Toelichting op de toetsing

Per vraag is slechts één antwoordalternatief correct. De antwoordalternatieven bouwen verder op de verschillende stellingen.

  • Een juist alternatief aanduiden levert een positieve score op.
  • Er wordt bij de examens voor Onderwijskunde géén giscorrectie toegepast. Een foutief alternatief aanduiden levert 0 punten op.
  • Er wordt wel standard setting toegepast. Dit betekent dat je minstens 60% van de vragen correct moet beantwoorden op een examens om een score van 5/10 te krijgen en dus geslaagd te zijn. op die manier wordt gissen ontraden en kunnen de studenten zich wel volop concentreren op het optimaal aanpakken van het examen.  
  • Ongeveer de helft van de vragen peilen vooral naar het weet- en inzichtsniveau. De overige vragen peilen vooral de beheersing van de cursus Onderwijskunde op het toepassingsniveau. Je merkt dit vooral wanneer de stam van de vraag uitgebreid is en voortbouwt op voorbeelden, stukjes uit de media, een nieuwe theorie, ...
  • Let op met de stellingen. Ze kunnen waar en onwaar zijn. Gebruik de informatie uit stellingen dus niet ondoordacht bij het beantwoorden van vorige of volgende vragen.

 We geven hieronder een aantal voorbeelden.

Vraag 1

 “Calcul” is een nieuw softwarepakket waarmee jonge kinderen  leren rekenen.
Elke oefening begint met een visuele voorstelling van de opdracht; bijv. 7 blokjes worden één voor één opgestapeld en dan worden er twee weggenomen. Dan verschijnt de oefening 7 – 2 = ? Proberen de kinderen een ander getal dan 5 in te tikken dan lukt dat niet. Na twee foute pogingen verschijnen 3 mogelijke antwoorden en mag het kind er één van aanklikken. Bij elke nieuwe poging (juist of fout) wordt de oefening opnieuw geanimeerd zoals bij de aanvang van de oefening.
Na het aanklikken van het juiste antwoord krijgt het kind een nieuw puzzelstuk waarmee hij/zij op het einde van de oefenreeks een leuke prent kan samenstellen op het scherm.
Lukt het – ondanks hulp - echter niet om het juiste antwoord aan te duiden na twee pogingen, dan wordt een puzzelstukje weggenomen.

Beoordeel nu een aantal stellingen die “calcul” benaderen vanuit een behavioristische hoek:

  1. Skinner zou tegen de manier zijn waarop kinderen verder werken na de eerste twee foute pogingen.
  2. Het tonen van drie mogelijke antwoorden en de erop volgende animaties zijn een voorbeeld van “shaping”.
  3. Het geven of wegnemen van een puzzelstukje past in de reinforcement-benadering die Skinner voorstelt.
  4. De manier waarop gereageerd wordt op juiste en foute antwoorden is een juiste toepassing van de “law of effect”.

Kies één van de volgende alternatieven:

A.    Alleen stelling 1 is correct.
B.    Alleen stelling 2 is correct.
C.
    Alleen stelling 3 is correct.
D.
    Alleen stelling 4 is correct. 


Vraag 2

Lees de volgende paragraaf zeer aandachtig:
De “Fischer Geheugencursus” belooft in 4 weken je geheugen optimaal te trainen.
Er staan adviezen in die aansluiten op specifieke oefeningen. Een aantal voorbeelden:
Advies 1: Het aan elkaar koppelen van informatie vergemakkelijkt het onthouden ervan. Dat oefent u met het denknet.
Advies 2: Iets nieuws is nog gemakkelijker te onthouden, wanneer u het met de reeds beschikbare kennis verbindt.
Advies 3: Een methode om woorden te onthouden is ze rangschikken in categorieën.

Lees en beoordeel nu de volgende stellingen:

  1. Advies 1 sluit aan bij de suggesties die gegeven zijn bij ‘schemaverfijning’.
  2. Advies 2 pleit voor het verbinden van ‘episodes’.
  3. Advies 3 komt overeen met het aanbieden van ordeningsstructuren.
  4. Alle drie de adviezen ondersteunen de elaboratie.

Kies één van de volgende alternatieven:

A.    Alleen stelling 1 is correct.
B.    Alleen stelling 2 is correct.
C.    Alleen stelling 3 is correct.
D.
    Alleen stelling 4 is correct.

 

Vraag 3

Bij het thema “instructional design” hebben we zeer grote nadruk gelegd op het IDI-model. Dit model hebben we ook geïllustreerd met voorbeelden. Lees de ontwerpaanpak die beschreven wordt in de volgende paragraaf.

NV Polylearn is een bedrijf dat trainingspakketten ontwikkelt voor vrije beroepen: advocaten, artsen, notarissen,… Naar aanleiding van de nieuwe wetgeving bij “privaatrecht” is er dringend behoefte aan een efficiënt trainingspakket voor advocatenkantoren.
NV Polylearn gaat aan de slag. Een projectteam werkt een plan uit.

Beoordeel nu de volgende stellingen die de stappen / beslissingen in hun ontwerpaanpak situeren binnen het IDI-model:

  1.  Een rondvraag bij diverse advocatenkantoren wijst uit dat vooral zelftoetsing moet geïntegreerd worden in het trainingspakket. Dit past bij stap 2.
  2. NV Polylearn stelt een projectleider aan die het project zal coördineren. Dit hoort bij stap 1.
  3. NV Polylearn zet een voorstudie op om de beste keuze te maken voor wat betreft didactische werkvormen. Dit hoort bij stap 3.
  4. Er wordt beslist om een aantal gastauteurs uit de juridische en academische wereld in te huren die het trainingspakket in een eerste ronde zullen testen. Dit hoort bij stap 7.

Kies nu één van de volgende antwoordalternatieven:

A.    Alleen stelling 1 is correct.
B.    Alleen stelling 2 is correct.
C.
    Alleen stelling 3 is correct.
D.
    Alleen stelling 4 is correct.



© Martin Valcke 2012