BENN

Books of En Route

 

 

 

 

 






welcome portfolio dancing being publication contact

 

 

 

  Trap  
   

Dames en Heren,

Van bij zijn ontstaan wordt de mens geconfronteerd met levensgrote gevaren.
Vanuit de kosmos: de waanzinnige hitte van sterren, de absolute koude van kometen, de gigantische inslagkracht van asteroïden. Door zijn planeet, de aarde, door zijn hoogsteigen moeder: de verwoestende kracht van haar rivieren van vuur, de explosies in haar vulkanen, de vloedgolven van haar oceanen, de vernietigende wervelingen van haar atmosfeer. En tenslotte gevaren, fatale gevaren, die uitgaan van hemzelf. Geen groter vijand kent de mens dan zichzelf. Nooit valt hij met zichzelf samen, altijd is hij op zoek naar zijn ware zelf. Zo is zijn cultuur:  hij vergist zich, hij faalt, en zijn woede kent geen grenzen. Harmonie is zeldzaam, razernij is gewoon. Geen dier is wreedaardiger voor zijn soortgenoten dan de mens die zichzelf verloren heeft, die zichzelf nog niet heeft gevonden. Wat moeten wij doen als de pijn van ons zijn in ons bewustzijn uitbreekt?

Wij kunnen verontwaardigd zijn. Maar de ethiek, ons streven naar wat goed is in ons en voor onze medemensen, brengt ons geen rust. Wij aarzelen, wij twijfelen. En onzekerheid is ons lot. Wij kunnen proberen de wereld te kennen, we kunnen haar verkennen om haar te beheersen. Maar geen kennis volstaat en geen weten kan ons bevrijden van de fataliteit van onze feiten. En misschien kunnen we liefhebben. Maar geen liefde is volhardend en deskundig genoeg om standvastig te zijn, om tegen zijn tijd bestand te zijn. Nee: in onze rusteloze tijd, in tijden van onrust richten wij de blik op oneindig. In tijden van paniek: meditatie. Kunst is het vermogen van de mens de werkelijkheid onder ogen te zien, ze scherp in het oog te houden, en niettemin niet verblind te worden. Bijvoorbeeld dus: voorbeeldig mediteren, blijvend, over de rusteloosheid van de tijd. En zijn inhoud. Over de dingen in de tijd. Over hun gevaarlijkheid. En hun bevreemdend karakter: hun mysterie. En de zin van hun sprakeloosheid. Op vele manieren. Op heel diverse manieren. Zoals nu, hier, in deze beeldende gedachten, in de fotografische weerspiegelingen en beschouwingen van Karel Fonteyne en Benn Deceuninck. Met ‘Pistoleros’ en met ‘De Stilte van het Licht’.

De strijd, die diep gemeend is, kent geen einde dan in de uitputting waarbij iedereen wordt neergelegd. De wapens neemt men op voor alles wat ernstig genomen wordt. En de meeste dingen hebben hun ernst. Achteraf pas is de wereld komisch. Of worden wij een beetje stil. En zien wij dat de pistolen waarmee we mekaar doodgeschoten hebben, slechts dode takjes zijn. Zorgvuldig verzameld, samen neergelegd, en met poëzie gedocumenteerd. Zo krijgen wij de kans te zien wat wij nooit echt goed zagen: de belachelijkheid van ons geweld. Met de waarschuwing: de bank kan failliet gaan, maar ‘The Factory never stops’, zoals je in het begeleidende boek kan lezen. Dat is dan één van de vele manieren waarop je de wereld, die vaak onverdraaglijk is, op afstand kan houden. Zolang je het genoegen hebt te mogen kijken. Zonder de aanvechting te krijgen dan toch maar echte revolvers te trekken en te gaan schieten in het wilde weg. Dat doe je beter niet. Want het haalt echt niets uit. Wat overblijft van gewelddadige oplossingen, altijd opnieuw, zijn inderdaad enkel kromme stokjes en dode twijgjes. Met veel stekels. ‘In tijden van paniek dus: mediteren’. In dit geval: verbeten kijken.

schaduw


Maar het kan, hetzelfde, ook helemaal anders. Bij Benn Deceuninck is de menselijke dwaasheid en haar onvergeeflijke ellende natuurlijk niet verdwenen, maar ze zijn niet meer zichtbaar. Als er al allusies gemaakt worden op onze afgronden zijn die echo’s van heel ver weg. Bijna onhoorbaar. En wat zien we dan? Iemand moet ooit eens beweerd hebben dat hoe langer je naar de dingen kijkt, hoe mooier ze worden. Benn is het om die dingen te doen, om alles wat hem bijzonder treft. Daar staat hij, letterlijk, bij stil. Daar blijft hij stilstaan. Daar verstilt hij. En krijgt het beeld zijn essentie, zijn tot abstractie verheven concreetheid, of het nu om mensen, dingen, landschappen, stadsgezichten of gewoon om een steen gaat. Met die houding, die er een van overgave is –niet van weerstand, zoals daarnet – kan een leven doorlopen, een heel leven gedocumenteerd worden. Door de aandacht te vestigen op, door ze vast te houden en zo de dingen te zien die voorbij getrokken zijn en hun spoor van licht hebben nagelaten. Vandaar het boek, dat –zo is dat gepland – nog tijdens de tentoonstelling beschikbaar zal zijn: teksten die uitnodigen tot meditatie en vooral beelden die beklijven, die blijven hangen in een geheugen dat het dankbaar herinneren niet kan laten. Mediteren dus, tot alle tijd voorbij is.
           
Beiden zijn nadenkende fotografen. Samengevat: de foto’s van Karel Fonteyne staan hier op aarde – op het gelijkvloers dus – en die van Benn Deceuninck  - op de eerste verdieping dus – gericht op een of ander punt op oneindig. Ergens hoog weg. Het contrast tussen beide exploraties kan moeilijk groter zijn. En toch hebben ze veel gemeen: de zorgvuldigheid, de deskundigheid, de liefde voor het vak, de vasthoudendheid in het kijken, in het voelen en het denken.
           
Dames en Heren,
Laten we onze weg gaan en naar het stuk van de wereld kijken, naar de menswaardige wereld, die wij hier ten geschenke kregen. Alsof het bestaan dat wij hebben en de dingen die daarin zijn, voor ons bedoeld waren.

