspraktijk voor analyse
en reflectie toegankelijk en kunnen een inspiratiebron en support tool vormen
voor innovatief handelen. De verschillende fasen binnen ontwerpgericht
onderzoek worden in het symposium geïllustreerd. |
div 05/8/109sy
Divisie 6: Leren en Instructie
Timeslot 5 – Parallelsessie 7
Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u
Í
Vier paperpresentaties:
4. Onterecht proportioneel redeneren:
Een gevolg van het aanbieden van schoolse
vraagstukken?
2. Leerconcepties bij leerlingen op het
einde van het basisonderwijs
3. Veelbelovende praktijkvarianten van
adaptief onderwijs
in het regulier basisonderwijs
4. Interactief voorlezen aan peuters:
Effecten op verhaalbegrip
Í
|
Onterecht proportioneel redeneren: Een gevolg van het aanbieden van schoolse
vraagstukken? D. De Bock 1 2,
W. Van Dooren 1 3, D. Janssens 4 en L.
Verschaffel 1 1 Centrum voor
Instructiepsychologie en –Technologie (CIP&T), K.U.Leuven,
2 EHSAL – Europese
Hogeschool Brussel en 3Aspirant van het Fonds
voor Wetenschappelijk Onderzoek (F.W.O.) – Vlaanderen 4 Departement Wiskunde,
K.U.Leuven Synopsis Deze paper rapporteert over een studie waarin werd
nagegaan of de neiging van leerlingen om proportioneel te redeneren in
niet-proportionele situaties kan doorbroken worden via zogenaamde
“performance taken”. Daartoe werden tweeënzeventig 11-12-jarige
leerlingen toegewezen aan drie verschillende interviewcondities: een
vraagstukconditie (waarin een leerling een niet-proportioneel probleem diende
op te lossen dat geformuleerd was als traditioneel schoolvraagstuk), een
tekeningenconditie (waarin hetzelfde vraagstuk werd aangeboden vergezeld van
een tekening) of een “performance taken”-conditie (waarin een leerling werd
ingeleid in een reële probleemcontext met concrete materialen en gevraagd
werd om een bepaalde taak uit de voeren). De resultaten tonen aan het aanbieden van “performance taken” een
betekenisvolle positieve invloed had en bovendien een grotere variëteit aan
oplossingsstrategieën uitlokte. |
div 06/5/37pa
Í
|
Leerconcepties
bij leerlingen op het einde van het basisonderwijs P. Van Petegem, T. Dang Kim, V. Donche en E. Klatter Universiteit Antwerpen Synopsis De hier beschreven studie betreft een
replicaonderzoek over leerconcepties van jonge leerlingen in Nederland
uitgevoerd in Vlaanderen. Een leerconceptie wordt in dit onderzoek
gedefinieerd als een cluster van samenhangende opvattingen die betrekking
hebben op verschillende aspecten van leren. Drie leerconcepties worden
onderscheiden: beperkte, functionele en ontwikkelingsgerichte leerconceptie.
571 leerlingen uit het laatste jaar van het basisonderwijs participeerden aan
het onderzoek. Deze leerlingen vulden de LeerConceptieLijst
(LCL) in waarin gepeild wordt naar hun opvattingen over leren. Op basis
van de analyses uit dit onderzoek blijkt dat er voldoende aanwijzingen zijn
dat een groot gedeelte van de resultaten uit het origineel onderzoek
gerepliceerd kunnen worden. Leerlingen blijken in het laatste jaar van de
basisschool al een relatief duidelijke set van opvattingen te hebben over het
brede begrip van leren in een schoolse context. Het instrument kan bijgevolg
ook in Vlaamse basisscholen gebruikt worden om verschillen in leerconcepties
vast te stellen. |
div 06/5/79pa
Í
|
Veelbelovende
praktijkvarianten van adaptief onderwijs in het
regulier basisonderwijs M. Kooiman, J. de Jong-Heeringa en R. Hofman GION / Rijksuniversiteit Groningen Synopsis Deze
presentatie richt zich op veelbelovende praktijkvarianten van adaptief
onderwijs op basisscholen. Middels literatuuranalyse, een empirische
variant-analyse en een brede expertbenadering is geanalyseerd welke
programma’s en projecten als veelbelovende praktijkvarianten gezien kunnen
worden, waarbij gebruik is gemaakt van de beoordelingsaspecten ‘visie’,
‘doel’, ‘doelgroep’ en ‘wijze van uitvoeren’. Vervolgens is een dieptestudie
uitgevoerd op 18 basisscholen die een praktijkvariant uitvoeren. Naast
interviews met betrokkenen zijn observaties verricht van reken- en taallessen
en zijn telkens 4 leerlingen per groep geobserveerd en over een hele dag
gevolgd. Onderzocht is hoe deze praktijkvarianten van adaptief onderwijs tot
stand zijn gekomen, welke kernfactoren en actoren daarbij een centrale rol
speelden, voor welke typen leerlingen ze het meest geschikt worden geacht en
hoe succesvol ze zijn. |
div 06/5/125pa
Í
|
Interactief
voorlezen aan peuters: Effecten op verhaalbegrip S. Peters, J.Corvers & L. Verhoeven Radboud Universiteit Nijmegen - Expertisecentrum
Nederlands Synopsis Een
belangrijke strategie die leidsters tijdens het voorlezen kunnen inzetten om
de interactie met de peuters te bevorderen, is het stellen van open vragen
die de peuters uitdagen om kritisch na te denken over de personen en
gebeurtenissen in het verhaal. In dit onderzoek is onderzocht of de
voorgestelde open, uitnodigende interactiestijl daadwerkelijk een positief
effect heeft op het verhaalbegrip van de peuters. Uitgegaan werd van drie
condities: het stellen van open vragen, gesloten vragen en geen vragen. Er
werden 40 peuters geselecteerd, uit peuterspeelzalen en kinderdag-verblijven.
Het onderzoek werd uitgevoerd bij 33 kinderen in de leeftijd van 3 tot 3.5
jaar. Uit de resultaten bleek dat het stellen van open vragen geen positief
effect heeft op het verhaalbegrip van peuters. Verder bleek dat het geven van
uitleg via gesloten cues een negatief effect heeft op het verhaalbegrip van
peuters. Vaker voorlezen leidt wel tot een beter begrip van verhalen. Tijdens de presentatie zal nader in worden
gegaan op mogelijke verklaringen van de resultaten van deze studie. |
div 06/5/203pa
Divisie 8: Onderwijs en Samenleving
Timeslot 5 – Parallelsessie 8
Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u
Í
Vier paperpresentaties:
1. Emancipatie in een neoliberale maatschappij?:
Inleiding tot de studie van het progressief pedagogisch erfgoed
in Vlaanderen sinds de jaren 1960
2. Effectieve scholen in Culturele en Kunstzinnige Vorming 1
3. Schoolloopbanen gemodelleerd aan de
hand van twee recente cohorten: VOCL’89 en VOCL’93:
De belangrijkste uitkomsten en
conclusies op een rij
4. Kunnen
leerlingstatuten en schoolconvenanten bijdragen aan
veiligheid
op school?
Í
|
Emancipatie in een neoliberale maatschappij?: Inleiding tot de studie van het progressief pedagogisch erfgoed in Vlaanderen sinds de jaren 1960 T. De Coster Vakgroep pedagogiek, Universiteit Gent M. Depaepe Subfaculteit Psychologie en Pedagogische
Wetenschappen, KULAK F. Simon Vakgroep pedagogiek, Universiteit Gent Synopsis In het Vlaanderen van na de Tweede Wereldoorlog, en meer specifiek
vanaf de jaren 1970, ontwierpen een aantal pedagogen uit de praktijk ‘nieuwe
scholen’, deels uit onvrede met de bestaande samenleving (die tot de wereldoorlog
had geleid), deels als opstap naar een nieuwe, meer humane en democratische
samenleving. Hun hernieuwde populariteit in de onderwijspraktijk van de jaren
1990 staat in schril contrast met ‘back to
basics’ onderwijsanalyses, die de overlevingskansen van emancipatorische
modellen sterk in vraag stellen in de vijandige economische context. Vandaar
dat de probleemstelling van dit artikel luidt: aan de hand van
welk proces kunnen we de paradox begrijpen dat emancipatorische
opvoedingsmodellen in de onderwijspraktijk van de periode 1960-2000 in
Vlaanderen een dergelijk succes hebben gekend, daar waar hun
inspiratiebronnen en uitgangspunten, eigen aan de maatschappijkritiek van
1968, niet te verzoenen lijken met het gedachtengoed van het neoliberalisme
dat het onderwijs in de jaren 1980-1990 in de greep hield van het vrije
marktdenken? |
div 08/8/111pa
Í
|
Effectieve scholen in Culturele en Kunstzinnige Vorming 1 M.L.C.Damen Capaciteitsgroep
Sociologie / ICS Universiteit Utrecht Synopsis In deze presentatie komt aan de orde in hoeverre de schoolcontext
bijdraagt aan de verklaring van het effect van CKV1 in termen van de
culturele participatie, attitude en kennis van jongeren. Tijdens het
CKV1-Volgonderzoek zijn jongeren met en zonder CKV1 tussen 1998 en 2002
gevolgd tijdens hun schoolloopbaan en kort daarna. Vooralsnog werden geen
verschillen gevonden in culturele participatie, attitude en kennis tussen
jongeren met en zonder CKV1 na afsluiting van het vak. Met behulp van
multiniveau-analyse is nu onderzocht of er mogelijk wel schoolverschillen
zijn in het effect van CKV1. Aan de hand van informatie over het cultureel
klimaat op de scholen uit interviews met docenten en informatie van de
Nederlandse onderwijsinspectie - de zogenoemde kwaliteitskaarten - wordt het
effect van de schoolcontext van circa 3000 leerlingen afkomstig uit 71
schoollocaties nader bestudeerd. Getracht wordt om op basis van deze gegevens
succesvolle scholen en daarmee succesvolle manieren van aanpak in de
cultuureducatie aan te wijzen. Onderzocht wordt in hoeverre een toenemende
autonomie van de scholen leidt tot grotere ongelijkheden tussen leerlingen in
termen van culturele participatie. |
div 08/8/146pa
Í
|
Schoolloopbanen
gemodelleerd aan de hand van twee recente cohorten: VOCL’89 en VOCL’93: De
belangrijkste uitkomsten en conclusies op een rij P. Hustinx, H. Kuyper en G. van der Werf GION, Rijksuniversiteit Groningen Synopsis In
deze studie worden schoolloopbaanmodellen gepresenteerd aan de hand van de
twee cohorten VOCL’89 en VOCL’93 van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Specifiek zal worden ingegaan op: 1) De al maar groter wordende voorsprong
van meisjes, maar ook momenten in de loopbaan waarop hierin enige terugslag
optreedt. 2) De gunstiger loopbaan van allochtonen ten opzichte van hun
prestaties en sociale achtergrond alsmede de terugslagen aan het eind van het
VWO. 3) De verklarende rol van prestatiemotivatie voor prestaties ten
opzichte van de onderwijspositie en de na een prestatiemeting volgende
onderwijsposities 4) De verklarende waarde van intelligentie naast feitelijke
prestaties. 4) De invloed van concrete dan wel integratieve leerstrategieën
op prestaties. 5) De verhouding tussen sekseverschillen in predictoren en de
sekseverhoudingen in de uiteindelijke prestaties. |
div 08/8/188pa
Í
|
Kunnen
leerlingstatuten en schoolconvenanten bijdragen aan veiligheid
op school? M. van den Bogaard IVA Beleidsonderzoek en Advies/Minnesota State
University Moorhead maartje.vandenbogaard@planet.nl Synopsis Schoolveiligheid is een thema dat momenteel
veel aandacht krijgt in de media en binnen het ministerie. Veiligheid heeft
vooral te maken met het ervaren van veiligheid. Scholen hebben de taak om te
zorgen voor een veilig schoolklimaat waar geleerd en gewerkt kan worden.
