lachen is gezond

Walter S. Gibson wees terecht op de humor als sleutelelement in het werk van Pieter Bruegel de Oude en zijn aandacht voor Jan Mandijn of Peeter Baltens zou best eens wat beter uitgewerkt mogen worden door kunsthistorici. Het verband met François Rabelais of Erasmus dat Gibson aanhaalt zijn geen losstaande feiten. Evenmin als de rederijkers en hun cluchtenboeken.

7 pechez droleries

Gibson citeert Christoffel Plantijn die de 7 hoofdzonden van Bruegel 7 pechez droleries noemt.

Herman Pleij en Mihkail Bakhtin wezen terecht op de komische volkscultuur. Maar er is meer namelijk het studentikoze genre zoals de neolatijnse kluchten Clericus eques (1534) van Johannes Placentius (Jan de Zwanzer) uit Sint-Truiden of werk van de Antwerpse kapucijn Livinus Brechtus. Een ander voorbeeld is Pisander bombylius (1540) van Arnoldus Madirus. Ook aan Macropedius Rebelles (1535) mag niet voorbij gegaan worden. Ook de Miles Christianus (1565) naar aanleiding van het boek Enchiridion militis christiani leverde stof tot grimlachen onder de scholieren met de allegorische figuren en de Christenridder. Een later voorbeeld vormt de neolatijnse schrijver Cornelius Schonaeus (Gouda, 1540 - Haarlem, 23 november 1611) die geboren werd als Cornelis Schoon. Mag het toeval heten dat Henricus Bebelius zowel auteur van Latijnse repertoria van Duitse spreekwoorden als van Een nyeuwe clucht boeck (1554 te Antwerpen met herziene uitgave in 1576) blijkt?

Het eeuwenlange succes van de schelmenroman of de picaresque roman tot en met de 17de eeuwse literatuur van Charles Sorel, Paul Scarron, Antoine Furetière of Cyrano de Bergerac is het beste bewijs dat dergelijke humor in de smaak viel. Francion werd vertaald als Vrolijke Fransje.

Toch blijft het uitkijken met humor in de kunstgeschiedenis. Context is cruciaal.