Karel Boullart

n.a.v. de tentoonstelling in Art Track, november 2008

  
      
         

hoek    
   

THE SILENCE OF LIGHT
photographic takes of forgotten meditations



DE STILTE VAN HET LICHT
fotografische opnamen van vergeten meditaties

  lezende vrouw  
    … foto’s van Benn Deceuninck en meditatieve, beschouwelijke teksten van de filosoof Karel Boullart naast elkaar geplaatst, in een weliswaar los maar niettemin hecht verband:
beschouwelijke beelden die men lang kan bekijken en teksten die, naar de mening van de auteur, die foto’s inleiden zonder dwingende interpretaties op te leggen en die daarenboven op zich tot nadenken stemmen.
Dit boek vraagt hierdoor een trage lezing.
    voor meer info zie publication
 

Look, think and meditate.

 

I have too seldom, in my busy years from adolescent to active senior, taken the time to experience life meditatively.  I am getting better at it now and I can enjoy, more than I used to, The Silence of the Light, as expressed by an inspired and talented photographer, who creates images with light, and by a philosopher, who crystallizes this inspiration into words. 

Of course, I was no stranger to the emotions and ecstasies of artistic beauty, whether it was poetry or some plastic art, but I was always holding on to a rational context.  Art for art’s sake was for me an alien concept, a false illusion.

I will never be entirely free of these motives; the doer and scientific mind that I am striving to be will always prefer the power and insight of reason.  But in recent years, another dimension has been added.  I remain the free-thinking positivist but I learned that artistic emotion could gain a hold, as if transported above and beyond time, where context is no longer important.  As if I write, as a long-term rationalist, and I am not even sure if  emotion  is the right word.  Perhaps there is no right word for it, for it only happens when one begins to take more time for meditation (although that is a word that I have an instinctive disinclination towards).  But then, as I grow older, I find myself meditating more often, or rather, I am learning.  To me, it is a very different type of communication; it is not communication as in a physical conversation, from person to person, and not communication as in many other forms, e.g. chatting in the worldwide elusiveness of the internet.  It is intense communication that can be experienced alone, in an encounter with images and words, which offer me a context-less invitation to look and dream, maybe a little bit transcendently.
This activity would probably register as proper brain-activity, and have a biochemical explanation, but I  experience it as rest.  This is how I experienced my encounter, my communication with this small work, the Silence of the Light.  This work, its creator says, bears witness to such an encounter.  This is how I experience Benn’s work, when I experience meditation.  He helps my brain tune into the B.alfa 8-12/second wavelength, a better and comfortable shield against the by time unnecessary quest for new information and context.
So this is the healing meditation, silent, and full of light.
For this, I am grateful.

Herman Balthazar
Honorary Governor

 
   
 

De Stilte van het Licht
fotografische opnamen van vergeten meditaties

 

Veel te weinig heb ik in mijn drukke jaren van adolescent tot actieve senior de tijd gemaakt om in kijkende meditatie iets te beleven. Beleven zoals ik dat nu al wat beter kan en derhalve meer dan vroeger kan genieten van De Stilte van het Licht, tot uitdrukking gebracht door een bezielde en getalenteerde fotograaf, die beelden schrijft met licht en door een filosoof, die deze bezieling in kristallen woorden en zinnen vertaalde.

Natuurlijk kende ik, zocht ik, beleefde ik de emoties en vervoeringen van artistieke pracht, zij het deze van enkele versregels, zij het van een of ander plastisch werk, maar altijd hield ik tezelfdertijd de rationele context vast.
Kunst om de kunst was voor mij meestal een aliënerend begrip, een vervalsende begoocheling.

Helemaal verlost van deze drijfveren zal ik wel nooit zijn. De doener en de wetenschapsman, die ik poog te zijn zal wel voorkeur blijven geven aan de kracht en het inzicht van de rede; zo pluk ik nog altijd liefst de vruchten van het denken en van de daad. En toch is er in de laatste jaren een andere dimensie bij gekomen. De geus, die in mij met steeds grotere overtuiging groeide, leerde met de jaren dat artistieke ontroering soms een terrein inneemt, die je als het ware transcendent mee voert boven en buiten de tijd, een terrein waar context eigenlijk geen wezenlijke rol meer speelt.  Als het ware schrijf ik als oude rationalist en ik weet ook niet of ontroering de juiste woordkeuze is. Misschien is er zelfs geen juiste woordkeuze voor, want het ontstaat door meer tijd te nemen voor wat men wellicht best meditatie noemt al zet ik voor dat woord meditatie reflexmatig mijn kritische stekels op. Maar toch : in mijn oudere dagen word ik vaker een mediteerder of – misschien juister – een leerling-mediteerder. Ik ervaar het als een totaal andere soort communicatie. Het is niet de communicatie van het gesprek in zijn fysische gestalte van mens tot mens of in één van zijn andere vormen zoals chatten in de mondiale ongrijpbaarheid van het internet. Het is wel een intensieve communicatie, die je gans alleen kunt beleven in een soort ontmoeting, een meditatieve ontmoeting met beelden en teksten, die mij zo contextloos mogelijk uitnodigen om te kijken en een beetje transcendent weg te dromen. Waarschijnlijk zal dat ook wel biochemisch te verklaren zijn als een te meten hersenactiviteit, maar ik ervaar het desalniettemin als een heerlijk rustpunt. Dit bij voorbeeld is mijn ervaring in mijn ontmoeting, mijn communicatie met het werkje De Stilte van het Licht. Het boekje, zegt de maker, wil getuigenis brengen van (een) ontmoeting(en). En zo kijk ik ook naar het werk van Benn waarbij ik die meditatieve ervaring heb. Hij helpt mijn hersenen in de uitstekende positie B.Alfa, 8-12 golven per seconde te brengen, maar mij toch probleemloos af te sluiten van de zucht naar nieuwe informatie en context.
Dit is dus die heilzame meditatie, stil en vol licht.
Daar ben ik dankbaar voor.