Hiertoe staat de school een aantal middelen ter beschikking, onder andere het
leerlingstatuut en veilige schoolconvenanten. De vraag is hoe een school deze hulpmiddelen het best kan inzetten
binnen het schoolbeleid om veiligheid te borgen. In Nederland hebben we nog niet veel ervaring met de effecten van deze
hulpmiddelen op de schoolveiligheid. In deze presentatie wordt onderzocht wat
we kunnen leren van de ervaringen met deze instrumenten uit de Verenigde
Staten, de beschikbare literatuur en uit recent onderzoek van het IVA. |
div 08/8/197pa
Divisie 8: Onderwijs en Samenleving
Timeslot 5 – Parallelsessie 9
Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
SiBO:
Longitudinaal onderzoek in het basisonderwijs. De 3de kleuterklas. Voorzitter: J. Van Damme K.U.Leuven, Centrum voor
Onderwijseffectiviteit en –evaluatie Auteurs van de papers: F. Maes, J.P. Verhaeghe en
E. Gadeyne Steunpunt LOA, SiBO / K.U.Leuven, Centrum voor
Onderwijseffectiviteit en –evaluatie Frederik.maes@ped.kuleuven.ac.be P. Van Petegem Universiteit Antwerpen,
Instituut voor Onderwijs- en Informatiewetenschappen J. Van Damme en I. van
Heddegem K.U.Leuven, Centrum voor
Onderwijseffectiviteit en –evaluatie F. Laevers Expertisecentrum Ervaringsgericht Onderwijs - K.U.Leuven Discussiant: L. Mulder Radboud Universiteit
Nijmegen, ITS Synopsis Dit symposium omvat drie bijdragen die kaderen in
het SiBO-onderzoek (Schoolloopbanen in het Basisonderwijs). Dit onderzoek
volgt 6000 kinderen in 200 scholen doorheen het basisonderwijs met als
bedoeling de (verschillen in) ontwikkeling en loopbanen van kinderen te
beschrijven en te verklaren. De drie bijdragen hebben betrekking op de
loopbanen en ontwikkeling van kinderen in de 3de kleuterklas. Een
eerste algemene paper beschrijft de doelstellingen en het onderzoeksopzet van
dit grootschalig longitudinaal onderzoek. De tweede paper maakt een
vergelijking tussen de prestaties en leerwinst voor taal en rekenbegrip van
methodescholen in vergelijking met traditionele scholen en vergelijkt de
verschillende methodescholen onderling. De derde paper tenslotte gaat in op
observaties die werden uitgevoerd in de 3de kleuterklas. |
div 08/9/78sy
Divisie 8: Onderwijs en
Samenleving
Timeslot 5 – Parallelsessie 10
Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Werken aan
de zorgketen in WSNS Voorzitter: J. van der Pluijm WSNS+ Auteurs van de papers: L. Sontag IVA Beleidsonderzoek en Advies; Tilburg E. Smeets en A. van der Hoeven van Doornum ITS, Radboud Universiteit Nijmegen Discussiant: J. van der Pluijm WSNS+ Synopsis In dit symposium wordt in drie bijdragen ingegaan op
de keten van leerlingenzorg in ‘Weer Samen Naar School’ (WSNS). Het betreft
het samenspel tussen bovenschoolse factoren en factoren in de basisschool die
zijn gericht op het signaleren, diagnosticeren en remediëren van de
problematiek van zorgleerlingen. De eerste bijdrage geeft een overzicht van
resultaten van de WSNS-Monitor 2004, een landelijk vragenlijstonderzoek naar
het functioneren van de samenwerkingsverbanden WSNS. In de tweede bijdrage
wordt aan de hand van gevalsstudies nader ingegaan op de leerlingenzorg in
basisscholen en in samenwerkingsverbanden WSNS, evenals op de samenwerking
tussen onderwijs en jeugdzorg. In de derde bijdrage staat het signaleren van
problematiek bij leerlingen met behulp van een kleutertoets, gevolgd door het
stellen van de juiste diagnose, centraal. |
div 08/11/140sy
Divisie 9: ICT en Onderwijs
Timeslot 5 – Parallelsessie 11
Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Effecten
van visualisatie van participatie tijdens computerondersteund samenwerkend
leren (CSCL)
2. Leren met simulatieprogramma’s:
Kwantum tunneling modelleren in het practicum fysica
3. Analyzing computer-supported graphical discussion:
Op weg naar valide selectiecriteria voor
masteropleidingen
Í
|
Effecten van visualisatie van participatie tijdens
computerondersteund samenwerkend leren (CSCL) J. Janssen, G. Erkens, J. Jaspers en M. Broeken Capaciteitsgroep Onderwijskunde Universiteit
Utrecht Synopsis Aangezien participatie van groepsleden tijdens
het groepsproces van belang is voor effectieve samenwerking, wordt het effect
van visualisatie van participatie tijdens CSCL onderzocht. Visualisatie van
participatie kan feedback
geven over de bijdrage van leerlingen aan het groepsproces, bovendien kan het
sociale vergelijkingsprocessen stimuleren, die leerlingen aansporen om meer bij
te dragen aan het groepsproces. Er wordt onderzocht wat het effect is van de Participation Tool (PT, visualiseert
de participatie van alle groepsleden)
tijdens CSCL. 72 leerlingen werkten in een CSCL-omgeving, genaamd VCRI.
Leerlingen uit de experimentele groep hadden de beschikking over de PT, de
overige leerlingen niet. Uit analyses blijkt dat de experimentele groep meer
participeert in het communicatieproces en zich er beter van bewust is wanneer
andere groepsleden niet hun best doen. |
div 09/4/16pa
Í
|
Leren met simulatieprogramma’s: Kwantum tunneling modelleren in het practicum fysica E. Van Zele, J. Lenaerts, T. Van Hoecke; en
W. Wieme Universiteit Gent Synopsis Geruime tijd vullen simulatieprogramma's de mix van traditionele practicumproeven en real-time metingen aan voor het Practicum Fysica voor de tweede Bachelor Natuurkunde en Sterrenkunde. De simulatieprogramma's (vb. kwantum tunneling) veroorzaken een accentverschuiving van ‘berekenen en meten’ naar ‘verklaren’ en 'opbouwen van een mentaal model' van fysische fenomenen. Twee mogelijke benaderingen (nl. een inductieve en deductieve aanpak) worden tegenover elkaar afgewogen. Een kwantitatieve analyse (CBAV, WP 9) toont aan dat vooral de aard van de studentenactiviteiten sterk verschillen in het voordeel van het mentaal modelleren volgens de deductieve aanpak. Een kwalitatieve analyse toont ondermeer aan dat studenten zich vaak (nog) niet de juiste onderzoekshouding hebben aangemeten, dat sociale interacties het leren mee bepalen en dat studenten een herkenbaar patroon volgen bij de exploratie van multimediale leermiddelen en pas na wat 'gissen en missen' systematische werken. |
div 09/4/71pa
Í
|
Analyzing computer-supported graphical discussion: Op weg naar valide selectiecriteria
voor masteropleidingen M. Overdijk en W. van Diggelen Department of Educational
Sciences, Synopsis When new collaborative
technology is introduced in the classroom, a teacher or researcher has
certain expectations regarding to how such a tool should be used to enhance
existing practice. However, these expectations may differ from the way
students appropriate the tool
during their activities. Given a specific tool configuration, students may
find opportunities to appropriate a CSCL tool in ways that turn out to be
productive and unexpected. The Digalo fosters a
so-called “graphical” discussion, and is brought into action to support e.g. idea generation or argumentation
between students within face-to-face classroom situations. This paper
considers how collaborative technology like Digalo is being used by students
under conditions of limited instruction. The interaction process during a
Digalo-mediated discussion is examined to gain insight in the process of appropriation. The focal point of the
study lies at the interplay of individual action and interaction,
collaborative technology and existing practice. |
div 09/4/155pa
Divisie 12: Onderzoeksinstrumenten en
meten
Timeslot 5 – Parallelsessie 12
Woensdag 1 juni van 11.15 tot 13.00u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Instrumenten voor de effectmeting van
competentiegericht onderwijs bij psychologiestudenten in afstandsonderwijs
2. Predictief meten van metacognitieve vaardigheden
bij samenwerkend ontdekkend leren
3. Het meten van ontwikkelings- en
overdrachtsgerichte onderwijsopvattingen van leraren in het lager onderwijs:
Ontwikkeling van een
onderzoeksinstrument
Í
|
Instrumenten
voor de effectmeting van competentiegericht onderwijs bij
psychologiestudenten in afstandsonderwijs G. Wynants, M. Bijker en H. van Buuren Open Universiteit Nederland Hans.vanBuuren@ou.nl Synopsis Er
wordt veel werk gemaakt van het ontwikkelen van betrouwbare en valide
instrumenten voor het meten van relevante variabelen die betrokken zijn bij
een leerproces. Minstens zo belangrijk is de betrouwbaarheid en validiteit
van de leeruitkomsten zelf. Doorgaans wordt er in onderzoeken veel aandacht
besteed aan de meting van variabelen die het leerproces kenmerken en vervolgens
worden deze relatief klakkeloos gerelateerd aan cijfers afkomstig uit
tentamens en toetsen, zonder de betrouwbaarheid en validiteit van die laatste
categorie aan nader onderzoek te onderwerpen. Dat maakt de conclusies uit de
betreffende onderzoeken op zijn minst discutabel en doet afbreuk aan het
eerste deel van het onderzoekstraject. Kortom, het is het vergelijken van
appelen met peren. Het onderzoek van Wynants, Bijker & Van Buuren (2005)
is een initiatief om ook de geldigheid en validiteit van de gemeten
leeruitkomsten zelf aan wetenschappelijke criteria te onderwerpen en als
gevolg daarvan de consistentie tussen oorzaak-, proces- en gevolgvariabelen
te optimaliseren. |
div 12/2/38pa
Í
|
Predictief
meten van metacognitieve vaardigheden bij
samenwerkend ontdekkend leren A.
Walraven Open
Universiteit Nederland A.
Lazonder Universiteit
Twente Synopsis Dit paper beschrijft de ontwikkeling en validering
van een instrument voor het predictief meten van regulatievaardigheden bij
samenwerkend ontdekkend leren. Het instrument meet de vaardigheid van
leerlingen om hun leerproces te plannen en monitoren. De predictieve
validiteit is onderzocht door het gebruik van deze vaardigheden in het
instrument én in een ontdekkend leeromgeving te vergelijken. Verwacht werd
dat de frequenties van planning en monitoring-activiteiten in beide situaties
met elkaar samenhangen. Gevonden correlaties bleken significant. Uit deze resultaten
blijkt dat het mogelijk is om prospectief een valide meting te doen van het
gebruik van regulatievaardigheden. Het is echter nog te vroeg om te praten
over een valide predictieve meting. Deze resultaten geven een goede eerste
aanzet, maar dienen uitgebreid te worden. |
div 12/2/105pa
Í
|
Het meten
van ontwikkelings- en overdrachtsgerichte onderwijsopvattingen van leraren in
het lager onderwijs: Ontwikkeling
van een onderzoeksinstrument R. Hermans, J. van Braak en H. Van Keer Universiteit Gent – Vakgroep Onderwijskunde Synopsis Het
onderzoek stelt de ontwikkeling voor van een meetinstrument dat peilt naar
‘algemene opvattingen over goed onderwijs’ bij leraren in het lager
onderwijs. Er werd geopteerd voor een survey-onderzoek. Een eerste steekproef
(n=352) bestond uit studenten uit de lerarenopleiding en studenten uit de
bachelor pedagogische wetenschappen. Een exploratieve factoranalyse (pca)
leidde tot een tweecomponentenmodel waarbij de eerste component gelabeld werd
als ‘overdrachtsgericht’ en een tweede als ‘ontwikkelingsgericht’.
