FYSIOLOGIE DEEL 2

Terug naar hoofdpagina

BLOEDSOMLOOP

25-01-2002

TERMEN EN AFKORTINGEN

- wand van bloedvat: de adventitia bestaat uit bindweefsel (bw)
- ectopische prikkel = prikkel die ontstaat op een abnormale plaats, dus niet in het prikkelgeleidingssysteem van het hart
- extrasystole = voortijdige contractie van het hart als gevolg van een abnormale prikkelvorming
- isovolumetrisch = bij gelijkblijvend volume (er stroomt geen bloed in het hart, en ook niet uit het hart)
- precapillaire sfincter = circulair glad spierweefsel in de wand van een metarteriole. Het kan zo sterk samentrekken dat het lumen van dit bloedvat helemaal dicht gaat, vandaar de benaming "sfincter" (= sluitspier)
- hypovolemie: te gering bloevolume

INHOUDELIJKE VRAGEN

- structuur bloedsomloopstelsel:
er zijn 2 harten in serie, en beide moeten dezelfde hoeveelheid bloed uitpompen per minuut, anders is er een probleem ! bv wanneer het linkerhart door ziekte niet in staat is voldoende bloed te pompen is er een opstapeling van bloed in de kleine (pulmonale) circulatie, de veneuze druk stijgt, en dit geeft problemen bij de capillaire uitwisselingen ter hoogte van de longen, waardoor vocht in de longalveolen kan filtrereren.

- hartklepfunctie: de papillaire spieren zijn verbonden met de slippen van de atrioventriculaire kleppen, via de chordae tendineae. Op deze manier kunnen de kleppen niet overslaan in de richting van de voorkamer tijdens de contractie van de ventrikel. De klep kan dus maar in één richting opengaan.

- hartcyclus: Om de hartcyclus te begrijpen moet men weten:
1. hoe de hartkleppen werken: ze openen en sluiten passief, volgens de drukgradient over de klep, en ze kunnen maar in 1 richting open.
2. de veranderingen in druk in de hartholte zijn het gevolg van contractie en relaxatie van de hartspier: een vloeistof (bloed) is niet samendrukbaar.
De prikkel tot contractie ontstaat in de sinusknoop (gelegen in de wand van de rechter voorkamer), en wordt dan voortgeleid naar de andere delen van het hart over het geleidingssysteem: daarom trekken eerst de atria samen, en nadien de ventrikels.
Tijdens de contractie van de atria stijgt de druk in de atria, omdat het bloed samengedrukt wordt door de contractie van de hartspier. De druk in de voorkamer wordt iets groter dan in de kamer: de mitralisklep is open, en het bloed stroomt van atrium naar ventrikel
Tijdens de contractie van de ventrikel stijgt de druk in de ventrikelholte, van zodra de druk groter wordt in de ventrikel dan in de voorkamer sluit de mitralisklep, het bloed kan niet terugstromen naar de voorkamer (de klep gaat niet open in deze richting). Zolang de druk niet groter wordt dan 80 mm Hg kan het bloed niet weg, het kan niet terug naar de voorkamer en het kan ook niet naar de aorta (de aortaklep is gesloten zolang de druk in de aorta groter is dan in de ventrikelholte) : daarom is deze fase isovolumetrisch (gelijkblijvend volume) .
Van zodra de druk iets groter wordt in de ventrikel dan in de aorta, gaat de aortaklep open, en stroomt het bloed uit het hart (ejectie): in deze fase is de druk in het hart en in de aorta gelijk, (want het zijn communicerende vaten)
Wanneer het hart relaxeert (einde contractie), wordt het bloed niet meer samengedrukt en daalt de druk in de ventrikelholte; de druk daalt iets sneller in de ventrikel dan in de aorta, van zodra de druk lager is in de ventrikel dan in de aorta, keert de drukgradient over de aortaklep om, en de aortaklep sluit ; volgt een isovolumetrische fase, etc ..
- harttonen ontstaan bij het sluiten van de kleppen. Hartgeruisen ontstaan door turbulenties in de bloedstroom. Dit kan het geval zijn bij gezonde personen, of bij personen met klepafwijkingen (bij kleppen die slecht openen, of slecht sluiten)

- contractiekracht van de hartspier: effect van rekking van de ventrikel op de contractiekracht: De figuur toont de kracht ifv de tijd in rust en tijdens een contractie. Wanneer de hartspier uitgerekt wordt vooraleer het begint te contraheren, is de spanning in rust groter, daarenboven is ook de toename van de kracht tijdens de volgende contractie groter dan voorheen.

- diastolische bloeddruk: waarom valt de arteriële bloeddruk niet tot nul tijdens de diastole van het hart? omdat de wand van de aorta, die uitgerokken werd tijdens de systole, tijdens de diastole door zijn elasticiteit terug keert naar zijn oorspronkelijke stand, daardoor wordt het bloed in de aorta samengedrukt, en valt de druk niet tot nul.