Herman Balthazar
Ere-gouverneur

 
licht touw    
   

meditatie naar aanleiding van de voorstelling van de publicatie De Stilte van het Licht
Galerie ArtTrack, november 2008

     
   

Dames en Heren,
Toen ik de opdracht aanvaardde kort en bondig, een klein en een luchtig, toespraakje te houden bij de voorstelling van het fotoboek van Benn, was ik mij niet bewust van de moeilijkheden die ik me daarmee op de hals zou halen. Een waar dilemma. Een woordje zoals dit in deze omstandigheden is onvermijdelijk reclame. En hoe zou ik reclame kunnen maken voor een publicatie die ‘De Stilte van het Licht’ heet? Ik bedoel daarmee niet eens dat ik de auteur ben van begeleidende teksten in het boek en dat het dus een beetje ongepast of heel ongepast is dat ik, zonder dat te willen, hier reclame voor mezelf sta te maken. Nee. Ik maak niet graag reclame voor mezelf, maar af en toe stoort het mij nou ook weer niet. Trouwens : on n’est jamais si bien servi que par soi-même’. Dat ik die teksten geschreven heb, dat ik ze zelf geschreven heb, is zuiver toeval. Dat ik hier sta, is dat niet: ik kon niet anders. Wie Benn een beetje kent, weet dat je hem, met zijn verdomd beminnelijke natuur, niets kunt weigeren. Noodgedwongen sta ik dus hier. En tegen mijn zin. Want hoe zou ik, ondanks mijn goede wil, reclame kunnen maken voor het Licht? Licht dat iedereen, afgezien van de verstokte blinden onder ons, ziet en niet anders kan dan zien, van ’s morgens tot ’s avonds, de hele dag lang? En niet alleen overdag, want ook ’s nachts maken wij heel veel licht. Te veel zelfs. Reclame maken voor het licht is dus niet alleen overbodig, het is te veel van het goede. En dat is opdringerig. En hoe zou ik reclame kunnen maken voor de stilte? Vooral als reclame, door haar natuur zelf, lawaaierig is? Des te luider, hoe minder de zaak, op zich beschouwd en genoten, waard is. Goede wijn hoeft geen krans, maar om de dans rond de krans is het te doen. Niet alleen met Kerstmis. Elke kermis is goed. En die dingen maken veel lawaai. Voor de stilte kan men, bijgevolg, al evenmin reclame maken als voor het licht. En voor de Stilte van het Licht, voor de vele stiltes van het heel diverse licht, is dat helemaal onmogelijk. Een contradictio in terminis. En dus uit den boze. Tenzij men er genoegen in zou scheppen om zichzelf tegen te spreken. Wat sommigen ook wel plezant vinden. Al was het maar om de onverdraaglijke stilte van het heelal te doorbreken.

lichtpunt

Maar misschien kan het probleem van het oorverdovende lawaai en van het verblindende licht toch nog worden opgelost. Niet door naar het licht te kijken dat het licht –dat dan altijd scherp is – op de dingen werpt die wij willen begeren en die wij denken te bezitten, maar door acht te slaan op het licht –dat dan wat milder lijkt – dat het licht op de dingen zelf werpt, op hun zijn als het ware. En niet door te letten op de schrille tonen die ons wakker doen schrikken en ons het bed uitjagen, maar door aandachtig te luisteren naar de min of meer mysterieuze stemmen en stemmingen, die in ons, als wij ons volop op onszelf concentreren, langzaam hoorbaar worden, en die een soort muziek lijken te zijn waarvoor de noten nog moeten worden uitgevonden. Maar ik neem aan dat velen onder ons, die weinig tijd en ruimte hebben, nauwelijks iets van dat gezang zullen horen en ook weinig of niets van zoiets als het zijn van de dingen zullen zien. Een hulpje kan dan misschien geen kwaad. Bijvoorbeeld met deze publicatie: door het licht dat de foto’s van Benn op de wereld werpen en misschien ook door de teksten die ons, laten we maar hopen, er toe aanzetten naar de muziek te luisteren die in onszelf wordt gespeeld en die ons, zo voorbereid, in staat stelt naar het licht te kijken dat de dingen zelf uitstralen. Ook op foto’s. Kortom, door een beetje stil te staan bij en wat te mediteren over zaken die wij maar al te vaak vergeten, omdat ze ons zo vertrouwd zijn. Zodat we verbaasd opkijken als we er zicht op krijgen: als ‘de stilte van het licht’ er op geworpen wordt. Meer kan ik daarover helaas niet zeggen. Want ik ben per slot van rekening betrokken partij.

En zo, zegt de cynicus in mij, heb je toch ook maar weer eens je reclame gemaakt. Ja, dames en heren. Zo gaat dat. En zo hoort het: ik sta hier en, kijk, ik kan niet anders!
                                                                      
Karel Boullart                                                                                                                                             
                       

  3 licht  
    meditatie van prof. dr. Karel Boullart
naar aanleiding van de tentoonstelling De Stilte van het licht
in boekhandel Lymerick, Gent, mei 2009
     
muur  

Dames en Heren,
Laat mij toe u, in plaats van een conventionele lezing, een paar beschouwingen ter overweging te geven. Dat past wellicht beter bij de fotografische opnamen en de begeleidende teksten, dan een uiteenzetting die toch geen bewijsbare resultaten oplevert. Geloven – en ik bedoel hier het kleine geloof in de kleine dingen van het leven – is wel niet beter dan weten, maar vaak onze enige mogelijkheid om de conversatie verder te zetten. Daarna kunnen we rustig praten en, als het ons lust, discussiëren, zonder het gelijk aan onze kant te willen krijgen en onze medemensen, en vooral onszelf, te willen overdonderen met argumenten die we wel doorslaggevend achten, maar waarin we zelf toch ook niet veel vertrouwen hebben. Laten we er dus iets meditatiefs van maken.

Een vergeten meditatie. Misschien zijn er een heleboel die wij vergeten zijn. En ook een nog veel groter aantal, die wij wel in ons dragen maar waar wij niet aan denken. Omdat ze buiten onze horizon vallen, buiten de manier waarop wij onszelf gecultiveerd hebben: dingen die onzichtbaar werden omdat wij ons afgeschermd hebben. Van het licht in ons en het licht buiten ons.

1. Onze politici hebben een probleem: ze zijn ongeloofwaardig. De meeste mensen schijnen ze niet meer te vertrouwen. Ze moeten daar wat aan doen, zeggen ze zelf. Maar hoe? Want hoe meer onze vereenzaamde vertegenwoordigers hun opperste best doen om opnieuw het nodige vertrouwen uit de doden op te wekken, des te ongeloofwaardiger dreigen ze over te komen. Zo’n gevecht op leven en dood in eigen huis wordt meestal verloren.
Ook onze bankiers hebben een probleem: die gelooft niemand meer. Het geld dat er was, smelt weg, omdat er geld mee gecreëerd werd dat er nièt was. Maar dat verzilverd kon worden, zolang ‘the going was good’, zoals men – niet toevallig – in het Engels zegt. En waarmee moeten onze bankiers gered worden? Vanzelfsprekend met het geld dat ze zagen verdwijnen en dat de overheid terug te voorschijn blijkt te kunnen toveren. Het afhalen waar het nog zit, of het drukken als het er niet is. Niets lijkt officiëler uit te draaien dan valsemunterij. Die indruk ontstaat omdat geld –gewogen en te licht bevonden – een fictie is. Of: soms niet en soms wel. Of bijna altijd. En dus niet te vertrouwen. Maar wie of wat is dat nog? Waar komt in deze al heel lange eeuw, het wantrouwen, dat bodemloos lijkt te zijn, vandaan? De kosmos, de natuur, de aarde en het leven: dat zijn toch solide dingen? Zaken waar men staat op kan maken? Blijkbaar niet. Misschien is de werkelijkheid zèlf niet meer te vertrouwen. Of op z’n minst: de grote ideeën niet, de kleine opvattingen niet en de simpele gedachten, die wij daarover hebben, evenmin. Of die wij hadden. Of die men ons in het oor heeft gefluisterd. Eeuwenlang.  