Confirmatorische factoranalyse bij leraren (n=377) uit het lager onderwijs
bevestigde de tweefactorenstructuur uit de eerste steekproef. Zowel de
overdrachtsgerichte als de ontwikkelingsgerichte schaal tonen een
bevredigende interne consistentie. Hoewel een negatieve correlatie tussen
beide onderwijsopvattingen verwacht werd, bleken beide somschalen
ongecorreleerd te zijn. Dit wijst erop dat ontwikkelings- en
overdrachtsgerichtheid geen tegengestelde clusters van opvattingen zijn. |
div 12/2/201pa
Divisie 1: Bedrijfsopleidingen,
Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie
Timeslot 6 – Parallelsessie 1
Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Matrix voor competentiegericht
beroeponderwijs:
Principes en indicatoren om
competentiegericht beroepsonderwijs
te operationaliseren
2. De identificatie van
ondernemerscompetenties in agribusiness
3. Expertiseontwikkeling bij recent
afgestudeerden in hun eerste baan
Í
|
Matrix
voor competentiegericht beroeponderwijs: Principes
en indicatoren om competentiegericht beroepsonderwijs te operationaliseren R. Wesselink, H.J.A. Biemans, E. R. van den Elsen en
M. Mulder Wageningen UR, Leerstoelgroep Educatie en
Competentie Studies Synopsis Sterk geënt op ontwikkelingen in het bedrijfsleven is het competentiedenken ook centraal komen te staan in het debat over de vormgeving van het beroepsonderwijs. In allerlei praktijkgerichte projecten richten onderzoekers en betrokkenen zich op het ontwikkelen van competentieprofielen, het integreren van vakken, het dichterbij brengen van de beroepspraktijk en het hervormen van toetssystemen. Ondanks de populariteit van competentiegericht onderwijs is er nog geen theoretisch raamwerk beschikbaar. In deze bijdrage wordt een eerste aanzet gegeven om tot een theoretisch raamwerk en operationalisatie te komen voor competentiegericht beroepsonderwijs. Door middel van een Delphi studie is een matrix ontwikkeld met daarin acht principes voor competentiegericht beroepsonderwijs. De principes zijn geoperationaliseerd d.m.v. indicatoren en deze zijn uitgewerkt in vier opbouwende fasen: nulfase, beginfase, gevorderde fase en professionele fase. Het theoretische raamwerk en de matrix komen uitgebreid aan bod tijdens de presentatie en in de paper. |
div 01/4/127pa
Í
|
De
identificatie van ondernemerscompetenties in agribusiness T. Lans Educatie en Competentie Studies, Wageningen
Universiteit Synopsis Het competentiedenken heeft de laatste decennia steeds meer aan populariteit gewonnen. Ook in de ondernerschapsliteratuur wordt het belang van leren en ontwikkelen als cruciaal element van het ondernemerschap in een veranderende samenleving steeds vaker genoemd. Het competentiedenken, dat ook dit dynamische perspectief hanteert past hier uitstekend in. Het gaat dan niet alleen om de juiste set van competenties om ‘succesvol’ te zijn, maar nadrukkelijk ook om het verwerven van (nieuwe) competenties die nodig zijn voor het (blijven) functioneren als ondernemer in een snel veranderende samenleving. Echter het is niet duidelijk over welke competenties we het dan hebben, hoe we deze kunnen vaststellen en wat de gebruikswaarde is van een competentiebenadering voor de doelgroep. In dit onderzoek wordt op basis van een zelf-, peer- en expertassessment een set van competenties getoetst op bruikbaarheid en validiteit in de ondernemerscontext. |
div 01/4/126pa
Í
|
Expertiseontwikkeling
bij recent afgestudeerden in hun eerste baan J. Dijkstra, W. Gijselaers & M. van de Wiel Universiteit Maastricht Joost.Dijkstra@educ.unimaas.nl Synopsis Beschikken
pas afgestudeerde managers over voldoende vakkennis? Kunnen beginnende
managers iets leren van hun werkplek? Uit onderzoek in het algemeen blijkt
dat pas afgestudeerde managers in de eerste jaren van hun loopbaan
onvoldoende groei in expertise laten zien. In het onderhavig onderzoek is
nagegaan wat de invloed is van de sociale werkomgeving op de
expertiseontwikkeling van pas afgestudeerde managers. Daarvoor zijn bij 61
beginnende managers twee casussen afgenomen om cognitieve prestatie in kaart
te brengen tijdens het oplossen van een managementprobleem. Verder is van
deze managers de sociale werkomgeving (netwerk) onderzocht op een structurele
dimensie (sociaal netwerk), cognitieve dimensie (gedeelde kennis) en
relationele dimensie (aard van de relatie). Verschillen in cognitieve
prestatie worden verklaard door verschillen in de sociale werkomgeving. |
div 01/4/181pa
Divisie 2: Beleid en
Organisatie in het Onderwijs
Timeslot 6 – Parallelsessie 2
Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u
Í
Drie paperpresentaties:
1. Wat is er mis met MIS?:
Ontwerp en evaluatie van een training in
het gebruik van managementinformatie binnen scholen voor voortgezet onderwijs
2. Evaluatie van het experiment
modularisering in het secundair onderwijs:
Types van modularisering
3. Het
lange termijn rendement van het Nederlands voortgezet onderwijs: Verbeterd of
verslechterd na invoering basisvorming
Í
|
Wat is er
mis met MIS?: Ontwerp en
evaluatie van een training in het gebruik van managementinformatie binnen
scholen voor voortgezet onderwijs E. Branderhorst, A. Visscher en R. Bosker Synopsis De
overheid wil met haar beleid scholen stimuleren om zelf hun organisatie te
sturen en publiekelijk verantwoording af te leggen (zoals bijvoorbeeld blijkt
uit de ontwikkelingen rondom de kwaliteitskaart, good governance en de tweede
fase). Met het oog op de eisen die aan scholen gesteld worden door overheid,
ouders en samenleving, is het in toenemende mate van belang beleid te
ontwikkelen op grond van juiste informatie, de beleidseffecten te monitoren
en afwijkingen te analyseren. Managementinformatiesystemen kunnen daarbij een
belangrijke bron van informatie zijn. Uit
onderzoek blijkt echter dat managementinformatiesystemen in de meeste scholen
geen rol van betekenis spelen bij de beleidsontwikkeling. Een belangrijke
verklaring hiervoor is het gebrek aan kennis en vaardigheden bij het
management van de scholen om gegevens uit informatiesystemen te benutten voor
de ontwikkeling en evaluatie van beleid. Om deze reden heeft de Universiteit
Twente in samenwerking met managers van scholen een training ontwikkeld met als
veronderstelling dat het volgen van deze training leidt tot een intensiever
gebruik van managementinformatiesystemen. In een veldexperiment werd deze
hypothese bevestigd. |
div 02/6/44pa
Í
|
Evaluatie van de pedagogisch-didactische en organisatorische
vormgeving van het experiment modularisering in het beroepssecundair
onderwijs in Vlaanderen H. Op den Kamp en K. De Rick Hoger Instituut voor de Arbeid, Katholieke
Universiteit Leuven helen.opdenkamp@hiva.kuleuven.ac.be Synopsis Vanaf het schooljaar 2000-2001 wordt in het Vlaamse onderwijs
geëxperimenteerd met een modulaire opleidingenstructuur. Dit experiment vindt
plaats in 42 secundaire scholen en wordt wetenschappelijk geëvalueerd onder
meer door het Hoger Instituut voor de Arbeid. In dit onderzoek wordt nagegaan
hoe een modulair systeem pedagogisch-didactisch en organisatorisch wordt
uitgebouwd. Aandacht gaat uit naar hoe faciliterende en belemmerende factoren
bevorderd dan wel geminimaliseerd kunnen worden. Op basis van
diepte-interviews peilen we naar varianten van flexibiliteit waarvan we
verwachten dat deze zich situeren tussen minimale en maximale flexibiliteit. |
div 02/6/176pa
Í
|
Het lange termijn rendement van het Nederlands
voortgezet onderwijs: Verbeterd of verslechterd na invoering basisvorming L.T.M. Rekers-Mombarg en M.P.C. van der Werf GION, Gronings Instituut voor Onderzoek van
onderwijs, opvoeding en ontwikkeling, Rijksuniversiteit Groningen l.t.m.rekers-mombarg@ppsw.rug.nl Synopsis Evaluatie
van de korte termijn effecten van de invoering van de basisvorming op het
rendement van het Voortgezet Onderwijs (VO) liet positieve bevindingen zien.
Door leerlingen die in het 1e leerjaar instroomden in het
Voortgezet Onderwijs Cohort leerlingen 1993 (VOCL’93) worden na 5 jaar hogere
onderwijsposities behaald dan door vergelijkbare leerlingen in VOCL’89.
Daarentegen zou aantal voortijdig schoolverlaters de laatste jaren sterk zijn
toegenomen. Dit lijkt in tegenspraak met
elkaar. De vraag rijst dan ook of invoering
van de basisvorming wel geleid heeft tot verbetering van het lange termijn
rendement. Na
9 jaren gevolgd te zijn in hun schoolloopbaan heeft 83% van de VOCL’93
leerlingen tenminste één diploma VO op zak en zal 11% met zekerheid geen VO
diploma gaan halen. De eerste ruwe analyses laten zien dat het lange termijn
rendement van VOCL’93 leerlingen verbeterd is ten opzichte van VOCL’89
leerlingen: het aantal leerlingen dat met zekerheid ongediplomeerd het VO
verlaat is kleiner geworden, het percentage gediplomeerden en het niveau van
het diploma is hetzelfde gebleven, de studieduur is verkort en het aantal
leerlingen dat meer dan één type VO diploma haalt is toegenomen. Of deze
positieve resultaten ook blijven bestaan als gecorrigeerd wordt voor de
achtergrond- en instroomkenmerken van leerlingen wordt momenteel met
meerniveau analyses onderzocht. Tijdens de ORD 2005 zal op deze vraag en op
de vraag of er ook verschillen tussen (groepen van) leerlingen en (groepen
van) scholen te detecteren zijn, antwoord gegeven worden. |
div 02/6/194pa
Divisie 4: Hoger
Onderwijs
Timeslot 6 – Parallelsessie 3
Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u
Í
Vier paperpresentaties:
1. Stimulerende
leeromgevingen voor allochtone studenten
2. Persoonlijkheid en leerstijlkenmerken:
Verschillen tussen studenten met een VO- en MBO-vooropleiding bij de aanvang
van een studie in het HBO
3. Beoordelingscapaciteiten van
studenten bij peer-feedback
4. De
moeilijkheidsgraad van toetsen in het Hoger Onderwijs:
Het inschattingsvermogen van docenten en
studenten om de moeilijkheids-graad van toetsvragen juist in te schatten
Í
|
Stimulerende leeromgevingen voor allochtone studenten S.