- orgaandoorbloeding : de perfusiedruk is de bloeddruk in het bloedvat dat het bloed naar een bepaald orgaan leidt. Het is de druk waarmee een bepaald orgaan wordt "geperfuseerd" .

- Tonus arteriolen : effect van spierarbeid
Tijdens arbeid treden veranderingen op in de werkende spieren die een "vaatverwijdend" effect hebben (toename van de temperatuur, melkzuur etc), dit is gunstig want het bevordert de doorstroming van de spieren.
Maar tijdens inspanning neemt ook de activiteit toe van het orthosympathisch zenuwstelsel (OS), en dit heeft een"vaatvernauwend" effect (neurogeen, via de neurotransmitter noradrenaline)
vraag: is dit tegenstrijdig ?
antwoord: neen, de twee fenomenen treden op maar in andere vaatgebieden, de vaatverwijding is in de actieve spieren, de vaatvernauwing is in de nieren, het maag darm stelsel .. Dit leidt tot een herverdeling van de bloedstroom.

- Osmose: wat is het verschil tussen osmose en filtratie ?
Filtratie is de verplaatsing van vocht doorheen een membraan als gevolg van een verschil in hydrostatische druk
Osmose is de verplaatsing van vocht doorheen een membraan als gevolg van een verschil in osmotische druk. Een verschil in osmotische druk ontstaat wanneer de concentratie van de opgeloste deeltjes langs de 2 zijden van de membraan verschillend is, op voorwaarde dat de membraan niet permeabel is voor deze deeltjes. Wanneer het verschil in osmotische druk te wijten is aan een verschil in de concentratie van eiwitten spreekt men van "colloïd osmotische druk. De vloeistof aangezogen door de meest geconcentreerde oplossing, de verplaatsing van de vloeistof "verdunt" de meest geconcentreerde oplossing

- Capillaire uitwisselingen:
De uitwisseling gebeurt tussen het bloed (in de capillair) en de interstitiële vloeistof doorheen de capillaire wand. De hydrostatische druk is 30 mm Hg in de capillair, en 0 interstitieel: er is dus een drukgradiënt voor filtratie van vloeistof van capillair naar interstitium. Er is ook een verschil in osmotische druk, want er is een stof, die niet doorheen de capillaire wand kan diffunderen, en die een verschillende concentratie heeft langs de 2 kanten van de capillaire membraan: de eiwitten. Aangezien de concentratie van de eiwitten groot is in het plasma, en klein in het interstitium, wordt vloeistof aangezogen van interstitium naar capillair. De krachten die op de vloeistof inwerken zijn dus tegengesteld. Aangezien de gradiënt voor de hydrostatische druk (30 mm Hg) groter is dan voor de osmotische druk (25 mm Hg), is het resultaat een verplaatsing van vocht van capillair naar interstium.
Langs de veneuze kant van de capillair zijn de waarden verschillend, hier is de osmotische drukgradiënt (25 mm Hg) groter dan de hydrostatische drukgradiënt (20 mm Hg) en het resultaat is hier dus een verplaatsing van vocht van interstitium naar capillair: aldus wordt het weefselvocht naar de bloedbaan afgevoerd. Ditzelfde vocht wordt echter ook voor een deel afgevoerd via de lymfevaten (pag 42). Dit is een systeem van vaten dat weefselvocht draineert en uitmondt in de vena subclavia.

- lymfatisch systeem: het lymfevocht (intercellulaire vloeistof) wordt gedraineerd via de lymfecapillairen, die samenvloeien in steeds grotere lymfevaten die uiteindelijk uitmonden in de vena subclavia en in de vena cava. Aldus komt de lymfe terecht in de bloedbaan. De hoeveelheid intercellulaire vloeistof die op deze manier gedraineerd wordt bedraagt ongeveer 3 liter/dag. De wand van de lymfecapillairen bevat grote openingen tussen de cellen, deze openingen laten grote moleculen zoals eiwitten door (dit is niet het geval voor de capillairen van de bloedsomloop).Ook andere grote partikels, zoals bacteriën, en zelfs weefselcellen (tumorcellen) kunnen langs deze weg gedraineerd worden. Ze geraken niet noodzakelijk tot in de bloedbaan, omdat op het verloop van de lymfevaten lymfeknopen voorkomen, die als een filter werken, en potentieel schadelijke stoffen tegenhouden. Afvoer weefselvocht: ductus (d) thoracicus, vena (v) subclavia), vena (v) cava

- Snelheid van de bloedstroom: wanneer een bepaalde hoeveelheid vloeistof per eenheid van tijd door een dikke buis stroomt, is de snelheid van deze stroom kleiner dan wanneer ze door een dunne buis stroomt. Dit is het geval in de circulatie: de dwarse doorsnede (oppervlakte) van 1 capillair is natuurlijk veel kleiner dan deze van de aorta, maar de dwarse doorsnede van alle capillairen samen is 1000 maal groter dan deze van de aorta.
 

Terug naar hoofdpagina