1.
vrijworp na het verstrijken van de speeltijd
Wanneer na het fluitsignaal voor het einde van een speeltijd.(of een
verlenging) nog een vrijworp moet uitgevoerd worden, is het wisselen van
spelers niet meer toegelaten, met uitzondering van een speler van het team
dat de worp gaat uitvoeren. Bovendien moeten
alle spelers hierbij
op min. 3 meter afstand van de balbezitter staan (dit geldt dus zowel voor
de medespelers van de werper als voor de spelers van de tegenpartij)
Het oogmerk hiervan is, de uitvoering van zulke vriiworpen
te versnellen en te vermijden, dat een tros van spelers van het team dat
de worp mag uitvoeren poogt de uitvoering te camoufleren. Zoals het tot
nu toe is, is het alleen aan de spelers van het verdedigende team toegelaten
zich binnen hun 9 m-lijn op te houden. Voor een vrije worp van op een grotere
afstand moeten de scheidsrechters letten op overtredingen door beide teams,
die om posities op 3 m afstand kampen.
2. De scheidsrechters zijn niet langer verplicht bij het
toekennen van een 7 m-worp time-out te geven.
In plaats van de verplichte time-out wordt van de scheidsrechters
verwacht dat zij volgens hum eigen oordeel eerst dan time-out geven, wanneer
het om een essentiële vertraging van de uitvoering van een 7 m-worp
gaat (bijvoorbeeld, wanneer de doelverdediger of de werper gewisseld wordt),
en het tijdverlies voor één van de teams nadelig zou zijn
Zoals gebruikeliik zijn het de stand van het spel (score),
de resterende speeltijd, en het feit dat een speler van een der teams een
tijdelijke uitsluiting moet uitzitten, allemaal factoren die het oordeel
van de scheidsrechters kan beïnvloeden.
Als er twijfel bestaat , wordt aangeraden time-out te
geven.
3. Wanneer de tijdopnemer (of de gedelegeerde) fluit, in het
algemeen voor een team time-out of een wisselfout, moet hij gelijktijdig
de elektronische muurtijdklok (of de tafel - of handchronometer)
stilzetten, zonder op een signaal of een bevestiging van de scheidsrechter
te wachten.
Het oogmerk is te vermijden dat, wanneer de scheidsrechters
het signaal van de wedstrijdtafel niet zouden horen de tijdklok blijft
verder lopen, alhoewel elke handeling na het fluitsignaal van de wedstrijdtafel
ongeldig is.
Er dient genoteerd te worden dat deze nieuwe regel in
deze situaties in zekere zin de tijdopnemer (gedelegeerde) de beslissingsmacht
geeft over de speeltijd in plaats van aan de scheidsrechters, die in andere
gevallen steeds het laatste woord hebben. In deze situaties kunnen de scheidsrechters
slechts dan ingrijpen, wanneer ze bijvoorbeeld vastgesteld hebben, dat
de officiële tijdklok niet juist op het ogenblik van het fluitsignaal
werd stilgelegd.
Wanneer echter in tegengesteld geval de scheidsrechters
het fluitsignaal niet gehoord hebben, moeten zij de hulp van de tijdopnemer
(gedelegeerde) krijgen, om te kunnen bepalen wat, op het ogenblik van het
fluitsignaal, de situatie op het speelveld was.
4. Het maximum aantal spelers van een team wordt van 12 op 14
gebracht.
Deze wijziging vraagt niet veel verduidelijking.
14 spelers waren reeds in de voorbije jaren toegelaten
bij IHF organisaties.
Vele nationale federaties hebben deze spelregelwijziging
reeds sinds enige tijd getest. Het is op basis van de algemene positieve
ervaring dat deze regel werd veranderd.
5. Als een speler die niet op het wedstrijdformulier ingeschreven is
het speeloppervlak betreedt, heeft dit van nu af, zoals het ook bij met
sportieve houding het geval is, een progressieve bestraffing van de "teamverantwoordelijke"
ten gevolge.
Tot nu toe werd de speler, die het speeloppervlak betrad,
gediskwalificeerd. Dit werd niet beschouwd als een gepaste bestraffing
voor een administratieve fout. en het is dan ook belangrijk die persoon
te bestraffen, die eigenlijk voor het vermijden van zulke fout verantwoordelijk
zou moeten zijn. Hetzelfde geldt, wanneer de "teamverantwoordelijke niet
borg kan staan voor het feit dat zich slechts de ingeschreven teamofficials
en de tot deelname gerechtigde spelers in de wisselzone bevinden.
6. Zichtbare “piercings” zijn toegelaten, als ze zoals platte
ringen kleine oorringen met een kleefpleister kunnen afgedekt worden.
"Piercings" op het lichaam zijn ondertussen tot een bijzonder
probleem in verband met "gevaarlijke voorwerpen" geworden. Dit zijn in
het bijzonder "piercings" die voor een andere speler gevaarlijk kunnen
worden. d.w.z. niet die op de tong of onder de kleding.
Zichtbare "piercings" zijn niet toegelaten, wanneer zij
niet afgedekt zijn.
7. uitworp na cirkelfout door de aanvaller
Als een speler van het aanvallende team het doelgebied betreedt (of
bij balcontact in het doelgebied) wordt het spel hernomen met een uitworp.
De doelverdediger kan dus de worp van op elke plaats in zijn doelgebied
uitvoeren.