Severiens, S. Rezai en R. Wolff Risbo/Erasmus
Universiteit Synopsis Deze studie onderzoekt mogelijke verschillen tussen allochtone en autochtone studenten als het gaat om studievoortgang en prestaties, en probeert de gevonden verschillen te verklaren aan de hand van factoren in de leeromgeving. Op basis van een
vragenlijststudie onder 512 WO studenten, kan geconcludeerd worden dat het
met name voor allochtone studenten van belang is om onderwijsvernieuwingen
door te voeren waarin de student centraal staat. In innovatieve
leeromgevingen doen allochtone studenten het beter in vergleijking tot de
meer traditionele leeromgevingen. Voorts zien we dat het eindexamencijfer in
de groep autochtone studenten wel een voorspellende waarde heeft (cijfers en
voortgang in het eerste studiejaar), maar niet in de groep allochtone
studenten. |
div 04/7/67pa
Í
|
Persoonlijkheid
en leerstijlkenmerken: Verschillen tussen studenten met een VO- en
MBO-vooropleiding bij de aanvang van een studie in het HBO C. van Bragt*, J. van der
Sanden*/**, A. Bakx* en M. Croon*** *Fontys Hogescholen ** Technische Universiteit
Eindhoven *** Universiteit van
Tilburg) Synopsis Omdat er weinig bekend was omtrent de verschillen
met betrekking tot persoonlijkheid en leerstijlkenmerken tussen HBO-starters
met een MBO- en een VO-achtergrond, zijn als onderdeel van het
opleidingsprogramma 2003/2004 daarop betrekking hebbende vragenlijsten
afgenomen bij 3.226 eerstejaars voltijd HBO-studenten van 20 verschillende
Fontys-opleidingen. Het onderzoek biedt antwoord op de volgende onderzoeksvragen
(1) welke verschillen zijn er tussen eerstejaars studenten uit het
“reguliere” VO enerzijds en het MBO anderzijds, betreffende persoonlijkheid
en leerstijlkenmerken bij aanvang van een HBO-opleiding, (2) welke relaties
zijn er tussen deze variabelen en hoe verschillen deze relaties tussen de
twee groepen en (3) mag voor beide groepen worden aangenomen dat
persoonlijkheid invloed uitoefent op leerconcepties, motivationele
oriëntaties en regulatievoorkeuren en dat deze variabelen op hun beurt de
studie-aanpak beïnvloeden. |
div 04/7/135pa
Í
|
Beoordelingscapaciteiten
van studenten bij peer-feedback S. Gielen en F. Dochy K.U.Leuven – Centrum voor Opleidingsdidactiek sarah.gielen@ped.kuleuven.ac.be Synopsis Feedback
heeft een een sterk positief effect op het leren, dat werd reeds veelvuldig
aangetoond in onderzoek. Keerzijde van de medaille is de verhoogde werklast
voor docenten. Peer-feedback sessies – als een specifieke vorm van
peer-assessment – kunnen een oplossing bieden om de feedbackkansen voor
studenten te verhogen. Het is een vorm van collaboratief leren, waarbij peers
de rol van ‘kritische vriend’ vervullen en elkaars werk tussentijds
evalueren, als aanvulling of ter vervanging van docent-feedback. De vraag is
echter of studenten wel in staat zijn elkaar te beoordelen. In dit onderzoek
nemen we de criteriumgerichte docentbeoordeling als norm, en vergelijken we de
afwijkingen tussen peer- en docent-scores. Het doel van deze studie is om de
variabiliteit tussen studenten wat betreft de kwaliteit van hun oordelen te
onderzoeken, en factoren te identificeren die deze variabiliteit verklaren. |
div 04/7/158pa
Í
|
De
moeilijkheidsgraad van toetsen in het Hoger Onderwijs: Het
inschattingsvermogen van docenten en studenten om de moeilijkheids-graad van
toetsvragen juist in te schatten J. van der Rijt en G. van
de Watering Universiteit Maastricht,
FdR, Edit D. Gijbels Universiteit Antwerpen,
ECHO F. Dochy Katholieke Universiteit
Leuven en Universiteit Maastricht janine.vanderrijt@edit.unimaas.nl Synopsis Het
is belangrijk dat bij de constructie van toetsen in het Hoger Onderwijs
rekening wordt gehouden met de moeilijkheidsgraad van toetsvragen. Toch zijn
er slechts enkele studies over de moeilijkheidsgraad. In deze studie staat de
vraag of docenten in staat zijn toetsen te construeren die op de juiste
moeilijkheidsgraad van studenten zijn gericht, centraal. Tevens wordt
onderzocht in hoeverre studenten in staat zijn de moeilijkheidsgraad van
toetsvragen juist te waarderen. Daarbij wordt ook ingegaan op de mogelijke
relatie tussen de waardering van de moeilijkheidsgraad van de toetsvragen van
studenten en de prestatie op een toets. Voorlopige resultaten laten zien dat
studenten, vaker dan docenten, de moeilijkheid van een vraag juist weten in
te schatten. De definitieve resultaten, mogelijke oorzaken en de consequenties
van de gevonden verschillen zullen tijdens de ORD 2005-conferentie worden
gepresenteerd. |
div 04/7/206pa
Divisie 4: Hoger
Onderwijs
Timeslot 6 – Parallelsessie 4
Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Portfolio's in
het hoger onderwijs: Vraagstukken
rondom design, inhoud, proces en beoordeling Voorzitter: J. van Tartwijk Universiteit Leiden, ICLON Auteurs van de
papers: D. Joosten-ten Brinke, D. Sluijsmans en W. Jochems Onderwijs Technologisch
Expertise Centrum, Open Universiteit
Nederland, Heerlen D. Tigelaar, D. Dolmans, W. de Grave, I. Wolfhagen
en C. van der Vleuten Capaciteitsgroep Onderwijsontwikkeling en Onderwijsresearch,
Universiteit Maastricht. M. Smits, D. Sluijsmans en W. Jochems Onderwijs Technologisch
Expertise Centrum, Open Universiteit
Nederland, Heerlen Marieke.Smits@ou.nl E. Driessen, K. Overeem, J. van Tartwijk en C.P.M.
van der Vleuten Capaciteitsgroep Onderwijsontwikkeling en
Onderwijsresearch, Universiteit Maastricht Discussiant: D. Beijaard Universiteit Leiden, ICLON Synopsis Portfolio’s
worden steeds meer gebruikt in het hoger onderwijs. Toch zijn er rondom
portfolio’s nog hete hangijzers, zoals op het gebied van design-, inhouds-,
proces- en beoordeling. Deze worden in dit symposium onder de loep genomen.
Desirée Joosten-ten Brinke gaat in op bronnen die bewijs kunnen leveren van
informeel en non-formeel leren en de mate waarin deze generiek zijn. Dineke
Tigelaar presenteert illustratieve voorbeelden van de wijze waarop docenten
reflecteren op verschillende aspecten van hun functioneren. Marieke Smits
gaat in op de vraag of studenten betere reflectieverslagen schrijven na
competentiegericht onderwijs dan na traditioneel onderwijs, en of studenten
meer reflecteren na feedback van een docent die daarin getraind is. Erik
Driessen presenteert onderzoek waarin de validiteit van
portfoliobeoordelingen centraal staat. Douwe Beijaard zal de
symposiumbijdragen bediscussiëren. |
div 04/8/106sy
Divisie 5: Lerarenopleiding
en Leraarsgedrag
Timeslot 6 – Parallelsessie 5
Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Leren van
elkaar? (Beginnende) docenten onderzocht Voorzitter: Nog niet bekend. Auteurs van de papers: P. Meijer en J. Meirink ICLON, Universiteit Leiden R. Zwart ILS, Katholieke Universiteit Nijmegen Discussiant: M. Brekelmans IVLOS, Universiteit Utrecht Synopsis Onderzoek laat zien dat wanneer docenten samen
actief vorm proberen te geven aan hun professionele ontwikkeling, door
bijvoorbeeld gezamenlijk onderwijsstrategieën te analyseren of samen met
nieuwe vormen van onderwijzen en leren te experimenteren, dit hun onderwijs
ten goede komt. Dit symposium bevat drie onderzoeken naar het leren van
docenten in dergelijke vormen van interactie en (gezamenlijke) reflectie in
structurele en georganiseerde samenwerking: collegiale coaching,
vakoverstijgende projectgroepen en intervisie. In de drie onderzoeken wordt
op verschillende manieren bewijs gezocht voor het leren van (beginnende)
docenten. Naast analyse van interactie tijdens bijeenkomsten worden ook
andere instrumenten hierbij ingezet. In de afzonderlijke bijdragen zal worden
ingegaan op de gemaakte keuzes met betrekking tot de analyse van de data,
welke gevolgen deze keuzes hebben, en wat dit oplevert. |
div 05/9/192sy
Divisie 6: Leren en
Instructie
Timeslot 6 – Parallelsessie 6
Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u
Í
Vier paperpresentaties:
2. Percepties van authentieke assessment
en de invloed hiervan
op het leergedrag
4. Relationships
between cognitions about learning, assessment expectations, attributions for
academic success and learning behavior
Í
Towards a dynamic
model of adaptive task selection
G. Corbalán Pérez, L. Kester, and J.J.G. van
Merriënboer Open Universiteit Nederland,
Onderwijstechnologisch Expertisecentrum Synopsis
Modern
education emphasizes the need to flexibly adapt learning tasks to individual students.
Especially for novices, it is important to choose task features, the amount
of task support and the task difficulty level, so that limited working memory
capacity is taken into account. This paper discusses a dynamic model of
adaptive task selection which combines two opposite task-selection
tendencies: System- and student-controlled approaches. First, the system
selects a subset of most suitable learning tasks on the basis of performance
scores and invested mental effort of the student. Second, this subset is
presented to the student, who makes the final selection. A system has been
developed that takes the model into practice. This personalized
task-selection model with shared control is expected to increase the
efficiency and effectiveness of instruction (i.e., since it adapts the tasks
to each individual student), and to make it more appealing for the student
(i.e., since it provides with some degree of student control).
|
div 06/6/73pa
Í
|
Percepties
van authentieke assessment en de invloed hiervan op het
leergedrag J. Gulikers, T. Bastiaens,
en P. Kirschner Onderwijstechnologisch
Expertisecentrum, Open Universiteit Nederland Synopsis Authenticiteit van een assessment, gedefinieerd als de mate van overeenkomst tussen 5 assessmentkenmerken en de kritische situatie in de beroepspraktijk, is een van de belangrijkste kenmerken van nieuwe vormen van toetsen in competentiegericht onderwijs. Deze studie onderzoekt (1) de verschillen en overeenkomsten tussen student- en docentpercepties van een authentiek assessment en (2) de directe en indirecte relaties tussen studentpercepties van een authentiek assessment, hun studeeraanpak en de kwalitatieve en kwantitatieve leeruitkomst. Docenten blijken een assessment op meerdere kenmerken meer authentiek te vinden dan studenten. Resultaten van correlaties en structural equation modeling laten zien dat er verschillende positieve relaties zijn tussen perceptie van authenticiteit, diep leren en een verhoogde kwalitatieve en kwantitatieve leeruitkomst. |
div 06/6/86pa
Í
Kwaliteitscriteria
voor Competentie Assessment Programma’s
L. K.J. Baartman, T. J.
Bastiaens, P. A. Kirschner Open Universiteit Nederland Synopsis Nu leren en instructie steeds meer gebaseerd zijn op competenties, groeit de vraag naar assessment-methoden om verworven competenties aan te tonen. Omdat het onmogelijk lijkt één enkele geschikte methode te vinden, wordt voorgesteld zowel klassieke als nieuwe methoden te combineren in een Competentie Assessment Programma (CAP). Voor klassieke methoden gelden kwaliteitscriteria als validiteit en betrouwbaarheid, maar omdat CAP’s bestaan uit een combinatie van methoden, ontstaat de vraag welke kwaliteitscriteria hier moeten gelden. In dit onderzoek wordt een model van tien kwaliteitscriteria voorgesteld en gevalideerd in een expertmeeting: authenticiteit, cognitieve complexiteit, betekenis, eerlijkheid, transparantie, directheid, onderwijsgevolgen, tijd en kosten, herhaalbaarheid en vergelijkbaarheid. Negen van de tien criteria werden door de experts belangrijk gevonden en een aantal criteria werd toegevoegd. Op basis van de resultaten is het model aangepast. |
div 06/6/186pa
Í
|
Relationships between cognitions about learning,
assessment expectations, attributions for academic success and learning
behavior J. Ferla and M. Valcke Synopsis This paper demonstrates
students cognitions such as their conceptions of learning, assessment
expectations and attributions for academic success either induce a more reproduction
oriented or a more meaning oriented learning approach. Furthermore it is
demonstrated these student cognitions often form a coherent set of beliefs
which either induce a reproduction oriented or a meaning oriented learning
approach. Finally it is demonstrated that students can be categorized into
four student types on the basis of the above mentioned student cognitions and
the accompanying learning behavior: meaning oriented, reproduction oriented,
deep learning oriented and passive students. The paper describes the learning strategy of all four student
types in detail. |
div 06/6/200pa
Divisie 7: Methodologie
en Evaluatie
Timeslot 6 – Parallelsessie 7
Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Methodologische
uitdagingen voor CSCL onderzoek Voorzitter: R. Martens Universiteit Leiden, Afdeling Onderwijsstudies Auteurs van de
papers: B. De Wever, H. Van Keer, T. Schellens en M. Valcke Universiteit Gent, Vakgroep Onderwijskunde P.J. Beers, E. Boshuizen en P. Kirschner OTEC Open Universiteit, Nederland J. van der Pol en W. Admiraal Universiteit Utrecht, IVLOS, Expertise Centrum ICT
en (Hoger) Onderwijs Discussiant: R.J. Simons Universiteit Utrecht, IVLOS, Expertise Centrum ICT
en (Hoger) Onderwijs Organisator: J.-W. Strijbos Universiteit Leiden, Afdeling Onderwijsstudies Synopsis Samenwerkend
leren wordt in toenemende mate ingezet in alle geledingen van het onderwijs
en het gebruik van computerondersteund samenwerkend leren (CSCL:
Computer-Supported Collaborative Learning) neemt toe. Het onderzoeksveld is
multidisciplinair (o.a. sociologie, informatica, onderwijs- en sociale
psychologie en communicatie wetenschap) en biedt vele analysebenaderingen,
zoals kwantitatieve inhoudsanalyse, conversatie analyse, multilevel analyse,
cross case matrices, etc. Het blijkt zeer lastig om te bepalen welke benadering
het meest geschikt is om de data in een specifieke context te analyseren. Het
doel van dit symposium is de keuze voor een analysebenadering, of het
ontwikkelen van een specifieke benadering voor een specifieke
dataverzameling, nader te expliciteren. Iedere bijdrage bespreekt één of
meerdere methodes die geïllustreerd worden met enige onderzoeksresultaten. |
div 07/7/49sy
Divisie 7: Methodologie
en Evaluatie
Timeslot 6 – Parallelsessie 8
Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Flexibilisering
van centrale examens Voorzitter: A.A. Béguin Cito, POK Auteurs van de papers: A.A. Béguin Cito, POK T.J.H.M.
Eggen en P.F.