2. Hoe geloofwaardig is de werkelijkheid? Spontaan zou een mens geneigd zijn te zeggen: helemaal. Waar zouden wij staan, laat staan rechtop gaan staan, als wij geen vaste grond onder de voeten hadden? Misschien is dat in de realiteit zo. Maar in het bewustzijn van zijn, in het bewustzijn van de mens, ligt dat anders. Waar is een uitspraak, wordt traditioneel gezegd, als ze de dingen zegt zoals ze zijn. Dat zeggen wij, die nooit van de waarheid en haar ellende gehoord hebben, geregeld. Maar als men ze nu eens, die dingen die er zijn, naar zijn hand kon zetten? Als men de realiteit zou kunnen manipuleren? Als men de magie die de mens in zijn dolle hoofd heeft, waar zou kunnen maken, als… als men de werkelijkheid leert kennen zoals ze is, en ze bijgevolg, naar omstandigheden, kan manipuleren. Als men, zoals de Sofisten, zou kunnen leren schijn ècht voor werkelijkheid te laten doorgaan? Onze beste geneesheren zijn onze beste giftmengers, zei Plato. En hoe meer je de werkelijkheid naar je hand kunt zetten, des te minder blijft er gebeurlijk van over. Afhankelijk van het willekeurige en wispelturige willetje dat je hebben wilt. Dat is onze bankiers overkomen, die door vertrouwen te stellen in mathematische formules over de spreiding van risico’s, in derivaten en in derivaten van derivaten, ingepakt en herverpakt, tot de conclusie moesten komen dat ze, om massaal winst te maken, er best aan deden om met de werkelijkheid geen rekening te houden. Niet omdat die niet in rekening kon worden gebracht, maar omdat ze al lang verrekend was in de buitenaardse bedoelingen van degenen die eindeloos rijk wilden worden. Wie tegen alles verzekerd is, en dus zeker van alles, beheerst de werkelijkheid.  ‘No problem’ dus:  realiteit is het laatste wat we nodig hebben. Tot het kaartenhuisje van deze infantiele fantasieën in mekaar stort, cascade na cascade. Dat is overigens ook een beetje zo met het immense experiment van de eeuw in de CERN. Daar krijgen we te maken met de kleine kans dat we, door met heel grote kanonnen op erg kleine maar heel talrijke vliegen te schieten, wel eens die grote vlieg zouden kunnen afvangen die ons het universum zou kunnen verklaren. Als die al niet uitgestorven is, voor ze ontdekt zal kunnen worden.  Per slot van rekening is de wereld, de evolutieleer getrouw, dynamisch. Ook dat experiment ligt voorlopig stil. Theorieën over alles vallen dus een beetje statisch uit: ze gaan over zeer weinig. Zoals de ultieme investeringen, die we ook hadden, een beetje onnozel zijn gebleken en verdwenen zonder incasseerbare sporen na te laten.Behalve dan die van een zwart gat.
            
3. Of dus, na de dood van onze goden, de goddelijke en de geldelijke, onze onweerstaanbare drang naar houvast en objectiviteit ons eindelijk een beetje realiteitszin zal opleveren, is maar de vraag. Wij blijken niet bijzonder geschikt om te leven in een wereld die de onze niet is. Al is de notie ‘onze wereld’ ook al een betwist begrip. Vooral omdat de invullingen er van meestal uithuizig uitvallen. Misschien komt dat omdat wij sterfelijk zijn. En we dat niet willen zijn. Ik heb ooit keiharde atheïsten horen klagen over het ‘schandaal’ van de dood. Alsof ons sterven en onze dood nu net niet de dingen waren die alleen een god verweten konden worden die, als enige dan, aan deze calamiteiten een eind zou kunnen maken. Maar atheïsten zijn vaak priesters die op hun kop door de wereld lopen: hun zicht is beperkt. Zoals de blik van predikers, die kaarsrecht rechtop lopen en omhoog kijken, meestal te ver reikt: ze zien in het oneindige wat hen op aarde niet onder ogen wil komen. Ons gevoel voor realiteit zal dus ergens in het midden moeten liggen: niet in de hemel, die niet veroverd kan worden, en niet onder aarde waar we allemaal belanden. Ergens in het midden dus. In de onderste luchtlagen. Ondanks onze neiging zo groot mogelijk, zo hoog mogelijk te zijn. Groot worden doen we alleen in onze kleinigheden. De rest is bombast.

4. De echte vraag zal dus de vraag naar de kleine zin zijn. Die is niet eeuwig. Maar particulier in tijd en ruimte. Afhankelijk van grote omstandigheden maar aan kleine keuzes te danken. Veronderstellen dat zo’n wereldje kleinzielig is, komt er op neer te geloven dat het heelal voor ons niet groot genoeg kan zijn. Maar dat is grootheidswaanzin. En wat zegt ons de zin voor realiteit die op onze maat gesneden is? Misschien moeten we, om een klein antwoord op deze grote vraag te krijgen, terugkeren naar vergeten meditaties. Die we nu wel echt vergeten lijken te hebben.

 

morning light

5. De lyrische mens is de mens bij uitstek. Wie dat niet onderschrijft, heeft niet geleefd. ‘Wie veel weet en niet er naar leeft, die verspilt zijn tijd’. Dit citaat van Jan van Ruusbroec vraagt om uitleg. Zo iemand heeft niet geleefd? En toch leven de meeste onder ons zo. Alsof ze niet geleefd hadden. Alsof ze dat ook niet wilden, dat leven. Niet echt.