Situaties, waarbij de aanvaller het doelgebied heeft
betreden (of de bal in het doelgebied heeft aangeraakt) en een vrije worp
voor de tegenstander heeft veroorzaakt, leidden in het verleden tot ongewenste
vertragingen of correcties, omdat de doelverdediger zich naar een bepaalde
plaats buiten het doelgebied moest begeven, om de vrije worp uit te voeren.
Er moet op gelet worden dat, in vergelijking met de strengere
spelregels bij de uitvoering van een vrije worp, alle flexibiliteit die
gepaard gaat met de spelregel over een uitworp aan de dag wordt gelegd.
(Er is geen reden om de herneming van het spel door een vrijworp te laten
gebeuren, wanneer de bal zich op het ogenblik van het fluitsignaal buiten
het doelgebied bevindt. Het hernemen van het spel gebeurt dan door een
uitworp.)
8. De spelregel met betrekking tot gevaarlijke acties ,die leiden tot
een diskwalificatie, slaat eigenlijk op sterke en gewelddadige acties.
Er wordt nu een "Toelichting" ingelast, om te benadrukken dat relatief
kleine overtredingen ook zeer gevaarlijk kunnen zijn, en wel op het ogenblik
waarin de tegenstander weerloos is.
De ervaring heeft meer en meer aangetoond dat kwetsuren
ontstaan na relatief gering lichaamscontact. wanneer de speler die de fout
begaat de actie uitvoert op het ogenblik dat de tegenstander, bijvoorbeeld
bezig is met een sprong of zich al lopend in een snelle tegenaanval bevindt.
Of meer algemeen, wanneer hij de actie niet van te voren kan zien en zich
daardoor ook niet kan beschermen. De scheidsrechters moeten er op letten
al deze situaties te integreren bij deze die tot een diskwalificatie kunnen
leiden.
9.Wanneer de bal het plafond of een bevestiging aan het plafond
boven het speeloppervlak raakt, volgt het hervatten van het spel met een
inworp door dat team, dat de bal niet als laatste aangeraakt heeft.
De inworp wordt van de meest nabij gelegen plaats en zijlijn waar de bal
het plafond raakte, uitgevoerd.
In 2001 werden de spelregels zo gewijzigd dat het spel,
wanneer de bal het plafond raakte, principieel met een vrije worp werd
hervat. De ervaring met deze regel heeft aangetoond, dat daardoor onopzettelijk
en oneerlijke opstellingsvoordelen kunnen ontstaan. Een inworp geeft nu
aan het verdedigende team de mogelijkheid hun posities op correcte wijze
in te nemen.
10. Na de uitvoering van een uitworp mag de werper de
bal eerst dan weer aanraken, nadat deze van het doel van de tegenstander
terugbotst.
Deze regel werd slechts ingevoerd, om een leemte in de
spelregels op te vullen. De equivalente spelregel bestaat voor een vrije
worp, 7 m-worp, inworp en beginworp en er werd steeds beoogd, dit eveneens
voor een uitworp te laten gelden. Maar dit werd nier duidelijk opgenomen
in de spelregels.
11. Tijdelijke uitsluitingen (en definitieve uitsluitingen) kunnen
nu ook bij overtredingen in de pauze na de eerste speelhelft of
andere onderbrekingen (bv. voor of tussen de verlengingen) opgelegd worden.
Overeenstemmende bepalingen werden ook toegevoegd voor overtredingen tijdens
beslissingen zoals 7 m-worpen na verlengingen.
Voor enkele jaren, toen de spelregels voor tijdstraffen
voor overtredingen buiten het speelveld gewijzigd werden, werd over het
hoofd gezien de regels uit te breiden voor tijdstraffen (en definitieve
uitsluitingen) bij overtredingen tijdens de pauze na de eerste speelhelft.
Actueel is de volgende stap na een gele kaart een diskwalificatie, wat
echter niet als wenselijk wordt beschouwd.
12. Een diskwalificatie tijdens de laatste minuut van de wedstrijd,
wanneer het in fout zijnde te bestraffen team niets ontziend een "vrije
doelkans" van de tegenstander (zoals in spelregel 14 beschreven) of tenminste
een goede positie voor een worp naar het doel poogt te verhinderen, en
wanneer dat mogelijke doelpunt wedstrijdbeslissend zou kunnen zijn (overwinning,
gelijkspel of nodig doelpuntenverschil), moet door de scheidsrechters na
het einde van de wedstrijd in een verslag opgenomen worden.
Zo kan de verantwoordelijke commissie tegen de speler
die de fout beging verdere stappen ondememen. Er bestaat een zeer duidelijke,
betreurenswaardige tendens in die richting, dat spelers in de hierboven
beschreven situaties zeer cynisch optreden. Zij stellen de tegenspeler
met alle middelen buiten gevecht, om hem de laatste kans op een doelpunt
te ontnemen, met de bedoeling een doelpunt te verhinderen. Zij nemen er
in deze laatste fase, zonder schroom, een diskwalificatie boven op.
Wanneer echter uniform een verslag opgemaakt wordt, en
de speler een meerdere weken durende schorsing te wachten staat, zou dit
een ontmoedigende invloed kunnen hebben.
Dit zou zeer belangrijk zijn voor het begrip van fair-play
en de ethiek van onze sport.