Sanders Discussiant: D.N.M. de Gruijter Universiteit Leiden, ICLON Synopsis Toenemende autonomie van scholen, de inhoudelijke
en pedagogisch-didactische vernieuwing in de bovenbouw en de toenemende
individualisering van de leertrajecten
zorgen voor een roep uit het onderwijsveld om centrale examens die
flexibeler zijn en daarmee beter aansluiten bij de onderwijsvernieuwing. In
dit symposium worden de mogelijkheden en onmogelijkheden van een flexibel
systeem van examineren belicht vanuit een methodologische standpunt. In elk
van de presentaties komt de nadruk te liggen op één van de volgende
onderwerpen: meten van competenties en vaardigheden, adaptieve toetsing en
bepaling van de standaard op het examen. Aan de hand van voorbeelden van
mogelijke scenario’s wordt bij elk van deze onderwerpen de relatie gelegd met
een systeem van flexibel examineren. |
div 07/8/115sy
Divisie 8: Onderwijs en
Samenleving
Timeslot 6 – Parallelsessie 9
Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u
Í
Drie paperpresentaties:
1. De keuze voor een exact profiel door
jongens en meisjes in havo en vwo
2. De sociale relaties van hoogbegaafde leerlingen
en hun klasgenoten in het VO
Í
|
De keuze voor een exact profiel door
jongens en meisjes in havo en vwo A. van Langen ITS, Radboud Universiteit Nijmegen L. Rekers-Mombarg GION, Rijksuniversiteit Groningen H. Dekkers FSW sectie Onderwijs&Educatie, Radboud Universiteit Nijmegen Synopsis In Nederland is al geruime tijd sprake van een gebrek aan belangstelling voor exacte vakken en studies. Aanvankelijk gold dat vooral voor meisjes, de laatste jaren ook steeds meer voor jongens. In het verleden is al veel onderzoek verricht naar factoren die van invloed zijn op het kiezen van exacte vakken. In 1998 is er in Nederland echter een belangrijke wetswijziging doorgevoerd, waardoor leerlingen in havo en vwo verplicht zijn te kiezen uit vier profielen die elk een specifieke combinatie van vakken inhouden, naast een algemeen verplicht deel en een beperkt vrij deel. Hiermee werd enerzijds beoogd dat leerlingen zich bewuster oriënteren op studie en beroep, anderzijds dat het onderwijsaanbod meer samenhang heeft zodat zij beter voorbereid zijn op het vervolgonderwijs. De vier profielen zijn: Cultuur & Maatschappij, Economie & Maatschappij, Natuur & Gezondheid en Natuur & Techniek. Op basis van de gegevens van ruim 3500 havo- en vwo-leerlingen uit een grootschalig lopend cohort (VOCL’99) wordt in dit onderzoek nagegaan in hoeverre de invoering van de profielen heeft geleid tot veranderingen in de determinanten van de exacte vakkenkeuze (c.q. Natuurprofiel-keuze) door zowel jongens als meisjes. Met behulp van softwarepakket Mlwin zijn daartoe meerniveau analyses uitgevoerd die gebaseerd zijn op geordende multicategorale respons modellen. |
div 08/10/93pa
Í
|
De sociale relaties van hoogbegaafde leerlingen en hun klasgenoten in het VO M. J. Lubbers, R. J. Bosker, M. P. C. Van der Werf & H. Kuyper Gronings Instituut voor Onderzoek naar Onderwijs, Opvoeding en
Ontwikkeling (GION), Rijksuniversiteit Groningen Synopsis In
het maatschappelijke debat wordt vaak gesteld dat hoogbegaafde leerlingen op
school meer socio-emotionele problemen hebben dan hun klasgenoten. Onderzoek
levert echter gemengde resultaten op. Ook recent onderzoek van Guldemond c.s.
in het Nederlandse VO wees uit dat er gemiddeld genomen geen reden is om
extra aandacht te besteden aan de sociale positie van hoogbegaafden in de
klas, maar een kritiekpunt op dit onderzoek was dat maar 1 aspect van sociale
relaties is onderzocht. Dit paper bestudeert of hoogbegaafde leerlingen
afwijken van niet-hoogbegaafde klasgenoten op verschillende aspecten van hun
sociale netwerk in de klas. Eerder gevonden predictoren voor het ontstaan van
problemen, zoals sekse, IQ (‘de mate van’ hoogbegaafdheid) en variatie in IQ
in de klas zijn meegenomen. Enkele hoogbegaafde leerlingen bleken af te
wijken, maar gemiddeld ondersteunen onze conclusies die van Guldemond
c.s. |
div 08/10/102pa
Í
Motivatie
voor school van adolescenten:
Verschillen
in leeftijd en land
T. Peetsma en I. van der Veen SCO-Kohnstamm Instituut, Faculteit der Maatschappij
en Gedragswetenschappen Universiteit van Amsterdam Synopsis Afname in motivatie voor
school van leerlingen en hun prestaties tijdens de adolescentie is een bekend
fenomeen, waarvoor verschillende verklaringen in de literatuur zijn te
vinden. Het wordt doorgaans verklaard uit zelfevaluaties of verwachtingen van
leerlingen en hun doelen: alle nogal cognitief van aard. Tegenwoordig worden
daarbij meer sociale en affectieve aspecten van het leven onderzocht. Het
relatieve belang van meer sociale en affectieve waarden van leerlingen in
vergelijking met meer cognitieve, hoeft niet gelijk te zijn in verschillende
culturen en landen. De relatieve waardering van prestaties of van het sociaal
functioneren kan ook verschillen over de adolescentieperiode en zou daarmee
de afname in inzet voor school en schoolprestaties mede kunnen verklaren. Het
te presenteren onderzoek is uitgevoerd vier landen (de voormalige DDR,
Nederland, Tsjechië en Zwitserland) en in drie adolescentieperioden. |
div 08/10/154pa
Divisie 9: ICT en Onderwijs
Timeslot 6 – Parallelsessie 10
Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
ICT-monitors
in Nederland en Vlaanderen Voorzitter: J. Elen Katholieke Universiteit Leuven Auteurs van de papers: G. Clarebout en J. Elen Katholieke Universiteit Leuven J. Tondeur, M. Valcke en J. van Braak Universiteit Gent H. van Gennip, H. Braam en E. Smeets Radboud Universiteit Utrecht Discussianten: J. Lowyck Katholieke Universiteit Leuven J. De Craemer Vlaamse Gemeenschap – Afdeling Beleidscoördinatie
Onderwijs Synopsis Zowel
in Nederland als in Vlaanderen wordt de ICT-infrastructuur jaarlijks in kaart
gebracht aan de hand van een bevraging. In Vlaanderen werd hiervoor gebruik
gemaakt van de PC/KD-vragenlijst waarbij naast de besteding van de gelden ook
aan scholen werd gevraagd gegevens over infrastructuur (aantal computers,
internetaansluiting, toegang tot PC's, etc.) te rapporteren. In Nederland
worden daarenboven gegevens bevraagd, die op het gebruik van ICT gericht
zijn. De vraag die bij dergelijke metingen vaak naar boven komt is of het
gebruik van dergelijke instrumenten / vraagstelling wel een adequate manier
is om zicht te krijgen op het gebruik van de ICT-infrastructuur. Bovendien
rijst de vraag welke betrokkenen bevraagd zouden moeten worden om hier een
volledig zicht op te krijgen. Deze aspecten komen zullen aan de hand van drie
bijdrages en twee discussianten in dit symposium worden behandeld. |
div 09/5/54sy
Divisie 10: Vakdidactiek
Timeslot 6 – Parallelsessie 11
Woensdag 1 juni van 14.00 tot 15.45u
Í
SYMPOSIUM
Í
|
Bètadidactisch en onderwijskundig onderzoek: Twee kanten van dezelfde medaille? Voorzitter: M.J. Goedhart Rijksuniversiteit
Groningen Auteurs van de papers: M. van Eijck en T.
Ellermeijer Universiteit van
Amsterdam P. Vos, M. Witterholt,
J. Folkert Deijnum, A. van Streun en M. Goedhart Rijksuniversiteit
Groningen Discussiant: J. van Driel Universiteit Leiden Synopsis Dit symposium gaat in op een van de conferentiethema’s,
namelijk de positie van vakdidactisch onderzoek ten opzichte van
onderwijskundig onderzoek. Daarbij beperken we ons tot het onderzoek in de
bètadidactiek. Met bijdragen uit de wiskunde-, biologie- en
natuur-/scheikundedidactiek willen we enkele kenmerken van bètadidactisch
onderzoek illustreren. In de afsluitende bijdrage zal – gebruikmakend van de
voorafgaande drie symposiumbijdragen – ingegaan worden op het
conferentiethema. Daarbij is de conclusie dat het specifieke karakter van bètadidactisch
onderzoek wordt bepaald door het object van onderzoek (de vakinhoud). Verder
zal worden ingegaan op de vraag naar de begrenzing van de verschillende
vakdidactische kaders binnen bètadidactisch onderzoek. |
div 10/4/143sy
POSTER PRESENTATIES REEKS 1
Í
Dinsdag 31 mei van 10.45 tot 12.30u
Í
15 posterpresentaties:
(div 06).
(div 07).
Í
|
Welbevinden en functioneren van directies
basisonderwijs: Een hypothetisch verklaringsmodel G. Hotton en N. Engels Vrije Universiteit Brussel
-InterDisciplinaire vakgroep LerarenOpleiding D. Bouckenooghe Vlerick Leuven Gent Management
School - Competentiecentrum Mens en Organisatie G. Devos Universiteit Gent –
Vakgroep Onderwijskunde & Vlerick Leuven Gent
Management School - Competentiecentrum Mens en Organisatie A. Aelterman Universiteit Gent
–Vakgroep Onderwijskunde Synopsis Vanuit systeemtheoretisch perspectief
veronderstellen we dat zowel functioneren als welbevinden van directies
basisonderwijs interageren met contextkenmerken en factoren op drie niveaus: persoonsgebonden
factoren (bijv. gezinssituatie), schoolgebonden factoren (bijv.
schoolcultuur) en omgevingsgebonden factoren (bijv. overheid). Door middel
van een mixed-method design werd nagegaan hoe factoren samenhangen met het
functioneren en welbevinden van directeurs in het basisonderwijs en hebben we
de relatie onderzocht tussen schoolcultuur en het welbevinden van de
leerkrachten en het functioneren en welbevinden van de directeurs. Tijdens de
presentatie komen het theoretisch kader, de onderzoeksfasen en de
onderzoeksmethodiek aan bod en worden in functie van de centrale
onderzoeksvraag een aantal hypotheses geformuleerd die getoetst worden aan de
onderzoeksresultaten. Uit deze resultaten blijkt dat directies met een
positief welbevinden zich kenmerken door een sterke prestatie oriëntatie en
een hoge doelmatigheidsbeleving. Ze beschikken vaker over een tevreden team,
zijn in staat hun leerkrachten te motiveren en voelen zich gesteund door
zowel hun leerkrachten als door hun omgeving. Wetten, decreten en de daarmee
samenhangende administratie blijken dan weer de grootste bron van frustratie
te zijn. |
div 02/7/47po
|
De rol van
het directieteam en het middenkader bij gedeeld leiderschap H. Hulpia en G. Devos Vakgroep Onderwijskunde - Universiteit Gent Synopsis Het
onderzoek naar de rol van het directieteam en het middenkader bij gedeeld
leiderschap heeft als doel een conceptueel kader van gedeeld leiderschap te
construeren. In het bijzonder wordt de rol- en taakverdeling tussen
directieleden, coördinatoren en (in technische en beroepsscholen) technisch
adviseurs geanalyseerd. Afgeleide onderzoeksvragen hebben betrekking op de
vier rollen van leiderschap die door Quinn en Cameron (1999) worden
onderscheiden. Daarnaast wordt onderzocht hoe de interactie tussen de
verschillende actoren wordt gekenmerkt en hoe dit gedeeld leiderschap wordt
gepercipieerd. Om bovenstaande onderzoeksvragen te beantwoorden, wordt een
kwalitatief onderzoek opgezet in secundaire scholen met minimum 600
leerlingen. De eerste resultaten van de multiple case studies worden
toegelicht op ORD 2005. |
div 02/7/18po
Beleidsvoerend
vermogen in Vlaamse basis- en secundaire scholen
V. Warmoes Vlerick Leuven Gent Management School T. Dang Kim Universiteit Antwerpen G. Devos Vlerick Leuven Gent Management School, Universiteit
Gent en Universiteit Antwerpen P. Van Petegem en P. Mahieu Universiteit Antwerpen Synopsis De
laatste jaren geeft de overheid Vlaamse scholen geleidelijk meer ruimte om
een eigen beleid te voeren. Dit onderzoek wil de bepalende variabelen van het
beleidsvoerend vermogen van scholen analyseren. Het beleidsvoerend vermogen
wordt aan de hand van zeven dragers geoperationaliseerd: de doelgerichte en
gedeelde visie, het leiderschap, de openheid voor innovaties, de participatie
van leerkrachten in de besluitvorming, de professionele samenwerking van
leerkrachten, de responsiviteit en het reflecterend handelen. Het
beleidsvoerend vermogen kan versterkt worden door de uitbouw van sterke netwerken tussen scholen. In
het onderzoek komen zowel kwalitatieve
als kwantitatieve
onderzoeksmethoden aan bod. |
div 02/7/29po
|
Implementatie
van onderzoekscompetentie in het
Algemeen Secundair Onderwijs I.