6. Een mens kan maar drie houdingen aannemen tegenover wat hem overkomt: de lyrische, de epische en de dramatische. Ik beleef mijn beleving, ik leef ze, ik ben ze, ik ga er in op: ik ben mijn beleving. Dat is mijn lyriek. Of ik vergroot dat kleine ik uit tot dat uiterste in mij, tot het godje dat een beetje kijkt naar mijn beleving en naar al wat beleefd wordt, in en rondom mij, door mij en door de anderen. Dat is dan episch. Die epiek is afgeleid van het verhaal, van de mythe, die fundamenten in ons legt. Later, in de roman, wordt die commentaar op de tijd en de ruimte van onze culturele toevalligheid. Als mijn ik, tenslotte, mens en wereld dramatisch opvat, neem ik geen standpunt in, deel ik niet in vreugde en leed, identificeer ik mij nergens mee. Ik stel alleen maar de gang van de wereld vast. De wereld, die van de mens in het bijzonder, is dramatisch in het zijn, problematisch in het bewustzijn. En wordt gedragen door de beleving van het leven, zijn lyrische kwaliteit. En voortgedreven in en door het handelen, door het willen, het verlangen en de drift die het epische zicht op en inzicht in wat geschiedt, conditioneert. Wat dan de geschiedenis van mensen en dingen uitmaakt.
 
7. Dit ‘lyrische ik’ dat in de kern van elk van ons verscholen ligt, hoe ziet dat er uit? De lyrische houding wordt gekenmerkt door de vereenzelviging van de handelende mens met de beleving van het leven, met het ervaren zonder meer en als zodanig beleefd. Alle beleving, elk bewustzijn, elke kwaliteit die zichtbaar, hoorbaar, tastbaar, voelbaar is en als zodanig wordt beleefd, gesmaakt, genoten en uitgeput, is wezenlijk lyrisch. Op zich genomen is de beleving van de kwaliteit van het ‘er zijn’ in het algemeen en de bijzonderheid ervan in het ‘zo zijn en niet anders zijn’, noodzakelijk universeel: daarzonder is van de wereld geen sprake. De beleving op zich is het basso continuo, het uitgangspunt en het grondgegeven, het onvermijdelijk ijkpunt van de muziek van het bestaan. En natuurlijk ook van zijn onwelluidendheid. Ik moet mijn beleven leven, of mijn ervaring komt niet tot stand. Geen samenhang, geen theorievorming, geen wereldbeeld, geen wetenschap, geen ethiek. Zonder de lyrische aard van het zijn dat bewustzijn is, is sprake van niets. In ons niet en buiten ons evenmin. Al wat wij doen en laten is bijgevolg op beleving gericht en alle theorie, elk wereldbeeld, elke religie, is daarop gericht. Zonder mystici geen pausen, hoe paradoxaal dat ook mag klinken. De inhoud van die lyrische houding is de gevoelde kwaliteit van het bestaan zelf. En die beleving is ook het eindpunt van alle streven, zelfs van alle beweging: wij zoeken de plaats van bevrediging, al was het momentaan, waarin wij kunnen en mogen rusten in wat is. Als de zin van het bestaan ligt in de verwerkelijking van immanente, intrinsieke waarden – van al wat, en enkel wat, op zich genomen zinvol is, omdat het bestaat – dan is het einddoel van alle zijn lyrisch van aard. Deze bewogenheid als toestand van het zijn is niet enkel steeds aanwezig, bewust of onbewust, vertrekpunt dus, maar onvermijdelijk ook eindpunt. De finaliteit van de mens is lyrisch te zijn. In positieve zin. Uiteraard. Want de vreugde en het genieten worden zo goed als automatisch verkozen boven de kreet van pijn en de ademnood van de angst. Deze vereenzelviging met de wereld in zijn beleefbare kwaliteiten, deze identificatie, deze drang naar fusie, kortom, deze overgave is ook, altijd, als we het woord platonisch opvatten, erotisch van aard. Dit streven naar vereniging, onovertroffen uitgedrukt door Plotinus ‘drang naar het Ene’ sluit meteen ook de aanvaarding van het leven en zijn hoofdgeledingen in: onze geboorte, ons doen en laten, ons streven, ons slagen en mislukken. Evenzeer als de dood, onze eindigheid. We verliezen ons in onze beleving, in onszelf en in wat de wereld ons te bieden heeft. En deze toestand van zijn is op zich intrinsiek waardevol, en enkel op zichzelf gericht, autotelisch, zichzelf genoeg. We ‘verliezen ons’, zoals een gelukkige uitdrukking luidt. We verliezen ons. En daardoor, juist en enkel daardoor, vinden wij onszelf terug zoals we zijn, zoals we altijd waren: momentaan, eeuwig op elk van de ogenblikken waarin wij werkelijk, waarin wij authentiek waren. En zijn. Zo’n toestand is zonder context, in zichzelf gesloten. De epische eigenheid van het zicht op en het inzicht in, die van het verbanden leggen, wat eerst op mythe en magie, en later op geschiedenis en wetenschap uitloopt, is het lyrische vreemd: dat is niet uitlegbaar, niet ingebed. Het staat op zich: het spreekt niet, het zingt zichzelf uit. Als het al wordt uitgedrukt. Vanuit haar wezen wordt die lyriek in stilte gesmaakt, genoten en in volheid beleefd. Op haar hoogtepunt, in haar uiterste vorm, verdwijnt ze in de stilte van de mystiek. Vandaar het paradoxale karakter van de poëzie: ze drukt het onuitspreekbare uit. Poëtisch geladen stilte is de atmosfeer waarin ze baadt. Ze is de uitroep die van stamelen houdt, een uitroep en een stamelen dat niettemin voorbeeldig tonend is: haar zijnskwaliteit toont zich in de omschrijving, in de omweg die in de vergelijking en in de metafoor wordt uitgetekend. Nogmaals: de lyrische mens is de mens bij uitstek. Zonder deze bijzondere gegevenheid van het bestaan is er geen mens, geen wereld, geen geschiedenis, geen wetenschap, geen cultuur. Wie zijn lyrisch vermogen kwijtspeelt, dreigt uit het bestaan te vallen. Uit de boot van het bestaan. En het wrak te worden dat op drijfzand, op het droge verdort, ineenkrimpt en uiteenvalt.      
8. Maar kunnen wij nog lyrisch zijn in onze tijd? Door het wantrouwen dat wij koesteren, dat ons aantast, dat ons opbrandt: het wantrouwen in onszelf, in onze cultuur, in onze wereld, in de werkelijkheid zelf? Zijn wij door deze scepsis heen, in het zijn tegen het zijn en tegen zijn eigenschappen in, nog leefbaar?
 