Flament, I. Tallon, Ch. Van Woensel, M. Vrijsen, en G. Moens. Interdisciplinaire vakgroep
Lerarenopleiding (IDLO), Vrije Universiteit Brussel De onderzoekscompetentie maakt deel uit van de
verplichte specifieke eindtermen voor het ASO die vanaf 2006 – 2007 in acht moeten
worden genomen. Het zijn domeinonafhankelijke eindtermen en ze geven geen
aanduiding over de wijze waarop de onderzoekscompetentie bij leerlingen kan
gerealiseerd worden. Tevens is er in Vlaanderen weinig materiaal, onderzoek
en good practices voorhanden met betrekking tot onderzoekscompetentie en
onderzoekend leren in de klas. Om deze lacune op te vullen heeft de Werkgroep
OnderzoeksCompetentie een gids ontwikkeld, de zogenaamde Onderzoekswijzer,
gericht naar scholen en leraren om hen te ondersteunen en begeleiden bij het
implementeren van onderzoekscompetentie. Vervolgens wordt de bruikbaarheid -
inhoudelijk en organisatorisch - van de Onderzoekswijzer geoptimaliseerd aan
de hand van een actiebegeleidend en participerend onderzoek. |
div 03/5/95po
|
Ontwerpregels
voor multiprofessioneel, competentiegericht onderwijs in de
gezondheidszorg I.I. Zitter MSc MTD, G.F.L.M. Rubens en J.I. Lam Universiteit Utrecht, IVLOS, Expertisecentrum ICT in
het Onderwijs Synopsis Dit
onderzoek is uitgevoerd in de context van het project ‘Multiprofessioneel
leren met behulp van ICT’. Naast het ontwikkelen het onderwijs, is een
nevendoel van het project het faciliteren van kennisontwikkeling en
kennisdeling met betrekking tot multiprofessioneel, competentiegericht leren.
Om de onderwijspraktijk te betrekken als medeontwikkelaar van kennis is
ervoor gekozen om participanten aan het project te bevragen middels een
Delphi-studie. Om te komen tot kennisproducten met toegevoegde waarde voor de
onderwijspraktijk, zijn de bijdrages uit de eerste ronde van de Delphi-studie
verwerkt tot ontwerpregels voor het ontwikkelen van multiprofessioneel, competentiegericht
onderwijs en zijn deze ontwerpregels in de tweede ronde gevalideerd. Tot slot
is bekeken hoe geschikt een Delphi-studie is als methode voor het betrekken
van de onderwijspraktijk en het ontwikkelen van kennisproducten met een
toegevoegde waarde voor de onderwijspraktijk. |
div 03/5/117po
|
Leren op
de werkplek van docenten in het Hoger Onderwijs C. Hofman & M. van den HurkRadboud Universiteit Nijmegen
Synopsis Docenten in het Hoger Onderwijs professionaliseren
zich door het verrichten van reflectieve, interactieve leeractiviteiten en
leeractiviteiten met betrekking tot het bijhouden/toepassen van nieuwe
ontwikkelingen. In deze studie is middels een vragenlijst bij 259 docenten
(Faculteit Techniek en Educatie,
Hogeschool Arnhem & Nijmegen) onderzocht of er een discrepantie is tussen
de mate waarin docenten deze leeractiviteiten uitvoeren en de mate waarin zij
de leeractiviteiten waardevol/zinvol vinden. Daarnaast is onderzocht welke
factoren de uitvoering van de leeractiviteiten bevorderen of belemmeren. De
resultaten laten zien dat docenten alle leeractiviteiten significant
zinvoller vinden dan dat ze in de praktijk (kunnen) uitvoeren. Gebrek aan
faciliteiten wordt als belangrijkste belemmerende factor gezien, meest
bevorderend is de collegiale steun en de houding van studenten. |
div
04/9/32po
|
Studerend
lezen ter voorbereiding op experimenteel onderzoek in een
simulatieomgeving H. Jonker en J. Beishuizen Onderwijscentrum, Vrije Universiteit Synopsis In
dit onderzoek wordt van 5 VWO leerlingen gevraagd om zich in een bepaald
domein te verdiepen: het menselijk geheugen. In een enkelvoudig factorieel
design wordt door de leerlingen de invloed bekeken van vijf onafhankelijke
variabelen op één afhankelijke variabele. Twee variabelen zijn irrelevant,
drie hebben een hoofdeffect waarvan er twee interacteren. De derde variabele
heeft alleen een hoofdeffect maar wel een bijzondere (een omgekeerde u-vorm).
De belangrijkste onderzoeksvraag is of leerlingen, afhankelijk van hun score
op de leerstijl concrete elaboratie, hoofdzakelijk theorieparagrafen gaan
lezen dan wel voorbeeldparagrafen. Er kan steeds geswitched worden tussen het
leesscherm en het experimenteerscherm. Na afloop wordt hun relationele (goede
experiment noodzakelijk) en inhoudelijke (tekst noodzakelijk) kennis
getoetst. |
div 06/7/34po
|
Zelfsturend leren in de lagere school: Mogelijkheden, wenselijkheden en actueel gebruik volgens leraren K. Lombaerts, N.
Engels & G. Hotton Vakgroep
Onderwijskunde Vrije Universiteit Brussel (VUB) Synopsis Zelfsturend leren heeft de laatste decennia
sterk aan belang gewonnen. Onderzoeksmatig uit dit zich voornamelijk binnen
secundair (voortgezet) en hoger onderwijs. Onderzoek naar de rol en
aanwezigheid van zelfsturend leren op het niveau van het basisonderwijs is echter
beperkt. Nochtans worden ook leerlingen in de lagere (primaire) school
aangesproken op hun zelfsturende vaardigheden en wordt een grote nadruk
gelegd op het oefenen van metacognitieve vaardigheden die nodig zijn om het
eigen leren te sturen. Het onderzoek waarover we rapporteren gaat na welke
plaats zelfsturend leren momenteel inneemt en kan innemen in het
basisonderwijs. Een eerste onderzoeksfase situeert zich op
leraarniveau: welke zijn hun opvattingen met betrekking tot zelfsturend
leren, aan welke randvoorwaarden moet volgens hen worden voldaan om
zelfsturend leren in de lagere school in te voeren, en in welke mate is
momenteel al sprake van zelfsturende leerpraktijken? We presenteren bondig de
plaats van deze onderzoeksfase in het breder onderzoeksproject, de
onderzoeksopzet, het ontwikkelde instrument, de timing en de te verwachten
resultaten. |
div 06/7/31po
|
De invloed
van de sociale omgeving op de
(on)tevredenheid van leerlingen met de leeromgeving M.M.M. Peeters, K.D. Könings, S. Brand-Gruwel en
J.J.G. Van Merriënboer. Open Universiteit
Nederland, OTEC Synopsis Uit eerder
onderzoek blijkt dat de mate van tevredenheid met en de perceptie van de kracht
van de Tweede Fase door leerlingen VO samenhangt met leerstijlkenmerken van
de leerling. Dit is een interessante bevinding voor ontwerpers, aangezien
juist die leerlingen die het nodig hebben om een betere leerstijl te
ontwikkelen, de leeromgeving niet ervaren als hulpmiddel bij het ontwikkelen
van de benodigde vaardigheden. In dit onderzoek wordt gekeken naar de invloed
van ouders en peers op percepties van, en tevredenheid met de leeromgeving.
We verwachten dat tevreden leerlingen tevreden vrienden hebben en ouders die
hen stimuleren en motiveren voor school, en omgekeerd. Als deze hypothese
wordt bevestigd betekent dit dat er samenhang is tussen de invloed van de
sociale omgeving en de percepties en de tevredenheid van de leerling. Dit
heeft consequenties voor het ontwerpen van een leeromgeving en de mate waarin
leerlingpercepties daarin een rol dienen te spelen. |
div 06/7/145po
|
De
ondersteuning van common ground in multidisciplinaire teams A. Schurer, P.J. Beers en
E. Boshuizen Open Universiteit
Nederland Synopsis Deze poster behandelt een onderzoek naar methoden voor het ondersteunen van een gedeeld cognitief referentiekader, ook wel common ground genoemd. Common ground wordt gezien als een belangrijke voorwaarde voor het delen van kennis, die aan de basis staat van een succesvol probleemoplossingproces in multidisciplinaire teams. Door te variëren in de mate van vrijheid die men heeft tijdens discussie- en overlegsituaties werd gekeken naar de meest gunstige methode om common ground te genereren in multidisciplinaire teams. In tegenstelling tot eerder onderzoek werd gevonden dat een hoge mate van vrijheid tot meer common ground leidt. Een verklaring hiervoor ligt mogelijk in de verschillende onderzoekspopulaties. In eerdere studies bestond deze uit universitaire studenten, terwijl aan bovengenoemde studie scholieren middelbaar beroepsonderwijs deelnamen waarvan gebleken is dat zij een lagere spanningsboog hebben. |
div 06/7/42po
|
Leren door observatie
van expertmodellen in multimedia leeromgevingen: De relatie tussen
modaliteit, tempocontrole en segmentering P. Wouters, F. Paas & J. van Merriënboer Open Universiteit Nederland Onderwijs Technologisch Expertise Centrum Synopsis Hedendaagse theorieën over instructie richten
zich steeds meer op leren aan de hand van realistische taken. In deze
theorieën wordt de observatie van expertmodellen gezien als een belangrijke
instructiebenadering. Vaak worden multimedia expertmodellen gebruikt die een
expert laten zien die een realistisch probleem oplost en uitlegt hoe dit
gebeurt en waarom op die specifieke manier. Deze expert modellen combineren
drie informatiebronnen (de oplossing, de stappen om tot een oplossing te
komen en vuistregels om de juiste stappen te selecteren) die mentaal
geïntegreerd dienen te worden en daarom makkelijk tot cognitieve
overbelasting kan leiden. In dit onderzoek wordt het modaliteiteffect
bestudeerd in relatie tot tempocontrole en segmentering met als doel te komen
tot een optimale besteding van cognitieve capaciteit. |
div 06/7/123po
Het gebruik van een mixed methods data analyse in
een onderzoek naar concepties over onderwijsveranderingen
V. Donche & P. Van
Petegem Universiteit Antwerpen Synopsis
Onderzoek in het domein van leren en
instructie heeft aangetoond dat leerkrachten verschillen in hun concepties en
benaderingen van hoe onderwijzen dient te worden begrepen (Kember, 1997;
Prosser & Trigwell, 1999). Dit onderzoek is gericht op het in kaart
brengen van verschillen in concepties van studenten leraren in opleiding over
onderwijsveranderingen. Welke noodzakelijke veranderingen onderstrepen
studenten ten aanzien van leerinhouden, curriculum, leer- en
onderwijsstrategieën en assessmentprocedures? Daarbij wordt in het onderzoek
ook aandacht besteed aan de relatie tussen persoonlijke factoren zoals bvb.
de mate waarin studenten reeds praktijkervaring in het onderwijs hebben,
en de specifieke concepties over
onderwijsveranderingen. |
div 07/9/163po
|
De vijfpuntenschaal in
onderwijsonderzoek: De regel, maar ook in regel? S. De
Maeyer en J. Vanhoof Universiteit
Antwerpen Synopsis Bij
het ontwikkelen van vragenlijsten is de keuze of de constructie van
antwoordschalen een belangrijk aandachtspunt. Er wordt nogal eens gepleit
voor een vijf- of zevenpuntenschaal met middenpunt en met uitwijkmogelijkheid
(‘niet van toepassing’ of ‘weet niet’). Twee onderzoeksvragen omtrent
schaalgebruik staan centraal in deze poster: (1) is het verstandig om zowel
een middencategorie als een uitwijkcategorie op te nemen bij het gebruik van
een vijfpuntenschaal en (2) welke eigenschappen van de items maken dat
respondenten in de richting van de categorie ‘weet niet/niet van toepassing’
geduwd worden. De
onderzoeksresultaten leren dat het veronderstelde neutrale middenpunt van
vijfpuntenschalen enkel in het midden ligt van de schaal als de ‘weet
niet’-antwoorden uit de schaal weggefilterd worden. Met andere woorden, het
neutraal middenpunt ligt enkel werkelijk in het midden van de schaal indien
een afzonderlijke uitwijkmogelijkheid wordt opgenomen in de schaal. Daarnaast
concluderen we dat een aantal vormelijke kenmerken van items van invloed zijn
op de mate waarin respondenten de uitwijkmogelijkheid selecteren. Deze zijn het ‘niet van toepassing’-zijn
van het item voor een groep respondenten, een indirecte manier van bevraging,
de nood aan nuancering bij sommige items en de complexiteit van items. |
div 07/9/208po
|
Leerkrachtstijl,
betrokkenheid en sociale competentie: Een
exemplarische beschrijving van drie instrumenten als illustratie van het AANPAK
– PROCES - EFFECT - schema F. Laevers en B. Declercq Expertisecentrum Ervaringsgericht
Onderwijs-K.U.Leuven Ferre.laevers@ped.kuleuven.ac.be Synopsis In
deze poster worden exemplarisch drie instrumenten beschreven die voor het
AANPAK – PROCES – EFFECT - schema representatief zijn. Voor ‘proces’ betreft het
de Leuvense Betrokkenheidschaal, een 5-puntenschaal die zijn toepassing vindt
in een waaier van contexten en instrumenten – van de peuteropvang tot hoger
onderwijs, van peilinginstrumenten tot volgsysteem. In de poster wordt een
overzicht gegeven van eigen en internationaal onderzoek. Voor het aspect
‘aanpak’ wordt de Adult Style Observation Schedule beschreven waarin
tussenkomsten van volwassenen – in contexten van peuteropvang tot secundair
onderwijs – vanuit drie dimensies [stimuleren, sensitivity en autonomie
verlenen] worden beoordeeld. Voor het luik ‘effect’ wordt de Social
Competence Test beschreven, een instrument voor 3- tot 7-jarigen waarin op
basis van op video gepresenteerde poppenkastscènes gepeild wordt naar
rolneming, interpretatie van sociale interacties, voorspellen van gedrag en
adequaat interveniëren. |
div 12/3/179po
|
Kronos,
een instrument voor studietijdmetingen H. Schrooten en K. Vangeel Katholieke Hogeschool Kempen Synopsis Sinds
de decreten van 1991 en 1994 zijn universiteiten en hogescholen verplicht om
de studietijd per opleidingsonderdeel te begroten via studiepunten en om met
studietijdmetingen na te gaan of de feitelijk bestede tijd overeenkomt met de
begrote tijd. In deze poster stellen we Kronos voor, de webapplicatie die we
in de Associatie K.U.Leuven ontwikkelden voor de techniek van tijdschrijven.
Kronos voldoet aan drie doelstellingen: 1) Met het systeem kunnen op een
gebruiksvriendelijke manier gegevens over de studietijd verzameld worden; 2)
Kronos speelt in op de flexibilisering en 3) Het systeem zorgt voor
vergelijkbare studietijdgegevens. Dit academiejaar gebruiken bijna 40
opleidingen van zeven associatiepartners Kronos voor hun studietijdmetingen.
In de presentatie geven we resultaten van de afgeronde metingen en gaan in op
lessen die we trekken uit de proefprojecten. We ronden af met enkele
perspectieven voor verder onderzoek en ontwikkelingswerk. |
div 12/3/107po
POSTER PRESENTATIES REEKS 2
Í
Woensdag 1 juni van 10.45 tot 11.15u
en van 13.00 tot 14.00u
Í
16 posterpresentaties:
2. Professionalisering op maat van de
organisatie (div 02).
3. Vertrek en omzwaai in het hoger onderwijs
(div 04).
4. Herkennen van risicostudenten in het eerste
jaar exacte wetenschappen (div 04).
5. Digitale sTUdiekeuzecoach (div 04).
6. Competentiegericht onderwijs voor studenten
apotheker (div 04).
7. Onderzoek naar de invloed van de
leeromgeving op de academische vorming
(div 04).
8. Vormgeven aan competentiegericht leren in
de academische bachelor (div 04).
9. Feedback in het medisch onderwijs: Een
overzicht van relevante variabelen
(div 04).
10. Verschillen in leerstijlen van Chinese en
Nederlandse studenten (div 06).
11. Advisering bij het kiezen van leertaken
(div 06).
12. Competentieontwikkeling in juridisch
redeneren (div 06).
13. Bewegingsopvoeding als curriculaire en
extracurriculaire opdracht (div 08).
14. Vorming van basiscompetenties in de
intitiële lerarenopleiding (div 08).
15. De elektronische leeromgeving als
faciliterend medium bij onderwijsvernieuwing (div 09).
16.
Towards a framework for designing ICT-support
for reflective learning activities (div 09).
Í
|
Van Overheidsturing naar Governance: Prestatiesturing in het Nederlands hoger
onderwijs en de BVE-sector C. Teelken University of
Nijmegen W. van Esch CINOP Synopsis In
toenemende mate is er in het Nederlandse onderwijssysteem sprake van meer
prestatiesturing en gedecentraliseerde besluitvorming. Dit onderzoek geeft
weer hoe prestatiesturing in zijn werk gaat en welke actoren en relaties
tussen die actoren daarbij van belang zijn. Uit onderzoek blijkt dat
prestatiesturing gemakkelijk kan leiden tot onbedoelde en ongewenste
effecten. Een vergelijking van beleidsprogramma’s in andere landen toont aan
dat het succes van prestatiemanagement sterk afhangt van de wijze waarop dit
is vormgegeven. Afhankelijk van de omstandigheden, zoals aandacht voor de
complexiteit en het meervoudige karakter van onderwijsorganisaties, kan
prestatiesturing een zinvol en nuttig sturingsmechanisme zijn. |
div
02/7/96po
Professionalisering
op maat van de organisatie
J. Boon Open Universiteit Nederland M. van der Blij Universiteit Twente Synopsis Competentiemanagement
is onmisbaar voor succesvolle implementatie van onderwijsinnovatie. Het
project ‘Professionalisering op maat van de organisatie’ van de Digitale
Universiteit (DU) is bezig een instrument te ontwikkelen ter ondersteuning
van managers bij het ontwikkelen van professionaliseringsbeleid. Het
instrument is gericht op onderwijsinnovatie waarbij ICT een prominente rol
inneemt. Het instrument betrekt
nadrukkelijk contextkenmerken in termen van kansen en bedreigingen bij het vaststellen
van professionaliseringsbehoeften en mogelijke
professionaliserings-maatregelen op het gebied van ICT- en.
Innovatiecompetenties. Het instrument is gericht op het groepsniveau maar kan
ook worden ingezet op individueel niveau. |
div
02/7/41po
|
Vertrek en omzwaai in het hoger onderwijs U. de Jong, M. van Leeuwen, D. de Graaf en I. van
der Veen SCO-Kohnstamm Instituut, Faculteit der Maatschappij
en Gedragswetenschappen, Universiteit van Amsterdam Synopsis Hogescholen en universiteiten proberen invulling te geven
aan hun streven naar evidence based policy om de kwaliteit van het onderwijs
te verbeteren. Men doet daartoe steeds vaker een beroep op onderzoekers om
gegevens te verzamelen en te analyseren. Zo heeft de Haagse Hogeschool / TH
Rijswijk (HHS/THR) een onderzoek geïnitieerd met als hoofdvraag “Welke patronen bestaan er in het vertrek
uit een opleiding en/of instelling en zijn er mogelijkheden om dit vertrek te
voorkomen?”. Voor de beantwoording hiervan wordt gebruik gemaakt van
gegevens uit verschillende databestanden aangevuld met een enquête. Vragen
die in de posterpresentatie behandeld zullen worden, zijn: 1. Zijn
er verschillen in etniciteit, geslacht en vooropleiding tussen de groep
studenten die omzwaait binnen de hogeschool, de groep die vertrekt naar een
andere instelling en de groep die het hoger onderwijs verlaat? 2. Welk
deel van het vertrek uit de opleiding is vrijwillig dan wel gedwongen? Hoe
vergaat het studenten die met een propedeuse diploma naar de universiteit
zijn vertrokken? 3. Hoe
beoordelen omzwaaiers en vertrokkenen hun motivatie voor de opleiding en hun
ervaringen op de opleiding / instelling? 4. Zijn
er relaties tussen achtergrondkenmerken en studiemotivatie? 5. Welke
factoren worden er genoemd door (oud)studenten die de beslissing om te
stoppen of om te switchen hadden kunnen voorkomen? |
div
04/9/190po
|
Herkennen van risicostudenten in het eerste jaar
exacte wetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel, België W. Jacquet, E. Carette, G.
Sonck, en H. Eisendrath. Vrije Universiteit Brussel Synopsis De
opleidingen Bio-ingenieurswetenschappen, Biologie en Chemie aan de Vrije Universiteit
Brussel zijn sinds 2002 betrokken in een vernieuwingsproject voor het
ontwikkelen en implementeren van competentiegerichte onderwijs-,
begeleidings- en evaluatievormen in de eerste jaren Bachelor. Het project annex onderzoek wordt geleid door het
Zelfstudiecentrum Wetenschappen. In dit onderzoek wordt een eerste stap
ondernomen om de relatie tussen studentkarakteristieken en slaagkans te
onderzoeken. Een voorspellingsmodel werd opgebouwd op basis van verzamelde
studentgegevens (o.a. voorkennis en voorgeschiedenis wiskunde, leerstijlen
Vermunt). De methodologie en de resultaten worden in deze poster besproken. Het doel is om
een betere afstemming te bereiken tussen onderwijs-, remediërings- en
taakvormen, en de
studentkarakteristieken, door o.a. differentiatie naar doelgroepen en
individuen. |
div
04/9/144po
|
Digitale sTUdiekeuzecoach van de Technische
Universiteit Eindhoven J.J. Knoop, K.S. Ali en K.
Sijtsma Technische Universiteit
Eindhoven Synopsis Bijna een kwart van de eerstejaars studenten aan
de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) staakt zijn/haar studie in of na
het eerste studiejaar. Hiervoor bestaan verschillende verklaringen.
Opvallende uitkomst van de door de TU/e uitgevoerde satisfactiepeiling is dat
studenten aangeven zich onvoldoende te hebben voorbereid op de studiekeuze.
Het lijkt erop dat scholieren meer tijd steken in het selecteren van
bijvoorbeeld een nieuw mobieltje of een nieuwe MP3 speler. Je zou mogen
verwachten dat zij die tijd en aandacht ook besteden aan het keuzeproces van
een nieuwe vervolgopleiding. De TU/e ontwikkelt daartoe een online assessment
procedure, “digitale sTUdiekeuzecoach”, die Vwo scholieren moet ondersteunen
bij het maken van een gefundeerde studiekeuze. Naast de ontwikkeling van het
instrument wordt onderzoek gedaan naar het effect van de “digitale
sTUdiekeuzecoach” op instroom, studie-uitval en rendementen. |
div
04/9/26po
|
Competentiegericht
onderwijs voor studenten apotheker aan de Vrije Universiteit Brussel, België P.