9. De paradox van het lyrische is dat het steeds weer episch bemiddeld is. Onze ervaring is nooit puur: ze komt door interpretatie tot stand, van in het begin is ze cultureel gefilterd. De aanvang van ons bewustzijn ligt in het duister. Maar reeds ons eerste besef is gekleurd: niet enkel door onze bijzonderheid, maar ook en vooral door de specificiteit van onze naaste omgeving, van de gemeenschap waarin we op de wereld zijn gekomen, van de maatschappelijke atmosfeer die we inademen, kortom, van de cultuur waar doorheen wij, wat ons overkomt in het zijn, in het bewustzijn ervaren, het duiden en beleven. Wij geloven objectief te zijn: wat is, is, en wat niet is, is niet. Maar het zijn dat is, is altijd het gedachte zijn, het beleefde dat wij vanzelfsprekend achten, is steeds het onze, dat van de cultuur die wij hebben, die van het wereldbeeld waarin wij geloven, waarin wij menen het juiste zicht op de werkelijkheid, op de totaliteit gevonden te hebben. Daarmee zien we de wereld, in die wereld leven wij. Die zienswijze, dit perspectief, geloven wij: het geeft ons het ware zicht op en het juiste inzicht in wat wij werkelijk, in wat wij onweersprekelijk zijn. En zo, zoals wij zijn, hoort een mens te wezen. Wij zijn de ware mensen: de anderen zijn dat niet. Of enkel bij benadering. Dit particularisme dat de sterkte van onze culturen uitmaakt – want dit geloof verzet bergen – is ook een last die wij meeslepen tot wij tot de ontdekking komen, in en door ons zicht op het precaire karakter van wat wij rotsvast achten, dat wat wij meedragen niet alleen een last maar vaak ook ballast is. Zodat we, in en door de culturele dynamiek die ons onvermijdelijk overkomt, meer en meer gedwongen worden de dingen weg te werpen en achter ons te laten, waarvan wij dachten dat ze essentieel waren, dat ze tot het vaste patrimonium van ons menszijn behoorden. Ze waren niet wezenlijk, die dingen, ze waren enkel het product van onze fantasie, van onze idiosyncrasie. Ze waren onze inbeelding: vergissingen die hooguit als gissingen begrepen kunnen worden. Die ervaring, die van de onttovering, niet enkel die van de natuur maar ook en vooral, die van onze cultuur, moet verscheurend werken: ze breekt ons bewustzijn open, ze doet het zijn consistentie verliezen, ze verkruimelt onze geest. In plaats van zekerheid en stabiliteit in het zicht op het zijn, in het ware zijn, of het nu God genoemd wordt of wat anders, sluipt in de wereld van onze inzichten, in onze geest, onzichtbaar maar alomtegenwoordig de twijfel binnen, het wantrouwen, het vraagteken en de doorstreping. En ‘wij’, als men ons nog zo noemen mag, blijven achter met een eenzaam ik, dat al langer hoe leger wordt, dat zijn inhouden alleen nog als ‘nader te onderzoeken’ kent, ze in beginsel niet vertrouwt, en geen maatstok meer kan vinden waarmee ze gemeten en geen gewichten meer kent waarmee ze gewogen kunnen worden. En alles lost zich op in wind, in vluchtigheid en in vlucht. En in stofwolken die het zicht belemmeren. Het verdampt. Het lost zich op in lucht. Het feit is bekend. Van de vaste stof waar alle cultuur gemaakt lijkt te zijn, blijft niets meer over. Op zo’n ogenblik, vanuit dit besef, kan onze lyrische aard alleen nog maar nostalgisch ter sprake komen. Bij manier van spreken: er zijn geen gedichten meer, ze kunnen niet meer herkend worden. We kunnen alleen nog hopen het geluk terug te vinden er ooit nog wel eens eentje te zullen kunnen schrijven. Onze vereenzelviging, onze eenmaking met de mensen, met onze wereld, met ons eigen zijn, is leugenachtig geworden: even ongeloofwaardig als onze politici en onze bankiers. De pretentie het lyrische ik te zijn dat wij ooit dachten te hebben, is hol: het gezang van het zijn, dat wij zo graag zouden horen, kan in onze oren alleen maar kitscherig klinken. Ontologisch gezien moeten wij onszelf als een verloren zaak beschouwen. Deze toestand is denkelijk, hopen wij, niet definitief. Maar hij is beslist symptomatisch voor het culturele interregnum waarin wij ons bevinden en waarin wij ons bij voortduring in cirkels voortbewegen. Ook onze poëzie is uiterst betwistbaar geworden.

10. Toch kunnen wij, zolang we blijven bestaan, niet zo sterk en zo strak abstractie maken van onszelf, onszelf niet zo totaal objectiveren, het vraagteken dat op ons voorhoofd getekend is, zo niet uitvergroten, dat wij volkomen ongevoelig zouden worden voor de overgave die wij in ons dragen. Zodat wij  ons lyrisch gehalte helemààl zouden kwijtspelen. Als wiskunde op haar best de lyriek van de zuivere gedachte is, en poëzie, als het tegendeel in deze eenheid, de mathematica is van onze ontroering, dan blijft het appèl beslist bestaan. Dan komt er een moment waarop wij moeten terugkeren naar onze lyrische doeleinden, hoe ver wij ons daarvan ook verwijderden door onze obsessie ‘een maakbare wereld’ te zijn, die wij naar onze hand dachten te zetten. De begeleidende teksten in het fotoboek zijn dan ook geen gedichten. Maar een meditatie, een vergeten meditatie over vergeten gedichten. Over het licht, dat door zijn alomtegenwoordigheid, zijn onverwoestbaarheid, door zijn warmte, niet anders kan zijn dan het symbool van al wat is. Licht. En de stilte van dat licht. Een zwijgen dat echter niet het mystieke stamelen en jubelen is, maar zijn tegendeel: een meditatie op en over dat licht. Een vingerwijzing. Geen overgave. Of overgave, juist alleen maar in de verwijzing.
En zo zie je maar, dames en heren,
Het is dan toch weer een lezinkje geworden. Geen gedicht. 
 

     

AL WAT IS, IS LICHT:
het verbond tussen fotograaf en filosoof

Over Benn Deceuninck & Karel Boullart:
De stilte van het licht: fotografische opnamen van vergeten meditaties # The silence of light: photographic takes of forgotten meditations

(Gent, 2008. ISBN 9789081322270)

Jean-Paul Den Haerynck
IV-2009

  rode straal

SKELET

De afzonderlijke bestanddelen van De stilte van het licht zijn elk apart misschien wel vervangbaar door een dozijn andere, maar in deze compositie samengebracht vormen ze een sterke verbinding. De ene component bestaat uit visuele impressies, de andere uit medidatieve teksten. Het motto geeft de richting al aan: in de kleinste details zit een hele wereld, al of niet opzettelijk getoond of verborgen. Halverwege de fotoreeks vinden we een beeld van een zwaar gehavende boekenrug van Henri Bergson: La pensée et le mouvant. De beweeglijke gedachte pleit voor een medidatieve omgang met de beelden van Deceuninck en loopt al vooruit op de soms poëtische teksten van Boullart.  Twee vormen van expressie worden hier samengebracht zonder dat ze hun eigen sterktes perverteren met het compromis van een directe tekst en beeldconfrontatie: de foto illustreert de woorden niet, de uitgeschreven gedachte wordt niet vastgelegd in het beeld. Beide staan apart, in reeksen vormgegeven.

   
   
De foto’s van Benn Deceuninck vormen het eerste bestanddeel, zodat de beelden alle vrijheid krijgen, vooraleer enige talige component  ze betekenis kan toekennen. De “vergeten meditaties” van Karel Boullart duwen de lezer een specifieke richting uit, maar niet noodzakelijk die van de voorafgaande beelden. Deceuninck en Boullart kozen voor een gezamenlijke publicatie, maar kozen elk hun medium en gaven dat de volle ruimte. Pas bij een herhaald bekijken of lezen beginnen de twee onderdelen hun gehechtheid aan elkaar te tonen en wordt ons geheugen “gelijmd”. Dat is zeker de verdienste van Deceuninck, de vormgever van deze zeer verzorgde compositie in woord en beeld.    
   
Benn Deceuninck (1960) is bibliothecaris van de kunstbibliotheek van de Universiteit Gent, gehuisvest in de daartoe speciaal door Henri van de Velde ontworpenen ruimte met uitzicht op de Boekentoren). Als gedreven fotograaf (hij studeerde in een ver verleden fotografie aan de Gentse Academie) heeft hij oog voor esthetische kwaliteit, maar ook voor de intrinsieke eigenschappen van het in beeld te brengen onderwerp, meer nog, voor zowel de zintuiglijke prikkeling als de associatieve en filosofische gedachten die ons daarbij voor de voeten lopen.
Karel Boullart (1943) is professor emeritus van de Gentse universiteit. Hij heeft tientallen publicaties over (kunst-)filosofie op zijn naam. Geen wonder dus dat de twee elkaar in deze uitgave konden vinden. Ex-gouverneur Herman Balthazar leidt het boekje in met een aansporing tot communicatie over het rationele denken heen, voor een heilzame en intensieve ontmoeting met licht en stilte.
   

Vormgeving en compositie vormen zowel het skelet van dit bouwsel, als het tactiele oppervlak. Wie het boek onder ogen krijgt valt eerst het stevige, liggend formaat op en
de manier waarop de titel zachtblauw oplicht uit de inktblauwe nacht van het omslag, dat wat zijïg is van structuur. Een kloek gebonden boekje met hoge aaibaarheidsfactor. De tekst is tweetalig. Voor het Engels is een al even kloeke schreefloze arial gebruikt, voor de Nederlandse versie een verfijnde Times: een echo van het dubbele opzet, maar ook voldoende contrast om het voor het oog makkelijker te maken om de over de pagina’s zwervende tekst te volgen. Want op elke pagina staat de tekst steeds weer op een andere plek. Hij zoekt nu eens de bovenkant van de bladspiegel, dan weer de uiterst rechtse of linkse benedenhoek op. Elders rekt hij zich uit tot één regel over de volle breedte, dan weer zit hij ineengedrongen tegen de kantlijn. Alsof de inhoud van de woorden ook visueel in het tekstblok zichtbaar moest worden.

BEELD-LEZEN

In het fotogedeelte doen de beelden dat ook. Ze zijn tegen de rand of in de hoeken geduwd, tot op de grens van het mogelijke. Ze flirten met de paginarand, ontgrenzen de vertrouwde bladspiegel van het boek. De foto’s verschuiven daarbij van scherp naar wazig, van zwartwit naar (meestal) monochrome kleur, van korrelig en ruw naar softfocus. Hun opeenvolging werkt als een echo of subtiele verschuiving. Sommige krijgen in hun abstrakte volheid een blanco pagina tegenover zich, elders sluit een zwart blad de schaduwvlekken van de vorige foto op. De compositie van de reeksen is alleszins tot het uiterste afgewogen, kleur is zeer bewust gebruikt en de beelduitsnijding is nergens willekeurig. Al deze elementen laten een bedachtzame en zeer intense omgang met het beeld zien, alleszins geen gewone staalkaart van wat de fotograaf voor de lens kreeg.



Die indruk wordt nog versterkt door het soort onderwerpen en de manier waarop Benn Deceuninck ze in The silence of light samenbrengt. We kijken immers nooit direct of gericht naar het onderwerp, maar altijd met een zwervende, wat diffuse blik. Grotendeels gebeurt dat omdat het centrale gegeven van de foto wordt afgedekt, aan het directe zicht wordt onttrokken door wat zich op de voorgrond bevindt: randobjecten, weerkaatsingen, glaswanden, waterdruppels, vitrage, vensterblinden... , kortom grenzen in alle gradaties van transparantie. Omdat de blik vaak het eerst op die grens stoot, kan de echte onthulling van het object pas daarna gebeuren. Het beeld wordt dus in fasen “gelezen”, zodat het bergip ervan voortdurend opschuift in de tijd.