Petit, A. Foriers en B. Rombaut Vrije
Universiteit Brussel Synopsis Typisch voor de filosofie van de VUB is het opleiden
van zelfstandig denkende apothekers. Van bij de start van de opleiding wordt
daarom, naast kennis en inzicht veel aandacht besteed aan het bereiken van
vaardigheden en attitudes. Belangrijk voor competentiegericht onderwijs, is
dat studenten niet enkel weet hebben van de algemene eindtermen, maar dat ze
tijdens hun onderwijs- en leertraject een concreet zicht hebben op de te
bereiken beheersingsniveaus. Het is dus nodig om op bepaalde tijdstippen in
de opleiding te checken welke competenties de studenten al bereikt hebben. De
eerste onderwijsvernieuwing was Probleemgestuurd onderwijs (PGO). Recent voerden we ook het zogenaamde ‘lijnproject’ in, startend in het
eerste jaar van de opleiding en doorlopend in de volgende jaren. Dit project
combineert de ervaringen uit het PGO én verbindt alle groepen van eindtermen
(geneesmiddel- en patientgerichte, én academische eindtermen). Het wil de studenten steunen om op het einde
van elk jaar te tonen welke eindtermen ze hebben bereikt. Portfolio wordt
gebruikt als verbindende schakel. Ook nieuwe evaluatievormen worden gebruikt.
|
div
04/9/21po
|
Drie Bèta
Bacheloropleidingen: Onderzoek
naar de invloed van de leeromgeving op de
academische vorming Jessica Steura,b, Ellen Jansena,
Anke van Trigtb en Miriam Ossevoortb a Universitair
Onderwijs Centrum Groningen, Rijksuniversiteit Groningen bFaculteit
Wiskunde Natuurwetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen Synopsis Is
de leeromgeving van invloed op de verwerving van academische vaardigheden,
zoals samenwerken, kritisch denken en probleem oplossen? Tweedejaars
studenten (n=125) van drie bacheloropleidingen levenswetenschappen (Farmacie,
Life Science & Technology en Biologie) hebben een vragenlijst,
samengesteld uit o.a. de Course Experience Questionnaire en de Intrinsic
Motivation Inventory, ingevuld. Het
eerste jaar van deze opleidingen met verschillende leeromgevingen is vergelijkbaar qua inhoud. De resultaten
van de analyses geven aan dat er een verschil is in de mate waarin studenten
de algemene academische vaardigheden hebben verworven. Verdere analyses laten
zien dat binnen de drie opleidingen verschillende aspecten van de
leeromgeving bijdragen aan de mate waarin algemene academische vaardigheden
worden verworven. |
div
04/9/100po
|
Vormgeven
aan competentiegericht leren in de academische bachelor: Een casestudy uit de biologie I. Tallon en H. Eisendrath Zelfstudiecentrum Wetenschappen (ZSCB), Vrije Universiteit Brussel Synopsis Het Hoger Onderwijs wordt
momenteel gekenmerkt door ingrijpende veranderingen. Een dominant gegeven
hierin is de verschuiving van kennisgericht opleiden naar competentiegericht begeleiden
en beoordelen. Hierbij stelt zich de vraag hoe het onderwijs kan worden
ingericht opdat het de student stimuleert tot, en begeleidt bij, het
verwerven van de nodige academische kennis en competenties. Deze bijdrage
geeft het relaas van de wijze waarop binnen een academische opleiding
competentiegericht onderwijs praktisch vorm wordt gegeven. Vanuit de bottom-up approach, d.w.z. ervaringen
en behoeften van het werkveld worden aangevuld met onderzoeksbevindingen uit
de literatuur, worden binnen bestaande onderwijsvormen en/of methodieken
aanpassingen aangebracht. De vernieuwing wordt ondersteund door
ontwikkelingsonderzoek. |
div
04/9/152po
|
Feedback in het medisch onderwijs: Een overzicht van relevante variabelen J.M.M. van de
Ridder Onderwijsinstituut,
UMC Utrecht K.M. Stokking Capaciteitsgroep
Onderwijskunde, Universiteit Utrecht Th.J. ten Cate Onderwijsinstituut,
UMC Utrecht Synopsis Feedback wordt als een belangrijk onderdeel
gezien van het onderwijsleerproces in het medisch onderwijs. Het is echter
niet precies bekend wat goede feedback is en welk effect feedback heeft. Om
de kwaliteit en het effect van feedback te kunnen onderzoeken is nodig dat
inzichtelijk wordt welke variabelen een rol spelen in het feedbackproces. Een
twee dimensionaal model probeert hieraan tegemoet te komen. Op de horizontale
as is het feedbackproces chronologisch
in zeven stappen uiteengezet. De verschillende factoren – feedbackgever, -ontvanger, -methode en omstandigheden
– staan op de verticale as. In de literatuur is gezocht naar relevante
variabelen in het feedbackproces. De gevonden variabelen zijn in de
resulterende cellen van het model ondergebracht. Mogelijke discussiepunten
zijn: (1) de wijze waarop de afhankelijke en onafhankelijke variabelen zijn
geclassificeerd, (2) de onderlinge relaties tussen de variabelen en (3) de
impact van deze variabelen op het feedbackproces. |
div
04/9/170po
|
Verschillen
in leerstijlen van Chinese en Nederlandse studenten H. Biemans & M. van Mil Leerstoelgroep Educatie en Competentie Studies,
Wageningen Universiteit Synopsis In
dit onderzoek is nagegaan in hoeverre de leerstijlen van Chinese studenten
verschillen van de leerstijlen van Nederlandse studenten. Deze studie is
uitgevoerd binnen de context van 3 Engelstalige BSc-programma’s die
Wageningen Universiteit samen met China Agricultural University aanbiedt aan
Nederlandse en Chinese studenten. In totaal hebben 16 Nederlandse studenten
en 25 Chinese studenten de Inventaris Leerstijlen (ILS) ingevuld. De Chinese
studenten blijken meer kenmerken te vertonen van een reproductiegerichte
leerstijl, terwijl de Nederlandse studenten als groep geen uitgesproken
leerstijl laten zien. Het is zinvol en wenselijk om met gerichte aanwijzingen
en oefeningen de Chinese studenten te laten ervaren hoe zij strategieën
gericht op diepteverwerking kunnen hanteren en hoe zij hun leerproces meer
zelf kunnen sturen in de richting van diepteverwerking. |
div
06/7/103po
|
Advisering
bij het kiezen van leertaken: Veilig op
weg naar vraaggestuurd onderwijs W.
Kicken, S. Brand-Gruwel en J. van Merriënboer
Open
Universiteit Nederland
Synopsis Binnen vraaggestuurd onderwijs speelt studentsturing een belangrijke rol. Echter niet alle studenten blijken even goed in staat te zijn hun individuele leertraject vorm te geven en de voor hen geschikte taken te selecteren. Studenten (met minder voorkennis) hebben vaak inadequate percepties van hun eigen competentieniveau en de leeromgeving verschaft de student vaak te weinig informatie om effectieve keuzes te maken. Binnen het project ‘Learner Control over Task Selection’ wordt dit dilemma tegengegaan door het verschaffen van advies aan de student bij het selecteren van taken. De advisering zal geleidelijk steeds minder directief of sturend worden, terwijl het aantal beschikbare taken, waaruit geselecteerd kan worden, zal toenemen. Studenten kunnen zich op deze wijze veilig ontwikkelen tot zelfgestuurde lerenden en steeds meer controle krijgen over hun eigen leertraject, met als einddoel totale studentcontrole. Tijdens de ORD zal een model gepresenteerd worden dat factoren en strategieën beschrijft die kunnen bijdragen aan optimaal gebruik van studentsturing over taakselectie. |
div
06/7/56po
Competentieontwikkeling in juridisch redeneren:
De rol van kennisontwikkeling en ontologische
verandering
F.E.R.M. Nievelstein, H.P.A. Boshuizen, F.J. Prins & P.C. Slangen Open Universiteit Nederland, Heerlen Synopsis Sommige rechtsdomeinen, met name
het privaatrecht, zijn zeer moeilijk te leren en te onderwijzen. Bevindingen van expert-gevorderde-beginneling
studies suggereren dat de ervaren moeilijkheden worden veroorzaakt door de
vereiste kennisstructuur die onlosmakelijk verbonden is met domeinspecifieke
redeneervaardigheden. Allereerst brengt juridisch redeneren een aantal
moeilijkheden met zich mee omdat vele verschillende principes en
rechtsgronden tegelijkertijd in overweging moeten worden genomen. Een volgende moeilijkheid is gerelateerd
aan het feit dat kennisstructuren van
beginnende rechtenstudenten nog incompleet zijn en voornamelijk bestaan uit
zwakke verbindingen tussen verschillende kennisconcepten. Deze eerste
methodologische studie heeft tot doel te onderzoeken op welke manier o.a. de
kwaliteit en uitgebreidheid van privaatrechtkennis van deelnemers met
verschillende expertiseniveaus verschilt. |
div
06/7/40po
|
Bewegingsopvoeding als curriculaire en
extracurriculaire opdracht van de brede school K. De Martelaer, P. De
Knop, M. Theeboom en S. Leblicq Vrije Universiteit Brussel Synopsis Het doel van deze bijdrage is de
functie van de flexibele leerkracht LO (FOLLO) in Vlaanderen en het
initiatief van ‘beweegmanagement’ in Nederland te bespreken, uitgaande van
‘good practices’. De evaluatie bestond zowel uit een kwalitatief als een kwantitatief
onderzoeksgedeelte. De kinderen die deelnemen aan de extra-curriculaire sportactiviteiten
zijn vooral diegenen die positieve ervaringen hebben met de les LO en die
zich ook reeds engageren tijdens andere naschoolse activiteiten, vooral
schoolsport en sportclub. De participanten, vooral uit het basisonderwijs,
zijn duidelijk tevreden over het aanbod, de wijze waarop het werd
georganiseerd en de manier van begeleiden. Zij verwachten een gevarieerd
aanbod met het accent op initiatie, aansluitend op de schooluren, met een
degelijke begeleiding waarbij voldoende tijd is om te oefenen en waarbij de
aanpak minder streng is dan tijdens de schooluren. |
div
08/12/166po
|
Vorming
van basiscompetenties in de initiële lerarenopleiding voor het werken in een
inclusieve setting S. Van Acker, G. Van Buynder en I. Van de Putte KaHo Sint- Lieven,
departement Synopsis Inclusief
onderwijs streeft er naar dat de reguliere school een school kan worden voor
alle kinderen. Dit
heeft onmiddellijk consequenties voor de leerkracht van het gewoon onderwijs.
Zij moet het namelijk waarmaken om les te geven aan al haar leerlingen, ook
de leerling met speciale onderwijsnoden. Het
onderzoek beoogt in eerste instantie na te gaan welke competenties de gewone
leerkracht moet verwerven zodat zij binnen een inclusieve setting kan
functioneren en of deze competenties worden aangebracht binnen de initiële
lerarenopleiding. We
vertrekken dan ook vanuit de ervaringen, belevingen en perspectieven van
studenten binnen de lerarenopleiding en leerkrachten die betrokken zijn bij
inclusief onderwijs. Via participerende observatie, observatieschema’s,
vragenlijsten en semi-gestructureerd interview willen we onze informatie
verkrijgen. Ieder
bekomen resultaat kan gebruikt worden ten aanzien van innovaties binnen de
eigen lerarenopleiding, zowel naar eigen visie toe als naar concrete
uitwerking. |
div
08/12/128po
|
IT Works?: De
elektronische leeromgeving als faciliterend medium bij onderwijsvernieuwing F.J. Nijland Universitair Onderwijscentrum Groningen (UOCG) Synopsis De
implementatie van een elektronische leeromgeving (ELO) is volgens Muntslag
(2001) pas geslaagd als deze structurele wijzigingen in het gedrag van
individuen en groepen bewerkstelligt, de zogenaamde derde orde verandering.
Toch is gebleken uit evaluaties van eerdere projecten (Pols, 2001, e.a.) dat
de implementatie van een ELO alleen niet voldoende is om dit voor elkaar te krijgen.
De implementatie van een ELO in combinatie met onderwijsvernieuwing zou
echter deze structurele gedragsverandering wel tot stand kunnen brengen.
Hierbij is de implementatie van de ELO geen doel op zich, maar werkt deze
veeleer faciliterend bij de voorgenomen vernieuwing. De vraag is dan ook in
hoeverre implementatie van een ELO in combinatie met onderwijsvernieuwing een
succesvolle derde orde verandering kan bewerkstelligen. Het onderzoek
hiernaar zal door middel van een poster gepresenteerd worden; feedback is van
harte welkom! |
div
09/6/215po
|
Towards a framework for designing ICT-support for
reflective learning activities in competency-based, multiprofessional
education: A
literature review I. Zitter Universiteit Utrecht, IVLOS, Expertisecentrum ICT in
het Onderwijs Synopsis This research aims to
result in ‘design knowledge, i.e. knowledge that can be used in designing
solutions to problems in the field in question’, in the form of a framework.
The framework is expected to be usable for educational designers or teachers
with experience in educational design. It should be suitable to assess and/or
design effective ICT-support for competency-based, multiprofessional
education. It is not the aim to design ‘The Ideal ICT-Support’. The aim is to
find guidelines which apply to ICT-support which effectively supports
(learning) activities in the above education. The proposed framework will be
developed iteratively. The results of the literature review presented here,
should support the main research activities which are carried out to develop
a first version of the proposed framework. |
div
09/6/116po