   
   
Ook waar het beeld scherp is en niet gehinderd wordt door een voorgrond, toont het zich in sporen van wat eens was: grandeur en aftakeling, licht en duister. Nuanceringen vertellen het hele verhaal, omdat we nooit direct kijken, maar via de rand (van een centraal geplaatst spiegelmedaillon bij voorbeeld) of over de schouder (van een lezer). Het beeld dwingt ons de blik vast te haken aan vele facetten na en tegen elkaar op en deelt ons door zijn plaatsing binnen de reeks aldus zijn diepste verhaal mee. We kijken naar een oor en vinden op de volgende foto de klappende hand, waarnaar het oor luisterde. We zien een gebaar opschuiven tot schaduwspel, een foto verschuiven van romp naar hoofd, een suggestief lijnenspel verspringen tot reëel patroon. Onze blik vangt de lichtweerkaatsing en gaat op zoek naar het nauwelijks herkenbare oppervlak dat daarvoor verantwoordelijk is. Van vlam naar schittering, van boomtak naar kruisiging, van de suggestie van een vlinder naar adembeweging: elke verschuiving wordt een betekenisrijke transpositie. In onze geest vloeien de associaties moeiteloos samen: vleugelslag met schouderlijn, de verre vrouw met het knielen in de lege kamer. Of hoe het overweldigend binnengutsende licht botst met de massiviteit van twee in hun vuile detaillering uitvergrote steenklompen, om maar iets te noemen. Zo weinig divers als zijn onderwerpen heeft Deceuninck ook zijn kleurgebruik opvallend beperkt. Naast zijn zwartwitbeelden vangt hij het licht in hoofdzakelijk rode, roeste en bruine tinten: een monochrome schildering, waarbij schemering en schaduw de nodige nuance aanbrengen en lichtvlekken als ophogend wit dienstdoen.    
   
De foto van het “Bericht” (met het verzoek om het licht uit te draaien) sluit de fotoreeks af en is wat mij betreft overbodig. Zo’n nadrukkelijk slotbeeld hoefde hier niet, temeer omdat het al  spoort met de openingszin van de “vergeten meditaties” van Karel Boullart die erop volgen: “What is noise? # Wat is lawaai?” Die slotfoto dus, in de fotoreeks is dat groot lawaai.    
LICHT AAN DE HORIZON

Net als de foto’s zijn de meditaties van Karel Boullart beschouwingen over licht en leven. Door contrast met duisternis, lawaai, chaos, vernietiging en dood, scherpt hij zijn gevoel voor aandacht, harmonie, intelligentie en intens leven aan. Achtereenvolgens zwerven zijn gedachten uit over stilte, dromen, vergankelijkheid, schoonheid, beschaving. Mijmerend, proberend om de essentie in eenvoudige woorden te vangen. Kantelend tussen een bijna aforistische formulering en het begin van poëzie, tussen bijbels geïnspireerde passages en  de oosterse wijsheden van de tao. Maar zelden wordt een van beide uitersten ook bereikt; het lijkt me dat Boullart die té bekende vormen en frasen zorgvuldig ontwijkt om zijn woorden en visie niet bij voorbaat te compromiteren met onze vooroordelen.
‘Vergeten meditaties’ noemt hij zijn teksten. Vergeten is daarbij te begrijpen als niet-vormvaste, bijna achteloos ontstane bewoordingen, wellicht verzameld over een langere periode. Vergeten wellicht ook bedoeld als tot ons komend via een minder alledaagse invalshoek, uit een andere wereld, op een andere manier: om kennis te nemen van de dingen die er echt toedoen. Daarop wijzen referenties aan de blindheid van de moderne mens voor de dingen om hem/haar en in hem/haar. Deze meditaties dringen aan op zelfinzicht, overgave, solidariteit met de aarde, beperking en erkenning van ons sterfelijk geluk. Dit streven is ethisch gericht, maar uit zich vooral in een zoektocht naar het mysterie in de mens, naar het weerstaan aan de onrust van het alledaagse, naar het zinnig voltrekken van ons korte bestaan in de tijd. Immers, ‘zo weinig hebben wij nodig om bevestiging te krijgen’, dat we echte schoonheid herkennen in één oogopslag, dat we aan de o zo tijdelijke schijn van onsterfelijkheid  onze hoop afmeten, dat ons briljante denken nooit of te nimmer blijvende resultaten oplevert.
‘Alleen (...) in de eindigheid, kan de wereld gedijen
in het licht van de mens.
Voor onze bezorgdheid
Staan de sterren te ver van ons verwijderd.
Ook als ze voor ons voortbestaan fataal zijn.’
   
   

Ontsnappen aan het triviale leven dat we leiden, de feiten van ons bestaan onder ogen zien: dat is onze enige kans in het licht van de eeuwigheid. En die eeuwigheid kunnen we pas echt ervaren als we bereid zijn die in elk ogenblik te zien, als we erkennen dat we op astronomische schaal minder dan niemendal voorstellen, ondanks al onze individualistische uitwassen en het vol van onszelf zijn. Dat we er in geslaagd zijn ondanks onze geniale inzichten en onze eeuwenoude wijsheden de wereld in geen tijd in de vernieling te storten, betekent dat we nooit klaarheid hebben kunnen scheppen in onze duistere geest, dat we nooit hebben ingezien dat die streep van licht aan de horizon ’s ochtends alles is wat we nodig hebben. Op twee inversiepagina’s middenin het tekstgedeelte van het boek staat het treffend in witte letters tegen een zwarte achtergrond:

Al wat is, is licht.
Licht neergeslagen in de korrel der materie.
Die oplicht in het zonlicht, dat schijnt in de duisternis.
Meer klaarheid in de wereld wordt niet gebracht

En op de rechterpagina uitgerokken tot een streep, komen inhoud en vorm nog duidelijker samen: ‘Hoe rechtlijnig is het licht, in glans, in gloed, in generositeit! En toch wordt alles kromgetrokken door de tijd.’ Engelse en Nederlandse tekst staan hier voor het eerst dicht tegen elkaar aan, als om te beklemtonen, dat de taal er niet toe doet als we naar die ene streep licht kijken, waarmee we het moeten doen om te overleven.
Benn Deceuninck en Karel Boullart geven elk met hun geliefkoosd medium in het moment van dat medium de intensiteit weer van hun passie voor het leven, van hun aandachtige maar zelden eenduidige benadering van ons zelbewustzijn. Een prachtige intentie om het meestal onzichtbare voor ons zichtbaar te maken.

   
 

De recensie door Jean-Paul Den Haerynck verscheen in nr. 22 van het tijdschrift Vorm, Filosofie & Gaga, december 2009, p. 60-64: een aflevering die onder de titel "Wit over zwart" bijna volledig gewijd is aan de Gentse dichteres Lucrèce van Hecke, die in 1996 exact op haar 40ste verjaardag zelfmoord pleegde. De recensie over De Stilte van het Licht past hier wonderwel bij. Het nummer werd op zondag 6 december 2009 in Café Rococo (Patershol) voorgesteld. 

Jean-Paul Den Haerynck
jean-paul.den.haerynck@telenet.be

 
     
link copyrightbookshop